Haar pijn

Ze woonden na jaren nog altijd samen.
Moeder en zoon, en dat ging prima. De oudste zoon was getrouwd en de twee dochters waren verhuisd richting Canada.
En het leven ging zijn gangetje.
In vroeger dagen gingen jongeren het huis niet uit voor ze trouwden en ach het verliep allemaal goed immers.
Het huis was groot genoeg en de tuin rondom idem.
De dag kwam dat haar zoon inmiddels de 40 gepasseerd, toch nog een vrouw vond.
Een jonge pittige dame met een dochtertje.
Ze waren gek op elkaar, dus wat deed je ertegen niets. Zij vertrok uit het huis en woonde enkele straten verderop in het dorp.
En ook al was het wennen, ze accepteerde het zoals het ging.
En zo ging het.
Dat het soms wat anders verliep dan gehoopt, dat was nu eenmaal het leven. Zo ging het verder.
Dat haar zoon vaak langskwam als het thuis anders ging en hij het daar even niet vinden kon dan was moeders altijd daar want de deur stond altijd open.

Dat dit tegen het zere been van de schoondochter was, dat was dan jammer, maar zij was nu eenmaal zijn moeder.
Ze ging de deur niet sluiten voor haar eigen zoon natuurlijk.
Vaak voordat hij kwam kwamen zijn twee honden al aanwandelen, dan wist moeders dat er thuis weer eens ruzie was geweest.
De honden wandelden dan gezamenlijk in het dorp richting haar huis, de weg kenden zij al goed.
”Ist weer zover”, zei ze dan en liet de honden dan binnen. De grote en de kleine hond.
Haar aangenomen kleindochter was wel een klein lichtje in dat alles.
Een vrolijk kind dat altijd gezellig kwekte als ze op bezoek kwam.
En soms wel eens vertelde over de ruzies thuis, waar zij niets van begreep, daarvoor was zij nog te jong.

Op een dag kwam haar zoon bij haar om te vertellen dat zij weg was.
Met haar kind en ze zou nooit terugkomen. Het leven ging zoals het ging en zij wilde zich er niet mee bemoeien. Ze opende de jeneverfles en schonk haar zoon een jonge in.
Het was weer even gezellig als vanouds, maar hij miste hen beiden enorm dat wist en begreep zij ook wel.

Na enige tijd kwamen zij terug, toch maar weer proberen ach ja zo ging dat in het leven. Het bloed kroop altijd waar het kroop.
Daar was niets tegen bestand immers. Zij wist dat inmiddels wel ze was al oud.
Ze zei dan maar weinig. Dat was het beste, ze moesten het zelf maar uitzoeken.
Ze waren oud en wijs genoeg, hoopte ze dan maar.

In de vijf jaar tijd huwelijk ging het 5 x mis…dan vertrok zij weer op hoge poten met haar kind voor enige maanden.
En was hij weer alleen.
Natuurlijk beschermde zij haar zoon. Hoe kon zij anders, zij was zijn moeder.
En als het kleinkind weer eens kwam dan knuffelde ze het kind en zei dan: ”Mien aarme kiend”!
Misschien had zij niet de moederlijke warmte zoals anderen, dat had zij misschien verloren in jaren lijden.
Het leven ging zoals het ging immers.
Het was niet anders dan dat!
Ze kreeg een pup van haar kleindochters hondje. Daar was zij dol op.
Een beetje leven in huis, dat scheelde een slok op een borrel aan eenzaamheid die zij al wel gewend was inmiddels.
Haar hondje Bruno.
Na de vijfde keer was het menens… ze kwam nooit meer terug.
Maar soms als ze nog eens langskwam even aanwaaien, dan ging zij naar het huis van haar zoon en was het kind even nog bij haar.
Inmiddels was zij al aardig vergeetachtig want ze was al flink oud…maar het leven ging zoals het ging.
Haar aangenomen kleindochter wilde graag blijven en haar helpen met alles.
Maar daarvoor was zij nog veels te jong.
Jammer toch hoe alles ging en haar zoon teveel dronk.
Dat ging niet in een huwelijk, maar hij kon niet meer anders.
De jeneverfles kwam telkens weer op tafel, als hij kwam, om even bij te praten.
Ze aten dan samen een stamppot, met een gehaktbal erbij.
Het was even als vanouds.
Even maar…
De jaren gingen snel voorbij.
En de dag kwam dat hij niet op kwam dagen.
Ze belde hem maar hij nam niet meer op.
Ze raakte danig van slag door dat alles, zo ongewoon.
Het leven ging zijn gangetje niet meer.
Er gebeurden heel veel dingen om haar heen maar zij begreep het niet meer.
Dat erge wilde zij niet voelen nml.
De dagen kwamen dat zij door het dorp liep met haar pannetje met eten voor haar zoon.
Hij deed niet meer open, hoe dat toch kon allemaal. Waar was hij dan, hij moest toch eten?
De dorpelingen spraken haar dan aan, en zeiden dat haar zoon er toch niet meer was, dat wist zij toch wel?
Nee dat wist zij niet, want waar was hij dan?
Ze raakte steeds meer in de war, hij moest zijn eten toch krijgen?
Waar was haar zoon?

Zo liep ze vaak door het dorp met een pan met eten voor haar zoon.

Tot haar oudste zoon haar kwam helpen en wist dat het zo niet langer meer kon.
Ze kon de dood van haar ene zoon niet langer verwerken en geloofde het niet.
Ze kon naar een verzorgingshuis en mocht haar hondje zelfs meenemen, was dat niet mooi?

Na jaren kwam haar aangenomen kleindochter bij haar kijken, eindelijk kon zij naar haar oma toe.
Ze knielde voor haar oma, ”witte oma” zoals ze haar altijd noemde.
Omdat ze prachtige zilverwitte haren had.
De oude vrouw staarde haar aan, onwetend van alles rondom haar en in haar oude handen lagen de nog jonge handen van haar aangenomen kleindochter.
Oma zei ze tegen haar en ze had tranen in haar ogen.
Oma… een flits van herkenning schoot even door haar heen.

Ja, ja zei ze nog…
Maar meer was het niet.
Zo ging het leven namelijk, zoals het ging en daar kon je niets tegen doen.