Angel-Wings

Ouders…

Featured Image

Ouders…

In het pure ongewisse liet men mij als klein kind.
Pas later begrijp je de impact die het had op hún leven – toen nog niet op het mijne.
Gevoel voor humor? Ach, wat wist je daar nu van als kind. Dat leer je pas later.

Ik kreeg een superlieve tweede vader.
Voor mij is hij nog steeds mijn echte pa. Want zo was het.
Hij hield van mij als een echte vader.
Helaas hemelde hij te vroeg.

Maar alsnog heb ik vele trekken van hem meegenomen; nu zat dat ook wel in de familie.
Maar toch…

Ik kreeg een schare duifjes onder mijn hoede.
Dagelijks floot ik naar ze en kwamen ze aangevlogen om te eten.
Een mooi gezicht altijd. Voor mij heel gewoon. Ik genoot ervan.

Op een dag vonden wij een tortelduif met een gekneusde vleugel.
We hadden nog een klein minikooitje waarin hij mocht revalideren.
Ik mocht een naam verzinnen.
Hoe zouden wij die beige lachende duif noemen?
Ik – als onschuld – zei: “PIK! We noemen hem Pik, mama en papa!”
Mijn ouders lagen krom van het lachen. Ik snapte er geen jota van.
Hoezo, wat was er mis met Pik?
Een duif pikt toch?
Boos keek ik hen aan. Humor begreep ik nog niet.
Het werd uiteindelijk Pike. Dat vond mijn moeder leuker, op de een of andere manier.

Pike kreeg nog een vriendinnetje in zijn minikooitje. Ik zie ze nog samen zitten op dat stokje.
Maar het vriendinnetje kreeg kroep of iets dergelijks.
De komkommer – die je normaal geeft bij kroep – wilde niet helpen.
Het was pure astma voor dat arme dier en ze was niet meer te redden,
ondanks Pike zijn liefde en gekoer.
Het kwam niet meer goed.

Mijn pa – een ruige Fries – nam het zieke duifje mee naar buiten
en stak de schop dwars door haar nekje.
Men verzekerde mij dat dit het beste was.
Ik had er later wel vrede mee.

Ik had ook een prachtige duif, een kereltje: grijs met witte veren aan zijn poten en een witte bef op zijn borst.
Deftig koerend was hij een duif te zijn.
Ook hij kreeg een naam: Befke.
Mijn ouders weer onder de tafel van het lachen om mijn vreemde naamkeuzes.
Ik snapte er niets van.
Dit keer bleef het bij Befke.
Wat zouden de buren wel niet gedacht hebben als ik roepend over het erf liep: “Befke!”

World of Pigeons and Doves: Pomeranian Pouter ( Pommersche Kröpfer )

Vele jaren later begin je er eindelijk iets van te begrijpen. Dat dan weer wel.

Zo had ik nog een mooie bruine haan die ik Wouter noemde,
naar een invalide jochie uit een boekje op school.
Ik had een zwak voor de naam Wouter.
Die arme haan was soms invalide – hij kon ineens niet meer lopen –
en dan sjouwde ik hem het erf rond. Iemand moest het toch doen?
Volgens mij is Wouter zelfs nog begraven omdat ik zoveel om hem gaf;
anders was hij zondags in de pan beland.

We hadden ook een zeer mooie zwarte hen. Ik vond haar de mooiste.
Op een dag zei mijn vader: “Kies jij maar een kip voor zondag.”
Ik het kippenhok in, keek rond en dacht: hm, welke dan?
De zwarte hen begon me plots venijnig te pikken. “Doe die maar dan,” zei ik. 🙁

Ik had ook nog twee konijnen. Dat waren Noren: Bram en Bertram.
Mijn moeder noemde de kruisspin in de voortuin ook Bertram… vaag.

En ik kreeg nog een geitje: Mekkie.
Ja… hoe kom je erop! Als kind bedenk je de meest logische namen.
Mekkie, want Mekkie mekt.

Maar Mekkie was niet goed. Eerst zat ze in een hok in de gang,
met gaas erop. Toen we thuiskwamen stond Mekkie op mijn moeders kaptafel
droogbloemen te vreten.
Later viel Mekkie soms gewoon voor dood neer in de tuin
en moest je haar optillen en op de grond gooien.
Mijn pa deed dat dan en dan kwam ze weer tot leven. Heel vreemd.
Springlevend ging ze door met gras vreten.
Op een dag smeet ik Mekkie wel tien keer op de grond, maar Mekkie deed niets meer.
Ze was dood als een pier.
“Pap? De geit komt niet meer tot leven. Ik heb haar al tien keer de geitenworp gegeven…”
Nah, ging hem niet meer worden.
Voor een kind best traumatisch: dat arme beest onder de grond
en denken dat het misschien niet echt dood was.

Het is een rare afwijking die wel eens vaker voorkomt bij geiten.
Wat het was? Geen idee.

Mijn pa had zelf een hond, een kruising herder-bouvier. Boeke was zijn naam.
De arme hond had een vlooienallergie.
Vreselijk was dat: krabben, krabben.
Mijn moeder ergerde zich stuk aan die hond, vooral als ze boos was op pa.
Dan ergerde ze zich nog meer aan die hond, die van hem was.
De hond overleed drie maanden voor mijn vader overleed.

Ik kreeg er ook één: een hond.
Een zwarte Caesar – Hera of Herebeertje, tegenwoordig zijn ze wit, maar die van mij was zwart.
Langharig, met grote oren en poten van een herdershond, een superlieve kop.
Ik was dol op mijn Herebeertje.
Haar naam werd Hera (naar een Egyptische godin). Eindelijk iets moois.
Ik nam haar overal mee naartoe. Als ik ging spelen met vriendjes, ging mijn hond mee.
Ik ging ook vaak rolschaatsen. Geweldig.
Afgezien van de lagers die stuk waren of te weinig olie hadden,
waardoor ik flinke smakken maakte.
Nieuwe kreeg je niet in die tijd.

Maar Hera kreeg al snel de functie ‘paard’.
Mijn teugel was de riem.
Ik histe haar op met “POESJESSSSSS!” en die hond maar rennen,
met mij erachteraan op de rolschaatsen.
Na enige tijd viel de hond op de grond, schuim op de bek: epilepsie.
Ik mocht nooit meer met haar rolschaatsen.
De rolschaatsen hingen al snel op zolder.

Oh, en wat sneu was: ik had duifjes en pa een melkbus vol kippenvoer.
Op een dag vond ik onderin de bus de duif die ik al twee maanden kwijt was.
Ze gingen wel vaker die bus in om te vreten.


Maar mijn pa had een andere zak voer en ging die melkbus niet meer in.
Omdat de melkbus nog net niet leeg was en ongebruikt voor een tijdje,
was er een duif ingegaan die dankzij de deksel een trieste dood stierf.
Ik vond het intens triest en vroeg me altijd af wie de deksel had dichtgedaan.

Ook onder een oude auto op ons erf stond een bak vol regenwater.
Daarin een verdronken duif. Vreselijk.
Het dier had nooit uit die bak kunnen komen.

Verder haalde ik pieren uit de grond om te gaan vissen.
Liep ik in de sloot in kikkerdril. Lekker warmig, net een zwembad met snot.
Ik ben het nog niet vergeten. Ieuw.

Heb ik mijn eigen hond eigenhandig gehecht met naald en draad,
een fles jenever van pa erbij.
“Ontsmetten,” zei hij. “Ik houd de hond rustig, hecht jij maar.”
Vakkundig met drie draadjes hechtte ik haar wond na een aanrijding met een autoband.
Prachtig geheeld overigens.

In Friesland is dat alles mogelijk en heel normaal.
Toch?

© AngelWings

 

Back to top button