Categorie: Mysterie

Kracht van leven – Kort verhaal
Kracht van leven – Kort verhaal

De laatste zonnestralen gaan over de daken en bereiken nog eenmaal mijn venster. Ik kijk nog even verlangend naar de zomer die verdwijnen zal na vandaag.
De winter zal komen. Ik weet het en toch overvalt mij enige melancholie. Konden we de zomer maar vasthouden net als geluk.
Maar het vasthouden is ons mensen vaak niet gegund. Het ontglipt ons meermaals, soms zonder dat we er erg in hebben, leven we als vlinders en dartelen we door de dagen.
En dan in de schaduwen van mijn tuin, is hij daar. Ik weet het, ik voel hem. Een koude windvlaag omhelst mij lichtelijk alsof hij mij omhelst. Je bent er weer fluister ik.
Ja zegt hij fluisterend in mijn oor. Je was lange tijd weg, zeg ik nog aarzelend. Ja, zegt hij. Geen uitleg, niets. Ik heb je gemist, zeg ik. Hij glimlacht en kust mijn wang, een ijskoude kus, die ik voel.
Ik leg mijn hand erop, dank je…zeg ik nog.
Ik kom je een verhaal vertellen, een verhaal, uit mijn wereld.
Ik neem plaats achter mijn computer en open mijn schrijf programma… Word…

~*~

Over de velden hingen mistflarden, als witte dromerige wolkenflarden, uitwaaierend als doorzichtige witte gordijnen. De zon scheen troebel door de witte waas heen.
Het vee op de grasvelden stond beschut bij elkander. De regen had hen de nacht ontnomen. Het werd tijd voor de zon om hen op te drogen.
Maar die dag kwam de zon niet goed door. Alles was doordrongen van het vocht in de wondere wereld, vol schoonheid en druppels aan takken en boomblaad’ren.
De schimmige wereld bracht iets met zich mee, een nieuw geborene vanuit andere werelden.
In het eeuwenoude wiegje afgezet met goudbrokaat en Brussels kant, lag een wonderschoon wezentje.
Met een huidje zo teer als verse witte room, en wangetjes zo roze als de schoonste roos die men ooit had aanschouwt.
De krullende haartjes glanzend schoon, en donker als de inktzwarte nacht, met, als sterretjes in de prachtige grote felblauwe ogen.
Een mondje gevormd als van de schoonste cupido, oortjes geschulpt als het mooiste schelpje aan het strand.
Wimpertjes als een kleine ragfijne deken, lagen op de tere zacht roze wangetjes, en de wenkbrauwtjes leken wel gepenseeld met de scherpst gevormde penseel ooit gemaakt op aarde.
Waar de moeder koningin op het grote bed lag, omringt door verzorgsters, gewassen en verzorgd werd en het vocht gelijk doorschijnende paarlen op haar voorhoofd niet te stelpen was.
Lag het prachtige kind, zo schoon als het zuiverste wezen der aarde te slapen in de wieg, als een onschuldig wezentje, onbekend met het slechte in deze wereld. Niet bekend nog, met het kwaad dat rondom de aardlingen bestond,
nog onwetend dromend over onaardse dingen, vanuit het leven voorheen. De  jonge koningin lag daarentegen zuchtend in het grote fraai bewerkte hemelbed, woelend van de koorts.
Haar lange gouden vlechten dropen druppels grootse tranen vanuit onaardse koortsen die haar fragiele lichaam  tergden.

De koning ijsbeerde urenlang op de marmeren paleisgangen, wrijvend in zijn handen van onmacht en onrusten die zijn geest tergden. Zijn nog jonge vrouw, zou zij het overleven. Zijn drie vorige vrouwen overleefden geen van allen het kraambed. Van hen geen nazaten.
Maar ditmaal, hij hoopte intens, dat hem dat eens voorbij zou gaan. Hij had gehoord van zijn Engelachtige pasgeboren dochter. Maar hij wilde het kind niet eerder zien, voordat hij wist of zijn zeer geliefde vrouw dit alles zou overleven.
Het was een wonder dat hij nog vader was  geworden. Gehoopt had hij het wel, maar dat het gebeurde, was voor hem een groot wonder. Hij was dan ook erg dankbaar. Maar hij hield dan ook erg veel van zijn mooie bevallige vrouw Isabellah.

Het kind werd, door haar vader bewonderd, nadat de moeder Isabellah na 2 weken eindelijk ontwaakte uit haar koortsen. Koning Phillipe de Bordeaux, rende zeer ongewoon voor een koningschap, de trappen op naar het echtelijk slaapvertrek en omhelsde zijn zo geliefde jonge vrouw Isabellah.
Men bracht het mooie kind bij haar vader, die haar liefdevol bewonderde. De prachtige  intens lichtblauwe ogen leken wel doorspikkelt met goud. De koning Phillipe had nog nooit zo een mooi kind aanschouwt, als dit kind, dat de zijne was.
Hij was hemels gelukkig. Maar zijn vrouw Isabellah zag bleek als Italiaans marmer en de donkere wallen onder haar ogen gaven haar ogen een etherisch diepe blik. Ze trok vast nog wel bij dacht Phillipe, ze was erg ziek geweest, maar Isabellah leek weinig aandacht te hebben voor haar mooie baby.
Ze kon het kindje niet voeden, maar dat hoefde ook niet in koninklijke kringen, een voedster nam die zorg over.
Phillipe was de gelukkigste man op aarde, maar zijn jonge vrouw kwijnde weg. Troosteloos lag zij dagen op haar bed, met het liefst gesloten gordijnen.
Praten deed zij nog maar weinig en wanneer men haar baby bij haar bracht, keerde zij zich af van het van moederliefde verstoten huilende kind. Niemand kon haar doen ontwaken uit de nachtmerrie die haar bevangen had tijdens haar kraamkoortsen.
Het prinsesje kreeg de naam Lilabellah. En toen zij drie jaar oud was en haar lieve mooie moeder zich nog niet om het meisje had bekommerd, en de koning ten einde raad was met zijn jonge vrouw, werden er uit allerlei landen tovenaars en artsen ontboden.
Wie de jonge koningin weer geluk kon schenken, zou een vermogen in goudstukken krijgen. Daar hadden velen oren naar, het werd dan ook erg druk op het paleis.
Na drie maanden was het nog niemand gelukt de koningin te doen ontwaken uit haar lethargie. Maar op een dag kwam er een vreemd heerschappij naar het kasteel. Hij was gehuld in zware zwarte mantel die ook zijn hoofd bedekte.
In zijn ene hand droeg hij een zilveren staf, verfraaid met edelstenen. Zijn stem was sereen en rustig, zijn lengte groots en gespierd. Hij was gekomen op een sneeuwwit arabisch paard, met wild geopende neusgaten en lange witte manen die als slierten wier om de hals hingen. Stampvoetend van ongeduld was het dier het  toonbeeld van wilde schoonheid en pracht. Als een Engel des doods mocht deze man de prinses bezoeken. Met zijn imposant grote postuur, kwam hij de kamer binnen. De zilveren staf in zijn hand, en zijn andere hand uitgestrekt naar haar, die niet opkeek.
Alsof een energie haar aanraakte van afstand, haar ziel weer tot leven wekte, voelde zij plots een energie, zo teer en hoogstaand, dat zij opveerde vanuit het bed, met kussens en dekens van zijde en spinsels.
Haar ogen plots vochtig, verlangend, haar mond half geopend.
Sidnasar! Hij was gekomen. Sidnasar…
Haar hart bonsde in haar lichaam, verzwakt maar nog niet stervende. Ook al had zij gedacht, dit alles niet te overleven zonder hem. Ze was hem verloren op de weg des levens.
Sidnasar. Hij was gekomen. Zij wist het, niemand begreep, niemand zou weten. Haar grote geheim.
Zijn geheim. Zijn stem resoneerde tussen de balken, een warm timbre, die haar hart aanraakte met volle diepe slagen.
De geboorte van het kind Lilabellah had haar ziel verkild tot op het bot, ze had al het leven gegeven aan haar kind.
Het leven geschonken door te geven en meer had zij niet dan enkel een zwak brandende kaars in haar koude ziel.
Er ontbrak iets, dat bij haar hoorde en haar kind. Ze kon het niet verklaren, maar het was zoals het was, ze had de kracht niet.
Sidnasar was gekomen, de man uit het bos, de man met zijn gitzwarte haren en blauwe ogen. De man die zij liefhad op het moment dat ze hem ontmoet had.
In de naaldbossen was zij van het pad gedwaald, met haar paard. En uitgekomen bij een rivier hier had zij zich verfrist en haar paard gedronken.
En daar had hij gestaan, Sidnasar, kijkend naar haar, met een strelende blik.
Weerstand had zij niet gehad, haar hart opende als vanzelf. Haar man de koning, al op leeftijd, was haar lief, maar de liefde zoals zij die nu ervoer, was zo diep en intens. Daar kon geen aardse liefde tegenop.

Ze had zich laten meesleuren in hun passie, hun plotse felle liefde. Nooit had zij die ervaren, nooit had zij zich zo gevoeld. Daarna hadden zij nog gezwommen in de rivier, lachend en spelend en hierna waren ze uit elkaar gegaan met een kus.
Nooit had zij hem meer ontmoet en niemand had zij verteld over die dag. Maar het kind, dat vertelde wie de vader was.
Oh ja zij wist het, zij wist wie de vader was.

En nu was hij gekomen, vanuit het feeënrijk, een onbekende wereld voor de mensheid. Hij was hier gekomen voor haar.
Vol blijdschap keek Isabellah op, naar hem die zij zo liefhad en zo gemist had al die jaren. Hij was hier eindelijk.
Ze stak haar bleke handen uit naar hem, ze glimlachte en wilde opstaan maar was te zwak. Maar ze voelde toch weer die levenskracht in haar opstuwen.
Dag moeder koningin, glimlachte hij naar haar.
Ik geloof dat ik wat achtergelaten heb.
Ja glimlachte ze en wilde zeggen, mij!
Maar hij liep naar het raam en keek uit over de grasvelden en bloemperken beneden het paleis.
Hij keek naar Lilabellah, die daar speelde met een kindermeisje.
Isabellah schrok, ze wist dat hij het kind bedoelde.
‘’Je houdt van mij, vroeg Sidnasar; waarom dan niet van ons kind?
Ze kwijnt weg mijn liefste zonder liefde van haar moeder kan zij niet, zonder de liefde van haar vader ook niet’’.
‘’Maar ik wil met jou mee’’, riep Isabellah vertwijfeld uit. Om zijn mooie gelaat kwam een harde trek. ‘’Dat gaat niet, je bent een aardling. Alleen feeën kunnen in mijn land wonen, ik ben een feeën prins.
Lilabellah is een halfbloed fee. Ik zal haar mee moeten nemen naar mijn wereld. Ik zag hoe je haar verstoten hebt’’.
Isabellah’s mooie ogen vulden zich met tranen, “Nee,neem haar niet met je mee. Laat me niet alleen hier achter”. Onverschillig keek hij naar de jonge vrouw die nog op het bed zat.
‘’Je was hard voor ons kind. Wat verwacht je van mij? En jij zult niet overleven in mijn land, dat is te etherisch voor jouw ziel.
Het kan niet, maar ons kind zal daar alles krijgen wat je wenst voor je kind’’. Isabellah stond wankelend op van het bed en snikte het uit.
‘’Nee niet mijn kind, niet mijn kind’’!!! ‘’Ik heb geen keus mijn liefste, ons kind is nu al drie jaar oud.
Ik kan niet langer wachten tot jij jezelf weer hervindt’, zei Sidnasar. ‘’Maar nu jij er bent kan ik alles weer aan, en…ik kan niet zonder jou’’! riep Isabellah uit.

‘’Onze dochter kon niet zonder jou’’, zei Sidnasar geërgerd. Het leek alsof het hart van Isabellah uiteen spatte van verdriet, zonder hem en hun kind, dan was alles voorbij, dan was alles over.
Onverbiddelijk stond hij daar voor haar, de man die zij zo liefhad, wat niemand nog wist of weten kon.
Snikkend viel Isabellah voor hem neer op de grond en ze smeekte hem, om het kind bij haar te laten, ze maakte beloften, mooie beloften, haar ogen waren droevig en doordringend. Ze sneden door zijn ziel.
En hij zei: “Ik geef je nog één kans, maar als je die niet nakomt dan haal ik het kind en neem haar met mij mee”. Isabellah beloofde het kind lief te hebben zoals ze hem liefhad.
Sidnasar vertrok en liet Isabellah achter. Het ging een tijdje goed, Isabellah leek opgeknapt te zijn en wat meer levenslust te hebben en haar prachtige kind gaf zij ook aandacht en liefde.
Maar zoals altijd als de mens beloftes doet, verloor zij haar levenslust wederom. De koning wist niet meer hoe hij het had.

Wat was er toch aan de hand met zijn bevallige koningin. Weer kwijnde zij weg in het grote hemelbed.
Ze kon niet zonder de liefde van de vader van haar kind. En zo vergat zij weer alle beloftes en haar kind. En de dag kwam dat Sidnasar zijn kind kwam halen.
De dag kwam sneller dan haar lief was, maar ook vertrok hij in stilte en sneller dan haar lief was.
Haar hart was gebroken, niemand wist waar de kleine prinses gebleven was, het kind was ontvoerd, meegenomen misschien wel door een boze wolf.
Isabellah wist waar het kind was. Maar de weg naar het feeënrijk was geen aardse. Niemand zou haar dochter terug kunnen vinden.
Ook al zouden zij dit graag willen. Isabellah’s hart was gebroken en ze kwam bijna nooit  meer uit haar bed. De koning kon haar niet meer redden, maar ook zichzelf niet, ook zijn hart was gebroken, want zijn mooie dochtertje was verdwenen uit zijn leven.
Het hele land was doorzocht, van heinde en ver, maar niemand kon het kind terugvinden.
Isabellah vertelde niemand wat haar overkomen was, ook niet over Sidnasar. Ze durfde het niet en was te laf.
Langzaamaan teerde zij weg, van een mooie vrouw, was zij nog maar een mager scharminkel met doffe haren en uitgezakte lijnen in haar gezicht.
De koning keerde zich af van haar, en zij van hem. Er was geen liefde meer in dat aardse koninkrijk.
Op een dag jaren nadien, zat de koningin aan een water, nog wat te genieten van een nazomer. Het meer was mistig, en de lucht was heiig. De laatste tijd liep zij vaker wat rondom het paleis, toch nog wat genieten van het leven dat zich voor haar reste.
Vanuit het bos kwamen twee mensen aangereden op paarden, ze droegen capes.
Een prachtige jonge vrouw gezeten op een sneeuwwit arabisch paard, nam haar kap af en keek haar moeder aan. Zwart golvende lange lokken ontsprongen haar kap.
‘’Mama, riep ze uit, ik ben het Lilabellah”. Ze sprong van haar paard en omhelste haar moeder.
De man naast haar was Sidnasar. Hij glimlachte naar Isabellah, ‘Ze is teruggekomen”. Ze zal haar erfenis overnemen hier en jij…mag nu met mij mee…”.
Isabellah omhelsde haar dochter, haar geluk was compleet nu zij daar zo samen stonden, haar hart genas ter plekke. Ze wist het en voelde het.
En toch zou ze moeten kiezen nu. Voor hem of haar dochter.
Maar die keus was er niet, zei Sidnasar onverbiddelijk. Lilabellah reed even later op haar paard door de poort van het kasteel, en haar ‘vader’ was dolgelukkig dat ‘zijn’ dochter weergekeerd was.
Haar moeder werd niet meer gezien, maar daar was de koning niet eens zo rouwig om.
Hij had zijn kind terug en zij was zijn erfgename.
Isabellah woonde nog een jaar in het feeënrijk toen haar hart het begaf, die wereld was voor haar te etherisch, te hoog qua trillingen. Maar de liefde had zij toch een jaar mogen meemaken.
Als een soort beloning. Sidnasar ving haar op, toen zij viel.
Feeën worden erg oud, zij zou niet zijn laatste vrouw zijn. Maar wel zijn laatste aardse vrouw. Hij had zijn les wel geleerd inmiddels. Isabellah’s ziel voer mee op de wind, naar verre oorden in het hiernamaals en ooit zouden ze elkaar wederzien. Dat wist hij, want hij was een fee.

Lilabellah trouwde met een knappe halfbloed feeën prins, waar ook niemand van wist dat hij een halfbloed fee was.
Sidnasar glimlachte om al die dwaze aardse vrouwen. Liefde was niet eenvoudig. Liefde was een gegeven, die je niet zomaar mocht doen vergaan zonder voeding.
Een kind had liefde nodig, hoe eenzaam het hart ook voelde, hoe droef de ziel ook werd.
Voor een kind was het beste nog niet goed genoeg. Zo ging dat in feeënland. En zo behoorden mensenkinderen dat ook te krijgen. Ook al zij halfbloed feeën waren.
Zeker dan. Isabellah had hem boven hun kind gesteld en zo hoorde dat niet te gaan.
Ze had sterker moeten zijn, krachtiger maar ze had zich laten gaan.
Toen de koning stierf, werd Lilabellah koningin van een aards land, in een aards paleis.
En zij leefde nog lang en gelukkig.
Sidnasar moest leven met de wetenschap dat zijn geliefde aardse vrouw niet lang bij hem had mogen zijn.
Ook hij leefde nog erg lang…

 

Hij streelt door mijn haar. Dag, ik ga.
Nu al?Vraag ik. Kom je snel weer terug?

Ik heb geen idee, zegt hij, het is druk in feeënland.

 

@Angel-Wings.nl

 

De kinderzielen
De kinderzielen

Twins newborn photography. Twins posing idea.

Zondag, de dag dat er visite kwam.
Elke zondag wel te verstaan.
Het was een fijne en drukke dag.
Familie, gelijkgezinden, gesprekken en saamhorigheid.
Er kwamen nieuwe zielen bij, baby’s klein, die groeiden, met elkaar in een speelse samenhang en vriendschap.
Een tweeling was enkele maanden geleden gekomen.
Telepathisch spraken de kinderzielen tot elkander.
Baby of wat ouder deed nog niet terzake.
Kinderen konden dat namelijk, onderling spreken zonder te spreken.
Velen vergaten dat weer na enige tijd als ze groter waren geworden. Dan waren ze de sferen kwijt van waaruit elke ziel gekomen was.
Het etherische uittreden was naderhand niet meer nodig en een ziel was dan steeds verder in de stof geïncarneerd zodat het ook steeds minder noodzakelijk was om even op adem te komen aan de andere zijde.

Maar vandaag sprak de tweeling tot de andere kinderzielen in de kamer.
Ik ga, zei het meisje. Hoezo ga jij?
Ik ga weg, ik ben ziek als aards kind en ik moet gaan.
Maar waarom, vroegen de kinderzielen verbaasd en geschrokken.
Ik wilde even incarneren, maar heb mij vergist.
Ik heb geen zin meer. Niet zoals nu. Kun je er dan zomaar uit als je dat wilt, vroeg een kinderziel verbaast?

Ik mocht dit, ik mocht even kijken en misschien doorgaan of niet, maar mijn lichaam is door het tweeling zijn teveel verzwakt. Ik heb de kracht niet om mijn ziel te laten voortbestaan in dit lichaam.
Ik kom later nog wel weer terug denk ik, maar niet als tweeling.

Jij blijft toch nog wel, vroegen de kinderzielen aan het broertje.
Met zijn grote wijze ogen keek hij de kinderen aan, en vertelde over zijn plannen. Ik blijf nog heel even hier en ga dan ook terug.
Waarom? Nee! Blijf nou toch?

Het kan niet, we zijn beiden niet sterk genoeg lichamelijk gezien. Het karma zal te zwaar worden voor ons beiden.
Groter groeien zal onze ziel dermate belasten, dat wij ons niet goed kunnen ontwikkelen in het plan dat voor ons is gemaakt.
Wat jammer zeg, wat erg, oh wat vreselijk allemaal…riepen de kinderzielen tegen elkaar.
Geschokt waren ze, maar als kind zijnde waren ze het ook al snel weer vergeten en speelden weer als voorheen.
Er volgden nog zondagen, vele zondagen, maar de zondag kwam dat de tweeling geen tweeling meer was en het jongetje alleen was meegekomen met zijn ouders.
De kinderzielen waren allen zeer bedroefd, gelukkig voelden zij de sfeer om hen heen niet zo sterk aan, want die was zeer geladen met zwaar verdriet. De hele familie rouwde om het kind dat terug was gegaan naar de hemel.
En wanneer ga jij dan, vroeg een kinderziel aan het jongetje.
Oh over enkele maanden. Het zal zeer slecht gaan met mij en dan pas. Ik moet even doorbijten in dit alles. Maar dan is het voorbij en ben ik weer bij mijn zusje.
Je komt toch ook terug?
Ja als eerste, een jongen.

Amy Proud Illustration - amy proud, amy, proud, painted, water colour, watercolour, paint, traditional, picture books, fiction, children, boys, girls
Hoe ga je dan heten, dan weten wij alvast dat jij het bent immers.
Ik zal dezelfde naam hebben als nu en mijn zusje ook.
Alleen komt zij iets later dan ik.
Het jongetje had het er moeilijk mee dat hij nu alleen was als tweeling. Na enige maanden was hij zozeer verzwakt dat zijn ouders ook hem moesten opgeven.
De kinderzielen wisten het al en speelden als vanouds op de zondagen. Waar de volwassenen ergens getroost werden door het speelse gedrag van alle kinderen die dagen.
Ze beseffen het nog niet zo zeiden de volwassenen dan.
Maar ze beseften alles veel beter dan zijzelf.
Maar dat wisten de volwassenen al lang niet meer.

 

Verleden Geliefde
Verleden Geliefde

Door het gebladerte van de bomen, trilden zonnestralen twinkelend gelijk sterretjes over het zandpad dat met een lichte bocht toegang gaf tot een kleine cottage.
Een schattig klein wit huisje in het bos.
Carmen was meteen verliefd op het huisje, hier wilde ze gaan wonen. Ze dronk de schoonheid in van het wonder dat voor haar lag.
Het lag uiteraard half in de schaduw, dankzij het woud aan de voorzijde van het pad,  maar aan de achterzijde scheen de zon en daar bloeiden de bloemen uitbundig. Een oude vergeten waterput maakte het geheel af. Carmen zou dit huis gaan kopen en dan misschien eindelijk rust vinden in haar leven. Na het overlijden van haar ouders, had ze haar erfenis gekregen, die zij goed wilde besteden. Het verdriet was nog lang niet gesleten, zo snel ging dat allemaal niet, ook al vonden veel mensen dat het nu maar eens gedaan moest zijn. Hoe konden zij begrijpen hoe diep hun band was geweest. Haar innig geliefde ouders die haar altijd op handen droegen, hun enige dochter en enige kind. Het gezin bestond uit louter liefde voor elkaar en dit moest zij missen.

Het enige levende, dat Carmen nog mee kon nemen van haar ouderlijk huis was de langharige zwarte oude kater Felix. Het huis van haar ouders kon zij niet onderhouden en afbetalen. Nu kon zij dit heerlijke huisje wat opknappen en hier prettig leven, het was groot genoeg. Carmen vond de afzondering wel prima, zo zonder mensen om haar heen. Ze hield niet zo van mensen. Ze stelden je alleen maar teleur. Afgezien van haar ouders, had Carmen niet veel leuke en lieve mensen ontmoet.
Het merendeel was hard en altijd afkeurend, alsof er een kou  afstraalde van al die mensen in deze wereld en zij was te zacht om daarmee om te kunnen gaan zelfs.
Nee, Carmen vond dit huisje prima voor haarzelf alleen.

De dag  kwam dat de verhuiswagen kwam en Carmen richting het prachtige huisje ging. De zon scheen wederom uitbundig, en daar verscholen tussen de bomen lag haar prachtige witte cottage.
De werkmannen zeulden de meubelen in het huisje en tilden de zwaarste meubels naar hun plek.
Een van de werkmannen merkte op dat het wel erg eenzaam zou zijn hier, voor een jongevrouw alleen. Carmen glimlachte, ‘oh dat vind ik totaal niet erg meneer’. Hij schudde zijn hoofd, dronk zijn mok koffie leeg en ging weer aan de slag. Ondertussen hing Carmen gordijntjes voor de kleine raampjes en keek naar buiten in haar achtertuin die prachtige bloeide, waar vogels floten en vlinders wild door elkaar buitelden. Felix kreeg zeker een belletje aan zijn halsband, vond zij, want anders zou hij op de vogels gaan jagen en vogels vond zij juist zo prachtig. Ze wilde zelfs kippen gaan nemen en wie weet wel een geitje, dat zou leuk zijn een grote witte met een lange sik.
Toen de werkmannen vertrokken ging Carmen even uitrusten op haar bordeauxrode sofa. Zo dit was het dan, het paradijs eindelijk gevonden en eindelijk rust.
Heerlijk! Felix kwam schommelend aanlopen en vroeg om aandacht. Ze kroelde hem door zijn lange vacht, en hij begon te spinnen.

Carmen was een week bezig om alles een beetje te ordenen naar haar zin. De dagen leken te kort om alles voor elkaar te krijgen, maar het lukte uiteindelijk dan toch.
Carmen voelde zich eindelijk weer eens gelukkig, écht gelukkig.
Ze plantte een grote witte roos in haar tuin, de roos uit de tuin van haar voorouderlijk huis.
Ze gaf deze flink wat water en voeding, anders zouden de wortels zich misschien niet verankeren in de aarde bij de cottage en de roos wilde zij niet graag verliezen.
Na deze week ging ze op onderzoek uit, op de zolder van de cottage waar veel spinnenwebben zich bevonden en wat oude kapotte meubels, stoffige versleten Perzische tapijten en zelfs nog enorm versleten kanten gordijnen dat voor het keukenraam pasten.
Ze zou ze gaan verstellen, dat vond ze wel chique ergens. Het leek alsof de gordijnen bij de cottage behoorden. In de tuin vond ze een oud hondenhok met een ketting zelfs, en achterin een verscholen oude schuur met de scharnieren loshangend en knerpend bij het openen.
Een zware kruidige geur kwam Carmen tegemoet,  ze moest even wennen aan het schemer in het bouwval voor ze iets kon waarnemen.
Enkele oude verschoten planken aan de zijkant, waarvan enkele los hingen, wat oud gereedschap, een kinderschoentje zelfs, en achterin een hoek, een schilderij.
Carmen tilde het schilderij op om het te bekijken. Het was een bleek gelaat van een jongeman, hij keek melancholiek uit zijn lichte ogen, wat dromerig misschien. Zijn mond was smal en wat streng, zijn neus was wat scherp en licht gebogen. Zijn haar was zwart als de nacht en glad naar achteren gekamd, waarbij het  haar zijn kraag bedekte van een donkere cape met gouden knopen.
De kruidige geur zweefde haar weer tegemoet, als in Patchoeli, zwaar en overladen.
Tastbaar en dichtbij. Carmen huiverde even, het leek alsof een kille hand zich om haar ontblote schouder legde. Het was een zeer knap gelaat, deze jongeman mocht niet in deze schuur blijven, ze zou hem een ereplaats  geven in de cottage. Hij had er vast ooit gewoond en men was dit prachtige schilderij vast ooit vergeten. Hoe kon men dit nu vergeten, mijmerde Carmen. Ze streek haar donkerbruine krullende haren uit haar gezicht, om wat spinrag uit heur haar te vegen, het was warm die dag, maar in dat verlaten oude schuurtje leek het killer te worden. Haar gezicht dat lichtelijk bezweet was door de zomerse temperaturen leek nu klam. Carmen toog het schilderij mee naar de cottage en maakte het voorzichtig schoon. Die ogen leken haar continu aan te kijken. Prachtige wonderlijke ogen, hoewel ze nog geen kleur kon waarnemen, veranderde dit nadat ze voorzichtig de ogen bette,  bijna liefkozend, met een vochtig doekje. Langzaamaan kwam het schilderij nog meer tot leven, en zijn ogen waren helderblauw, zo blauw als de hemel buiten, in de zomerse zon.
Prachtige ogen, verlangend keek Carmen ernaar, oh als zij toch eens zo iemand zou ontmoeten, dan wist zij het wel. Maar ach, die kans was voor haar toch niet weggelegd, de liefde van haar ouders, dat kwam niet veel voor in de wereld. Nee, Carmen begon daar niet aan. Maar toch telkens als ze naar het gelaat keek van de jongeman, voelde zij een lichte hoop in haar hart ontstaan.
Het sloeg natuurlijk nergens op, dat wist zij toch ook wel. Maar de gedachte aan liefde in haar leven begon weer meer vorm te krijgen, terwijl zij daar nooit meer zo mee bezig was geweest na haar relatie met Tom. Tom was al jaren geleden getrouwd met Anna en ze hadden kinderen en een huis. Tom was zij allang weer vergeten, maar het dromen begon over de jongeman met het knappe gelaat.
Woelend lag zij in de nacht in bed, ze kon de slaap vaak niet vatten en dan besloot zij weer naar beneden te gaan om wat thee te maken en om weer naar het schilderij te kijken, dat een plekje had gekregen boven de haard.
Hij had vast veel meegemaakt net als zij, fantaseerde zij dan. Zijn ogen waren wonderschoon en toch ook dromerig en ergens zo triest. Zijn mond smal en gevoelig. En als zij dan ging slapen, streelde ze vaak nog even over het gelaat met haar vingers, liefkozend, al begreep zij zelf haar gedrag niet.
Deze jongeman was vanuit een ver verleden tijd en niet in het nu beleven van haar wereldse zijn.
Onaards eerder was een beter woord, want nog nooit zag zij iemand zo schoon van het mannelijke geslacht. Op een nacht toen zij de slaap niet kon vatten hoorde zij hoe er beneden plots een hels kabaal was, en Felix de kat begon te grommen, met zijn staart intens dik, rende hij de trappen af en zij volgde hem. Blazend stond hij daar voor haar, en op de grond lag het schilderij van de jongeman.
Carmen knielde geschokt neer bij het schilderij, als het maar heel was gebleven. Aan de achterzijde zag zij een naam staan, de naam van de jongeman op het schilderij.
Jonathan Blair. 1726

Jonathan, fluisterde Carmen verrukt, nu had hij een naam en zij een naam bij zijn gelaat.
Jonathan! Haar hart zong. Het leek alsof hij zo dichterbij haar hart was gekomen.
De geur van patchoeli steeg op van het oude karton. Voorzichtig zette zij het schilderij neer en ging zij met lichte tred de trap op naar haar slaapkamer. Ze sliep die nacht wonderlijk goed.

In de ochtend zong zij, en maakte zij het ontbijt klaar.
Jonathan! Zijn naam, sprong op uit haar hart en ziel alsof ze verbonden waren, en dat was onmogelijk, dat besefte zij dan ook, heus maar toch. Het was heerlijk dat gevoel.
Ook al was het grote onzin.
Na gedane arbeid besloot Carmen om bloemen te gaan plukken in het woud, ze had ergens lavendel gezien en witte margrietjes. Ze wilde deze plukken om in haar huisje neer te zetten.
Opgewekt ging zij op weg, met een mandje voor de bloemen aan haar arm.
Het woud was verkoelend en stil. Een intense rust ging er vanuit. Carmen hoorde bijen zoemen en de vogels kwinkeleerden dat het een lieve lust was.
Carmen voelde zich wonderlijk rustig en vol liefde voor alles dat leefde.
Ze plukte een mand vol bloemen, lavendel en witte margrietjes. Eekhoorns renden voorbij, konijnen speelden in hoog gras. Een valk schreeuwde zijn klaaglijke kreet in de zomerse lucht.
Carmen besloot even te gaan liggen in het lavendelveld.
Ze viel in een diepe slaap, verkwikkend en rustgevend, onschuldig en niet wetend nog wat er op haar pad lag. Enige hoefgetrappel klonk op en Carmen ontwaakte, door de trillingen van de grond.
De zon verdween in een duistere schaduw die boven haar uittorende, twee jongemannen te paard.
Ze keken neer op de jonge vrouw die daar net ontwaakt was.
Haar rok lag kronkelig rond haar bovenbenen, de veterlaarsjes lagen naast haar, die had zij uitgetrokken. Haar grote verbaasde ogen staarden de twee jongemannen aan. De één had een uniform aan, met gouden knopen op een donkerblauw jack. De ander droeg wat gewonere kleding, maar alsnog van dure snit. Lachend keken ze op haar neer. Zo, zo wat hebben wij hier? zei de één.
Zeg dat wel Marcel, een elf, op ons pad. Een mooie elf, dat mag gezegd worden.
Carmen zag hoe een donkerte in hun ogen kwam, een duister dat zij nog niet kende in de mensheid.
Een macht, een wens tot overheersing van een onschuldig ander wezen.
Ze stegen af en lieten de paarden grazen.
Speels zaten zij zich naast Carmen, en streelden haar schouders en benen. Carmen schreeuwde het uit, ze worstelde, maar zij was niet opgewassen tegen deze twee jongemannen.
Na enige tijd zat zij daar nog, met verwilderde haren, betraande ogen en gescheurde kleding.
Ze stond op en begon te rennen naar haar huisje, het enige dat haar nog veilig toe leek op deze boze wereld. Ze vergat de mand met bloemen, en haar veterlaarsjes.
Ze dacht maar aan één ding. Weg van deze plek des onheils. Deze wonderschone plek was veranderd in een plek uit de hel.
Hoe kon het bestaan dat het schone en het slechte zo dichtbij elkaar lagen?
Carmen kon dit niet begrijpen. Thuis gekomen ging zij zich wassen en omkleden. Ze huilde tot zij niet meer kon. Dus dit was ook een vorm van liefde. Een vorm die zij niet kende. Die zij ook nooit meer wilde kennen zelfs.
Ze zou zich moeten bewapenen, hier alleen in dit woud en misschien een waakhond nemen.
Photobucket

De pijn in haar hart was intens groot, zij vond geen troost bij een mens. Zij was alleen.
De enige troost en houvast vond zij in de aanblik van het schilderij van Jonathan.
Het leek alsof zijn ogen nog melancholieker stonden, alsof hij haar medelijdend aankeek.
De nachten die volgden brachten geen enkele rust meer. Het geluk was verstoord in het huisje in het woud. Carmen vernam in het dorp na enig voorzichtig navragen, dat de twee jongemannen broers waren en de zoons van de rijke  landeigenaar. Ze wist dat zij niets kon doen tegen dit alles.
Carmen zong niet meer, en de tranen stroomden vaak rijkelijk uit haar ogen.
Oh Jonathan, waar ben je, vroeg zij zich af op een avond, toen ze naar bed ging om te slapen.
Ze keek naar buiten in het duister van de nacht, naar het woud, door het kleine raampje, waar de volle maan scheen op schaduwen uit een ver verleden.
Verschrikt keek Carmen naar iets in de tuin. Daar stond iemand. De angst sloeg haar om het hart. Waren het die twee broers weer. De persoon bewoog en kwam dichterbij. Donker lang haar lag op zijn kraag, zijn gelaat was bleek en zijn neus scherp en licht gebogen.
In het donker zag zij bijna haarscherp het gezicht van het schilderij, dat naar haar keek vanuit het duister. Jonathan! Hij was hier, bij haar.
Haar hart sloeg enkele malen over, Jonathan…
Ze rende de trappen af en opende de deur en liep in de nacht naar buiten. Daar bij de den stond hij half in de schaduw. Ze liep op hem af en keek verblijd naar hem. Jonathan! Riep zij uit.
Oh Jonathan! Hij zei niets en keek haar alleen maar aan met zijn wonderlijke ogen, lichtende ogen in het duister zo leek het bijna. Zijn mond gesloten en smal en toch gevoelig. Zijn neus scherp en licht gebogen. Carmen glimlachte naar hem. Je bent gekomen Jonathan, zei ze blij. Het leek alsof zij alles was vergeten dat slecht was in het leven, het leek alsof hij haar tot leven wekte, meer dan ooit.

Hij nam haar hand in zijn ranke vingers en ze voelde koelte en frisheid, maar ook een prikkeling als een fel inslaande bliksem.
Hij bleef haar maar aanstaren en zij raakte in de war, waarom zei hij niets.
Een duizeling overviel haar en ze snakte naar adem. Hoe kon hij hier zijn bij haar, de man van het schilderij van 2 eeuwen geleden.
Deed het ertoe, deed het ertoe in de liefde hoe het was en ging. Nee, dat was wat zij voelde, voor een man op een eeuwenoud schilderij. Ze kwam dichterbij hem en rook de patchoeli vanuit zijn kleding of misschien was het de geur van zijn lichaam. Zijn levende lichaam. Want ze kon hem aanraken en dat deed zij dan ook. Ze streelde zijn wang, en keek in die ogen, de streelde de hoeken van zijn mond, onderzoekend keken ze elkaar aan.
Waarom moest ze dit begrijpen immers. Geen vragen stellen, geen antwoorden, het was niet belangrijk allemaal. Maar dit gevoel was onwerkelijk maar ook intens en vol met geladen passie.
Hij boog zijn hoofd, en zijn lippen namen de hare tot zich. Ze voelde zich thuiskomen.
Een mond zo kil en warm tegelijk, Carmen had het gevoel dat zij verdween van de aardbodem, in zijn kus verzwolgen werd, door iets dat onaards was, maar ook prettig en vol liefde en beloften.
Haar hand gleed in zijn haar, en zijn armen tilden haar op en namen haar mee naar de cottage.
De liefde was zo groots en vol passie, dat Carmen niet meer wist, hoe of waar zij leefde, en of zij nog leefde. Ze had hem lief, zo intens lief. Jonathan staarde naar haar, zijn ogen melancholiek, om zijn mondhoeken een glimlach.  “Kom met mij mee Carmen mijn geliefde, naar mijn wereld, wat en wie heb jij hier”.
Welke wereld hij bedoelde, wilde zij niet vragen. Omdat het er niet toedeed. De liefde was. En waarom zou zij alleen moeten blijven zonder deze liefde.
Dat wilde zij niet. Nee, ze had gekozen. Onvoorwaardelijk.
Ze zou hem volgen waar naartoe dan ook. Hij had haar hart. Ze knikte.

Hij nam haar weer in zijn armen en voor de tweede maal die nacht bedreven zij een onaardse liefde, die uiteen spatte in een intens universum, waarbij mensen en zielen leefden, naast elkaar of met elkaar, vaak zonder het te weten.
Even later vertrokken zij richting het woud, waar een paard stond te wachten. Carmen droeg een cape en een koffertje, en Jonathan tilde haar voor zich op zijn paard. Zo reden zij weg, een toekomst tegemoet of een verleden.
Ze leunde tegen zijn borst en rook de geur van patchoeli , die opsteeg van zijn cape en lichaam. Ze voelde zich thuis bij hem, waar ze dan ook heen zouden gaan.

In de cottage zat een zwarte langharige kater voor het raam te wachten, tot er iemand zou komen die hem zou komen redden.
In de stoel achter hem lag  de jonge vrouw, wit en koud, en intens verlaten door de wereld.

 

©Angel-Wings

Op de grote stille heide
Op de grote stille heide

Verhaal11112 by AngelWingsdesign

De vlinders dwarrelden speels door de lucht, de zon scheen ondanks het late middaguur onbarmhartig over de paarse heide.
De gele zandvlakten kleurden gelijk een woestijn okergeel, met af en toe grijpende armen van droge oude takkenbomen, als een sombere schaduw in de zomerse pracht. Een herdershond sprong wild blaffend rond een heuvel in het zand. Mark kwam aanlopen en riep zijn hond, maar toen de baas in het zicht kwam begon de hond te graven in een heuvel.
Mark kwam dichterbij en keek toe hoe zijn hond wild gravend in het zand, iets opgroef blijkbaar. Mark zijn hart stond even stil, het was toch geen lijk ofzo. Dat was ergens zijn grootste nachtmerrie, dat hij zoiets ooit tegen zou komen ergens in de bossen of dat hij dat in een water zag liggen.

“Kom Max! Kom hier”! Maar Max luisterde niet, verwoed groef de hond verder. Voorzichtig liep Mark naar de heuvel van geel zand, waarbij langzaamaan een figuur zichtbaar werd. Oh god toch een lijk, dacht Mark geschrokken. Het duizelde hem even.
Mark keek om zich heen of er meer mensen liepen, maar de heide was verlaten en stil en erg eenzaam… Hij ervoer die eenzaamheid nu als zeer drukkend, terwijl hij dit nooit eerder zo had ervaren. Vanonder het zand kwam inmiddels een arm tevoorschijn, levenloos naar het scheen, de hond groef maar door. Mark keek toe, roerloos als bevroren in een intense angst, die hem plots overviel.
Oh god, toch een mens, was hier ten einde gekomen, wat was er gebeurd en waarom moest hij dit meemaken. Mark voelde hoe zijn maag omhoog kwam en zich een weg baande naar zijn mond, hij keerde zich af van wat hij voor zich zag en gooide zijn maag leeg.
Mark strompelde naar een dichtbij staande boom en hield zich staande, door te leunen tegen de stam.
Max blafte plotseling heftig en harder, Mark keek om en zag hoe de hond inmiddels een resterend deel van een mens uit het zand had gegraven. Prachtige zwarte lange haren lagen daar verspreid over het okerkleurige zand. Een wit en stil gelaat met gesloten ogen lag daar voor hem, als een stilstaand schilderij.
Een momentopname, een seconde, een voorbijgaand iets, Mark hoopte dat dit snel voorbij zou gaan. Wat moest hij nu doen, de politie bellen, natuurlijk.
Hij wilde zijn mobiel pakken uit zijn broekzak, tot hij de hand zag bewegen. Wederom overviel een duizeling hem.
Hij strompelde naar het lichaam toe en zag hoe de vrouw langzaamaan bijkwam. Haar lange oogwimpers trilden, en haar mond was vol maar bleek, ze opende haar mond en kreunde.
Mark knielde neer naast de jonge vrouw. Hij raakte in paniek, bij haar slaap zat veel geronnen bloed. Wat moest hij doen.
Hij nam haar hand in de zijne en wreef erover. De hand was klam en kil. Heey, éh… hallo,.. alles goed? Hij vond zijn vragen idioot, maar zijn keel voelde kurkdroog aan. De jonge vrouw opende haar ogen en keek wazig om haar heen. Ze focuste zich op Mark. Ze fluisterde iets, Mark boog naar voren en hoorde dat ze vroeg om water. Mark had altijd een flacon water bij zich onderweg, zeker als het warm was. Hij nam deze uit zijn rugtas en zette de fles aan haar bleke lippen. Grote donkere ogen branden in zijn ziel, ze bekeek hem aandachtig. Nog nooit had hij zulke ogen gezien, donker als git, een huid zo wit als sneeuw bijna, en zijdeachtige lange zwarte haren die als een sluier over haar lichaam viel. Dankbaar keek ze hem aan, en duwde zijn hand weg. Genoeg, zei ze fluisterend, ze ging wat overeind zitten en hij ondersteunde haar. Ze woog niets, ze was klein en slank. Mark veegde de flacon af en dronk zelf ook wat water. “Ben je gewond?” vroeg Mark. Ze schudde haar hoofd van Ja.
Waar ben je gewond, zal ik de ambulance bellen en de politie?
Ze schudde weer Ja. Mark bekeek de wond aan haar slaap. Het bloed was opgedroogd inmiddels, het zag er erger uit dan het was waarschijnlijk maar dan toch…

Hoe kom je hier en hoe heet je, vroeg Mark behulpzaam. Ze schraapte haar keel en vertelde, haar naam was Raphaela Stern. Ze was meegenomen door de soldaten, vertelde ze haperend. Mark keek haar aan en dacht, ‘die is de weg kwijt’. De soldaten hadden haar op haar hoofd geslagen, ze voelde aan haar hoofdwond, daar, zei ze ten overvloede. Ze vertelde over de oorlog en dat haar familie naar het concentratiekamp was vervoerd en dat zij toevallig die dag niet thuis was geweest. Toen ze weer thuis kwam trof ze een leeg huis aan, waar alles overhoop getrokken was. De tranen stonden in haar grote donkere ogen. Mark voelde een hoofdpijn opkomen. ‘Hoe ben je dan hier terecht gekomen Raphaela’, vroeg hij. Ze had over straat gelopen in het donker, en soldaten kwamen haar tegen en hadden haar meegenomen naar de heide. Ze slaakte een kreet van ontzetting en sloeg haar hand voor haar mond. En toen, hebben ze dat erge gedaan. Ik heb gevochten, snikte ze nog.
Mark had intens medelijden met haar. Hij dacht er het zijne over. Ze was in de war natuurlijk.
Mark pakte zijn mobieltje en belde met het alarmnummer. Raphaela vroeg aan Mark, wat dat was in zijn hand. Mijn mobieltje, zei Mark glimlachend. “Wat is dat?”, vroeg ze verbaast. Mijn telefoon.
Vol verbazing keek ze naar het ding in zijn hand. Het was erger nog dan Mark had gedacht, de klap op haar hoofd had misschien iets beschadigt.
De politie komt zo en de ambulance, zij zullen je meenemen naar het ziekenhuis, zei Mark geruststellend. Raphaela keek hem aan alsof ze hem niet goed kon zien. Ze hebben mij hier doodgeschoten op de heide, zei ze nog.
Mark schrok van de felheid in haar stem, het intense verdriet dat erin doorklonk.
De zon was heet, en de schaduwen werden langer. Kom, zei Mark, hij trok Raphaela tegen zich aan.
Zo kon ze tegen hem aanleunen. Hij streelde het lange zachte haar. Op haar bleke wangen lagen tranen die langzaamaan naar beneden drupten. Het duizelde Mark alweer. De druppels veranderden in bloed, haar borst was nat van het bloed. Mark wreef over zijn ogen, hij zag dingen die er niet waren. Toen hij weer keek zag hij nergens bloed. Mark was plots intens moe.
Max stond een eind verderop naar hen te kijken. Het was zwoel en warm, het zou vast niet lang duren of de ambulance zou komen en de politie, ze zouden het van hem overnemen immers. Mark werd slaperiger en langzaamaan vielen zijn oogleden toe. Hij werd wakker van zwaailichten en stemmen.
Lang had hij niet geslapen. Hij keek naar het meisje in zijn armen en vol afschuw, duwde hij het van zich af. In zijn armen lag een geraamte. Bevend lag Mark op het zand, en keek vol afschuw naar dat wat voor hem lag. Waar was zij Raphaela? Een politieagent kwam op hem toelopen en keek hem bevreemd aan. ‘’Wat is er hier aan de hand’’. Ik heb geen idee meneer, mompelde Mark.
Haar naam was Raphaela Stern. In het zand lag een gele ster, oud en smoezelig.
Max blafte een keer hard in de verte, als riep hij zijn baasje dat het tijd was om te gaan.
De politie liet Mark na enkele weken weten dat er op de heide inderdaad ooit een aantal mensen waren omgebracht in de oorlog. En dat Rapaela Stern nooit gevonden was, niemand had nog taal of teken van haar vernomen, ook geen familieleden die de oorlog hadden overleefd. Zij waren dan ook blij dat ze Raphaela Stern eindelijk haar laatste rustplaats konden geven. Mark was uitgenodigd om dit bij te wonen. Dit deed hij dan ook en hij vertelde van zijn bijzondere ervaring op de heide.
Alsof zij hem geroepen had, in die stilte, waar weinig mensen kwamen. En dat Max zijn hond haar had gevonden. De tranen sprongen Mark in zijn ogen toen ze hem enkele oude foto’s lieten zien van Raphaela. ‘Ja, jazeker, dat was zij’, stotterde hij. Op die bijeenkomst en eredienst ontmoette Mark een familielid van Raphaela. Eva een verre nicht, die veel op haar leek. Jaren later trouwden zij.
Mark had een bijzondere ervaring op de heide, dat misschien geen toeval was. Maar sindsdien wandelde hij nooit meer over de heide. Zelfs niet met zijn geliefde Eva.

©Angel-Wings

 

 

Angel
Angel

Ilya Ibryaev Beautiful effect of light simplicity. Try this to try not to "overwork" your paintings.: Heel stil lag er een nevel over de tuin, het werd al schemerig.
Vogels vlogen naar hun nest of in de takken in de bomen.
De bloemen staken droog uit de aarde.
Verdord en dorstig keken zij op naar een aards menselijk wezen die hen eventueel zou voeden met wat water.
Ram lag te slapen in zijn tuinstoel. Zijn gesloten ogen omrand met donkere wimpers, om zijn lippen een glimlach alsof zijn dromen prettig waren.
Zijn huid was bruin verbrand en bezweet.
Zijn haren vochtig van de zomers hete dag.
Ze keek naar hem vanachter de boom in de tuin.
Een klein teer figuur, eenzaam en verlaten in haar zijn en met een etherische schoonheid.
Om haar mond een kleine trek, dat verdriet liet zien.
Voorzichtig liep ze naar hem toe.
Met haar helderblauwe ogen keek ze naar hem.
Haar kleine vingers streelden zijn wang.
Ram sliep door.
Een stille windzucht duwde de rozenstruik wat uiteen, waarbij een rozengeur rondom hen ontstond die intenser was dan normaal.
De atmosfeer was stil en mysterieus.
Ze zuchtte eens diep.
Haar kleine witte tandjes flitsten even op in het avondrood.
Hij moest het zijn, iemand anders kon het niet zijn namelijk.
Nog eenmaal streelde zij zijn wang.
Nog geen reactie, de jongeman voor haar sliep door.
Toen raakte ze zijn arm aan, een duwtje, meer niet.
Ram werd langzaamaan wakker.
Verrast, maar ook verschrikt, keek hij in de ogen van het wonderlijke kind voor hem.
Ze zweeg en keek hem aan met haar mooie blauwe ogen.
De stilte leek onverbrekelijk aanwezig.
Wie ben je en wat kom je doen, hoe kom je in mijn tuin meisje?
Waar is je moeder.
Het kind schudde haar hoofdje.
Zij niet hoor, zei ze schril met een hoog stemmetje.
Zij niet, hoor je mij?
Zij die vrouw met haar rode lippen, je mag haar niet tot je nemen.
Welke vrouw?
Ram ging rechtop zitten en wreef over zijn ogen, droomde hij nog?
Wie was dit kind? Ze stond er nog net zoals voorheen. In een dun wit jurkje, met haar bruine haren, in vlechtjes met witte strikjes.
Erg snoezig, vond Ram.
Ze liep op teenslippertjes zag hij.
Kleine teennageltjes op kleine teentjes, echt een meisjeskind.
Het kind zei nog niets.
Wil je iets drinken ofzo, vroeg Ram vriendelijk.
Misschien moest hij de politie maar bellen, want hoe kwam dat kind nu in zijn tuin?
Alles was afgesloten.
Zijn huid voelde branderig aan, hij had dorst, dus hij stond op en ging naar de keuken.
Het kind volgde hem stilzwijgend.
Ran schonk wat frisdrank in voor hen beiden.
Hier een glas drinken je hebt vast wel dorst.
Gretig nam ze het glas aan met fijne vingertjes rondom het glas.
Met grote teugen dronk ze het glas al snel leeg.
Ze lachte een parelend lachje toen ze het glas neergezet had op zijn aanrecht, ze kon er net bijkomen.
Ram voelde zich vreemd op zijn gemak, het voelde zo vertrouwd ergens en toch ook onnatuurlijk.
Waar woont je moeder meisje?
Mijn moeder, zei ze zachtjes, haar grote blauwe ogen kwamen op hem af. Mijn moeder, haar onderlip trilde en in haar ogen kwamen tranen opzetten. Oh God had hij weer, ze had vast geen moeder, dat arme kind.

very pretty!!♥:
Hij streelde zachtjes haar, haar. Je hebt toch wel een huis waar je in woont, zei hij glimlachend en goedmoedig.
Beverig kwam er weer een lachje om haar mond.
Nog niet, zei ze stellig. Dat kan helemaal niet hoor, zei Ram.
Alle kinderen hebben een huis namelijk waar zij in wonen hoor.
Ik nog niet hoor, eigenwijs keek ze hem aan, hoewel eerder wijs, vond Ram.
Onnatuurlijk wijs voor haar leeftijd eigenlijk.
Maar je kunt hier niet blijven hoor, zei Ram uiteindelijk.
Hij veegde zijn haarlok voor zijn gezicht weg.
Deze viel altijd naar voren, als hij zich gespannen voelde.
Niet? zei ze teleurgesteld. Vind je mij niet leuk dan, wil je mij dan niet hebben, vroeg ze.
Ram lachte hardop, ik kan jou toch niet hebben meisje, dat zou gek zijn.
Helemaal niet, riep ze uit. Bozig keek ze hem aan.
Je kunt mij wel hebben hoor, riep ze weer.
Ram besloot dat hij zijn moeder zou bellen, want hij wist ook niet wat hij hiermee aan moest namelijk.
Hoe kan ik jou hier nu laten wonen, vroeg Ram aan het meisje.
Hoe heet je eigenlijk?
Wat jij wilt, zo heet ik, zei ze parmantig.
Ze stond met haar rug naar de keukendeur en de zonsondergang scheen over haar gestalte heen, ze leek zo teer, zo wonderlijk elfjesachtig. Zoals ze daar stond leek ze net een kleine engel.
Dan noem ik je Angel, zei Ram uiteindelijk.
Prima zei het kind.
Dan heet ik dus Angel, dat is een mooie naam!
Heb je honger, vroeg Ram. Nee ik moet weer gaan, zei ze treurig.
Waarheen dan? Zal ik jou brengen meisje?
Angel verbeterde ze hem.

Nee, je kunt mij niet brengen waar ik heenga.
Dat kan niet.
Hoe bedoel je, vroeg Ram verbaast.
Gewoon zoals ik het zeg, zei ze met enige meisjeslogica.
Maar ik kan jou toch niet alleen de straat op laten gaan.
Kom laten we samen gaan.
Ze keek hem aan een beetje blij dat wel.
Nee, dat kan niet, zei ik toch, beet ze hem toe.
Maar je wilt mij toch wel, toch?
Dat moet namelijk.
Want ik wil alleen bij jou zijn.
Ram snapte niets van dit kind, waar had ze het over allemaal, het sloeg nergens op.
Misschien was ze niet helemaal normaal, dat kon?
Dat kan dus niet Angel.
Jawel als je mij echt wilt kan ik komen hoor.
Maar je mag niet met die vrouw gaan.
Zij wil mij niet, zij wil geen kinderen.
Ze houdt niet van kinderen en dan kan ik niet komen.
Je moet mijn moeder kiezen.
Wie is je moeder dan wel niet.
Ram kreeg de kriebels van dit kind.
Waar had ze het toch over?
Mijn moeder is die blonde mevrouw, afijn dat merk je vanzelf wel.
Ik ga even in de tuin spelen, zei het meisje opgewekt.
Oké zei Ram opgelucht nu kon hij zijn moeder even bellen namelijk.

Hij keek het meisje na, terwijl ze zijn tuin inwandelde en plots zomaar oploste tussen de nevel die er hing, in het late zonlicht schitterde ze nog na, met het geluid van klapwiekende vleugels, zo leek het wel.
Een witte schittering schoot voor zijn ogen langs, naar niets.
Ram wreef weer in zijn ogen, hij begreep er niets van, waar was zij nu gebleven?
Hij zocht in zijn tuin maar zij was niet daar, een leegte overviel hem plots. Een onherkenbare leegte, ze was weg.

Na enige jaren na het gebeuren, koos Ram inderdaad voor een blonde vrouw, ze trouwden en waren gelukkig samen.
Op een dag kregen zij een dochtertje, zielsgelukkig nam Ram het kind in zijn armen.
Hij keek in hemelsblauwe grote ogen, en herkende haar.
Ik noem haar Angel, zei hij, sorry vrouw.
Nee dat is een prachtige naam voor haar.
Kleine tere vingertjes grepen zijn vingers vast, Ram zijn hart zwol van liefde voor dit kind.
Zijn engeltje, die hem ooit kwam vertellen wie haar ouders moesten worden.
Na enige jaren speelde ze in de tuin, in een wit jurkje, met teenslippertjes om haar voetjes.
In haar haren twee vlechtjes en Ram herkende haar van ooit.
Ze zwaaide lachend naar hem en hij zwaaide terug vanuit zijn tuinstoel.

©AngelWings

Het strand
Het strand

Lineart afQF by duongquocdinh.deviantart.com on @DeviantArt:

De golven kabbelen langs de goudgele randen van het zonovergoten strand. Op een wit badlaken ligt het silhouet van een jonge vrouw.
Naast haar ligt een nog open geslagen boek, haar hand hangt slap over haar  ene heup, zij is in  slaap gekust door, de zomerse geluiden om haar heen.
Niemand kijkt nog op of om, niemand  ziet deze vrouw  slapen.
De zon bruint haar dromende lichaam met een gouden tint.
Gelukkig verbrand zij niet, haar huid kan er immers tegen. De zwarte lange haren liggen gekruld om haar heen, als was zij Doornroosje, al eeuwig in slaap. Haar lange oogwimpers trillen soms op haar zachte roze, door de zon gekuste wangen.
Als het strand verlaten ligt, en bijna iedereen al naar huis is, ligt zij daar nog in onwetendheid, en onbewust van de eenzaamheid die haar toedekt op het strand. De schaduwen trekken banen over haar heen, als werd zij toegedekt met een warme schaduwdeken. Aan de horizon, voor vandaag, nog een laatste groet van  de zon. Waterdruppels vallen prikkelend op haar lichaam en met een schok schrikt zij uit een lange,  diepe slaap. Versuft kijkt zij om zich heen en ziet dat bijna iedereen is weggegaan. Voor haar ontwaard zij een jonge Godheid, een prachtig lichaam, brons gebruind, lange blonde vochtige haren en een prachtige stralende glimlach, die haar doet smelten. Even denkt zij nog, dat zij droomt. Ze gaat zitten en wrijft zich over haar armen. De mooie man voor haar, die net uit het water kwam, kijkt haar vragend aan. “Heb je zo lang liggen slapen, schoonheid?” vraagt hij. “Ik denk het wel”, fluistert ze nog wat vermoeid. Hij gaat naast haar zitten op het gouden strand.

Zee plaatjes

Ze kijkt naar zijn profiel, ademloos bijna, haar hart gaat tekeer. Kwam het door de warmte die dag of, nee zij was plots diep geraakt door een wildvreemde man.
Plots keek hij haar aan, met wonderlijk lichtblauwe ogen. ’Wat is je naam eigenlijk?’  vraagt hij haar vriendelijk.
‘Robin’ zegt ze enigszins aarzelend. Hij lachte en keek weer voor zich.
Hij stak zijn hand naar haar uit, opzij van zijn gespierde torso.
Ze pakte zijn hand, vragend.
Weer keek hij haar,  in haar grijze ogen, en glimlachend zegt hij, ’aangenaam naamgenootje’.

‘Nee’, zegt ze verschrikt, ’heet je ook Robin’? Ze lacht. Zijn hand voelde zo goed in de hare, krachtig en mannelijk. Robin kijkt naar haar voeten,  ziet de inmiddels afbladderende roze nagellak op haar tenen. Een beetje beschaamd is ze wel, ze had dit thuis moeten bijwerken voor ze naar het strand was gegaan, maar, ze had er niet aan gedacht sinds, nu ja sinds…
Ze keek opzij, langs de kustlijn, waar in de verte iemand liep met twee grote honden, de kleine figuur in de verte gooide stokken in het water, welke de honden er uit visten. Ze kon niet zien of het een man of een vrouw was.
Ze knipperde met haar ogen, de tranen zaten haar weer hoog.
Verward keek ze weer naar hem, ook een Robin, wat apart. Beiden dezelfde naam, en wat was hij vreselijk knap. Glimlachend keek hij hoe zij hem in zich op nam. ‘En bevalt het”? Vroeg hij. ‘Wat’? vroeg ze verdwaasd. ‘Ik natuurlijk, mij, ikke’, hij spreid zijn armen wijd uit en wijst naar zijn lichaam. ‘Dit, wie ik ben’.
‘Eh ja natuurlijk’, bloost ze. Met één snelle plotse beweging, gaat zijn ene hand naar haar lange haren en duwt ze opzij, langs haar oor. Zo vertrouwd, zo bekend. Doordringend kijkt hij haar aan. ‘Je redt het wel, echt, alles komt weer goed’. Prachtige blauwe ogen, denkt ze, maar ze stamelt,  ’Wat én hoe, weet je, en…’ met grote ogen, ziet ze hem aan, terwijl hij langzaam oplost, als in een mist.  Robin raakt in paniek, het voelt nog aan alsof zijn hand in de hare ligt, warm, vertrouwd. Maar hij is weg!
Wie was hij en wat, en hoe kon dit gebeuren?
Verward wrijft Robin over haar voorhoofd, ze is gek geworden, vast en zeker. Snel bindt ze haar spullen bijeen, het boek in de rugtas, de handdoek snel om haar heupen gebonden. Ze wil weg van hier, de eenzaamheid omsluit haar niet langer als een warme deken. De angst overvalt haar, in een waandenkbeeld die haar overviel, na die diepe slaap op het strand.
Snel trekt ze haar hemdje aan, omgekeerd, maar dat hindert niet, ze moet weg. Nu, en snel ook.  Ze rent over het strand, alleen in de avondschemering.
Totaal verward, fietst ze naar huis. Haar appartement, alleen.
Hij is er niet meer, vorige maand is hij vertrokken, Menno had een ander gevonden. Wilde niet meer verder met haar, terwijl ze al sinds kinderjaren samen waren geweest. Ze kon het niet verkroppen en was intens gekwetst geweest door wat hij haar had aangedaan. Ze was niet alleen haar partner kwijt, maar ook nog eens een vriend. Haar beste vriend ooit. Vandaag was zij dan toch naar het strand gegaan, alleen.  Ze wilde er uit komen, en hem vergeten, maar dat lukte haar niet. De tranen stroomden haar weer over haar gezicht. Verwoed veegde zij ze weg. Door het raam zag zij het donker buiten, en zag zij in het raam oog haar eenzaamheid. En nu, nu was ze ook nog gek geworden, van verdriet. Ze viel huilend neer op het tweepersoonsbed.

Hun bed, ze zou het weg doen, want samen hadden zij hier enkele jaren geslapen. Misschien moest ze gaan verhuizen?

En de knappe man op het strand wie was hij?
Was hij haar droombeeld van hoe een man zou moeten zijn.
Ze wist het niet. En viel even later weer in een diepe slaap.

Parel

~*~

Een jaar later, liep Robin over het strand, op zoek naar een geschikte plek om te gaan zonnen. De zon scheen zijn goudgele stralen, over het strand. Het was erg druk. Glimlachend zag ze een plekje, een eindje verder op.
Ze struikelde ineens over iets. ‘Auw’, riep iemand uit.
Verschrikt keek Robin achterom.
Ze was gestruikeld over een jongeman, die daar lag te zonnen.
‘Het spijt me’, zei ze stamelend. Ze raakten aan de praat.
Ze ging naast hem zitten, en gezellig keuvelend over van alles, ging de tijd snel voorbij. Hij was aardig en niet bijster knap, maar dat gaf niets.
Ze vertelde hem over haar verhuizing naar een andere stad.
Over Menno, en hoe moeilijk ze het had gehad het afgelopen jaar.
Terwijl ze daar zo zat, uitkijkend over de mensenmassa, viel er een schaduw over haar heen,  prikkelende waterdruppels vielen op haar huid.
Ze keek achterom in de ogen van hem.
Hij was het! De man van toen. Ze wist het zeker. Lachend keek hij haar aan, verbaast ook ergens. ‘Ken ik je ergens van?’, vroeg hij aan haar.
‘Hahahaha oude versier truuk jongen’, lachte zijn vriend.
‘Nee, ehm, ja’, grijnsde hij naar haar, Robin, naar haar…
Ze kon het niet geloven, dat hij het was, die zij gezien had op het strand, wat had hij ook alweer gezegd? Dat alles goed zou komen?
Ja, dat had hij toen gezegd. En het was goed gekomen, en nu was hij hier.
Hij ging naast haar zitten, Goddelijk knap, net als toen.
Robin keek hem aan,’ dag Robin’. Hij lachte zijn spierwitte tanden bloot.
‘Dus dat had je al verteld’, zei hij tegen zijn vriend die achter hen zat.

Verbaast schudde deze van ‘Nee’. Maar Robin de knappe godheid zag dit al niet eens meer.
Hij pakte haar hand, warm in de zijne. Het voelde zo vertrouwd, net als toen.

 

©AngelWings

Het strandhuisje aan zee
Het strandhuisje aan zee

Het is nacht.

Het was lang geleden.  De deur gaat open, de honden blaffen.

Onrustig springen ze tegen mij aan. ‘’Rustig maar, hij doet niets’’, zeg ik.

Ik glimlach. ‘’Dat is lang geleden,…’’

‘’Dat klopt, ik had het erg druk met inspiratie schenken aan anderen’’.

‘’Was je mij vergeten dan’’, vraag ik.

‘’Nee, nog niet’’, is zijn mysterieuze antwoord.

Ik pak een kladblok en begin te schrijven.

~*~

Hartje zomer, dicht bij de zee. Een strandhuisje, waar Jacques staat te dromen, met zijn hand boven zijn ogen tegen de zon, kijkend naar de golvende zee. Zijn witte woeste krullende haren waaien heen en weer in de zachte zomerbries. Op zijn gezicht een tevreden glimlach. Heerlijk, Frankrijk aan de kust, hij geniet. In de tuin talloze bloemen in allerlei kleuren. Lupines, van hoog naar laag en een oud keien pad, dat richting het kleine maar lieflijke huisje leidt. Naast het huisje een oude waterput met daarboven een put emmer. Rondom de muren van het huisje, vele rozenstruiken, netjes bijgehouden op een wilde romantische wijze. Jacques had er goed aan gedaan om hier op vakantie te gaan dit jaar, hij had het erg nodig om tot rust te komen.

Zijn boeken lagen op een stapeltje op het kleine tafeltje, met het geblokte blauw witte kleedje, naast de ligstoel met rode kussens. De parasol stond behoorlijk scheef. Hij nam plaats op de stoel en pakte een boek. Heerlijk, hij nam een slokje uit zijn glas ijskoud citroenwater.

Hij raakte verdiept in zijn boek en vergat de tijd. De zon ging al onder, toen een witte vlinder plaatsnam op de rand van zijn boek. Jacques schrok enorm, zo verdiept was hij in zijn boek, hij greep de vlinder in zijn hand en kneep het fijn. Irritant was dat zeg, hij was net zo fijn aan het lezen. Tijd om naar binnen te gaan, zag hij wel, hij nam zijn boeken mee naar binnen. En begon aan de avondmaaltijd. Een bak sla, stokbrood, en wat kaas met een gebakken visje in de koekenpan. Zo dat ging er wel in na een warme dag, lezen en de zilte zeelucht. Na het eten nam Jacques een douche, en daarna ondernam hij een avondstrandwandeling. Heerlijk rustig in zijn eentje, slenterde hij met zijn slippers in de hand, met blote voeten door het water. Af en toe stond hij op een steentje of een schelpje, maar op zich was het een fijn strand, zonder al te veel rommel in het water. Er waren weinig mensen op het strand met het bijna witte zand, hij keek uit over de zee, waar de zon het water raakte. Gouden stralen leken hem aan te raken vanuit verre verten. Prachtig! De stilte en het ruizen van de golven, wat een wonder deze natuur, de wereld. Zoveel liefde rondom de mensheid. Hier voelde hij zich thuiskomen. Hij dacht evenwel niet aan thuis, familie,  vrienden, zijn mensen, zijn onderdanen. Het was een nogal egoïstisch man, hij maakte zich nooit zo druk om anderen. Maar wel om zichzelf en hij voelde zich gelukkig en rustig.

In het water in de verte glinsterde het op het wateroppervlak, het leek wel een dolfijn. Jacques keek strak naar het beeld dat hij in de verte zag. Spartelend sprong de dolfijn omhoog.

Dat was prachtig zeg, zo slank en rank en fijn en subtiel, zo.. Plots stokte zijn adem hem in zijn keel ,dit kon niet waar zijn. Het was geen dolfijn maar, maar een menselijk wezen? Hoe kon dat nu? Hij keek ingespannen in de verte en…zag een vrouwenlichaam met een staart, …een zeemeermin. Hij kon het niet geloven, dat kon niet. Hij kneep zijn ogen nogmaals tot spleetjes en keek nog eens goed, en ja hoor, daar sprong ze weer omhoog, met een prachtige duik, gleed ze zo weer het water in. Jacques glimlachte hij kon zijn ogen niet geloven, wonderlijk. Zo te zien was ze mooi, ze had een prachtig lichaam, zonder de staart meegerekend dan, en ze had donkere lange haren die als slierten om haar lichaam kronkelden. Ze zwom zelfs zijn kant op.

Jacques bleef staan, en bleef kijken naar dit wonder. Ademloos bijna, een beetje angstig ook wel. Zou ze hem ook gezien hebben? Terwijl ze zijn richting opzwom, keek ze naar hem leek het wel, telkens als ze even boven water kwam. Haar tanden, hij zag haar tanden blinken. Ze lachte naar hem? Hij kon het nog niet bevatten. Jacques voelde aan zijn voorhoofd, misschien had hij een zonnesteek opgelopen. Hij voelde plots iets door zijn shirt vallen en terwijl hij keek aan de onderkant van het shirt, zag hij een witte vlindervleugel. Snel veegde hij het weg, en de vleugel wapperde mee met de zachte wind, dwarrelend, alsof de vlinder nog leefde en intact was. Jacques keek snel naar de golven was ze er nog?

Een eindje verderop leek ze te spelen in het water, dichterbij dan zo even. Jacques besloot er op af te gaan. Langzaam liep hij haar richting op. Een zeemeermin, wie had dat nu ooit gezien?

Ze lachte met een zeer vreemde hoge toon, en gooide een vis in de lucht, welke op het wateroppervlak viel en weg zwom. Ze spetterde met haar staart op het water. Het was prachtig om te zien. Jacques liep het water in, om dichter bij te komen. Misschien was ze bang voor hem en zwom ze weg? Hij wist niets van zeemeerminnen namelijk. “Halloooo?” Riep hij. “Heey, zeemeerminnetje?

Zou ze hem wel verstaan? Ze keek op en ze lachte haar tanden bloot, kleine, venijnige, scherpe witte tandjes had ze, dat zag hij wel. Maar God, haar borsten waren pas schoon. Prachtige bollende vrouwelijkheerlijkheden, en Jacques wist even niet meer hoe hij het had. Als betoverd keek hij er naar. Prachtig!!!!!! Wat een schoonheid, haar ogen waren donker als de nacht, haar huid zo wit als het duurste Italiaanse marmer, haar haren donker. “God, wat ben jij mooi”! riep hij vertwijfelt uit. Mijn hemel, wat een mooie vrouw, eh zeemeermin, dacht hij.  Zo een mooie vrouw had hij nog nooit gezien zelfs, zo  onaards schoon. Met open mond keek hij naar haar en voelde een verlangen opwellen in zijn oude hart. Een verlangen dat hij al lang dood had gewaand, het verlangen lief te hebben.
Hij wilde haar aanraken, die mooie witte zilverachtige huid, en haar prachtige borsten in zijn handen vasthouden. Oh hij wilde zoveel.
Hij, wade door het water heen, richting de zeemeermin.
Met katachtige ogen keek ze naar hem behoedzaam, en met een schrille kreet, dook ze omhoog om hierna als een gladde aal in het water weg te zwemmen.
Teleurgesteld keek de oude man haar na.
Gemiste kansen? Wat dacht hij nu wel niet. Zo een oude man en een zeemeermin. Hij moest maar snel naar het strandhuisje terugkeren, hij was niet wijs. Hij droomde vast, hij werd straks wakker en dan lag hij in het bed in het strandhuisje.
Snel sjokte Jacques richting het strandhuisje en bij binnenkomst, was hij vreselijk vermoeid.
Hij nam een glas melk en wilde hierna vertrekken naar de slaapkamer. Maar bij de deur van het strandhuisje stond een kat te mauwen.
‘’Kssjt, hups, kssjt ga weg jij’’! Boos keek hij naar het vieze beest, die met schurftige vacht tegen de deur stond te kroelen.’’ Wegwezen jij’’! Hij schopte naar de kat.
Welke zich verontwaardigd omkeerde en met de staart omhoog weg drentelde langs het keien pad.
Jacques ging snel naar zijn bed. Hij had slaap nodig, dacht hij nu werkelijk een zeemeermin gezien te hebben? Vast een zonnesteek. Hij veegde zijn gezicht af met een natgemaakte waslap.
Hij zat op de rand van het bed en keek mistroostig naar zijn dikke buik. Leeftijd kwam met gebreken. De liefde was wel voorbij, verkeken kansen, hij had zo nog wel zijn scharreltjes her en der. Maar dat gevoel, van ooit, dat hij dit ineens nog kon ervaren?
Hoe was het mogelijk. Een zeemeermin, hij lachte voor hij in slaap viel. Hij was gek!
Die nacht had hij onrustige  dromen over zeemeerminnen, die met sluike natte haren over hem heen hingen met flinke bolle borsten boven zijn neus. Met flitsende kleine tandjes, die hem uitlachten, omdat hij een oude man was. En telkens als hij wilde grijpen naar de prachtige borsten, dan gilde de zeemeermin het uit met een hoge vreemde toon en dan keek ze hem boos aan.
Bezweet werd hij wakker.
Godzijdank, eindelijk wakker, zijn bed was nat van het zweet.
Verbaast voelde hij aan het bed, het was wel heel erg bezweet, was hij ziek misschien?
Had hij iets verkeerds gegeten? Maar tot zijn ontsteltenis zag hij natte voetstappen naast zijn bed.
Hij stond op en volgde de voetstappen.
De buitendeur stond wagenwijd open, welke hij toch dicht had gedaan die nacht, en de voetstappen keerden daar weerom richting het strand.
Hij had het koud, ijskoud. Hij snapte er niets van. Hij ging maar ontbijten, met een stuk brood  met kaas en een glas melk, ging hij op de strandstoel zitten. Zijn haren nog vochtig van de warme nacht.
Bedroefd en nadenkend keek hij naar de zee, wat was er aan de hand met hem. Het was vandaag stiller op het strand dan gisteren. Af en toe zag hij wat mensen lopen. Maar het leek of men het strand vermeed die dag.
Bij een supermarkt in de buurt hoorde hij waarom. Die nacht had een jonge vrouw zichzelf van het leven beroofd, door zich te verdrinken in de zee.  Het was een lieve jonge vrouw, en haar naam was ‘Papillon’. Iedereen kende haar in het Franse dorpje, men was zeer aangeslagen. Niemand kon begrijpen waarom ze het gedaan had. Jacques schrok intens, was zij die nacht misschien bij hem gekomen? Was zij misschien naast zijn bed… Hij wist het niet. Hij besloot die nacht de deuren goed op slot te doen. Macaber was het wel, de sfeer om het huisje was veranderd.
Die avond begon het te regenen. Jacques besloot een boek te lezen, en zich goed te ontspannen. Hij had zich dingen verbeeld, meer niet. Voor hij ging slapen nam hij een Frans wijntje, zo dan, zou hij goed gaan slapen immers?  Hij nam een douche en dook in zijn bed. Maar ook die nacht droomde hij weer over de zeemeermin.
Weer die prachtige bolle borsten voor zijn neus, zijn grijpgrage handen, en het water dat van haar haren over hem heen droop. Ook die morgen werd hij wakker in een nat bed, met een bezweet ? lichaam. Maar ditmaal zag hij geen voetstappen, maar zag hij een baan van water in zijn huisje. Alsof iets zich slepend als een natte dweil van formaat door het huisje had gesleept. De zeemeermin misschien? Jacques vond het griezelig worden en voelde zich niet meer op zijn gemak in het huisje aan zee. De zon scheen wel weer die dag,  al was het strand nog steeds verlaten. Na een verfrissende douche, ging hij weer wandelen langs de zee.
Het werd steeds warmer en hij liep en liep maar, kijkend naar de horizon. Misschien wachtend op haar, als ze echt bestond tenminste.

Na een uur wilde hij terug gaan, maar bleek hij verdwaald te zijn.  Zuchtend wilde hij plaats nemen op enkele rotsblokken,  toen tot zijn verbazing, achter de rotsblokken, de zeemeermin lag te spetteren in een klein waterbassin. Ze speelde daar met enkele zeesterren.
Geschokt staarde hij naar haar en zij staarde terug. Slissend liet ze haar scherpe tandjes zien. Haar ogen zo bijzonder, groenig als het water, blauw, zwarte poelen, diepten der dood. Jacques schrok toen hij plots die laatste woorden bedacht. Zeer poëtisch maar, stel het was gelijk een dierlijk wezen, wild en bijtend. Hoe kon hij weten, wat hem te wachten stond als zij…als hij. Uitgehongerd bijna keek hij naar haar borsten, prachtig, dacht hij weer. Prachtig,…bijzonder mooi. Waterdruppels parelden tussen haar borsten naar beneden, naar..ja naar wat, een vissenmiddel. Bevreemd staarde hij er naar. Zo onwerkelijk zo, bijzonder ook. Hoe zouden zij, zeemeermin mensen,  seksueel…tot elkaar komen, zoals vissen bv deden? Hij had geen idee. Hij liep heel langzaam naar haar toe en ging naast haar op een rotsblok zitten, heel voorzichtig. Zodat ze niet weer zo snel zou vertrekken. “Hallo zeemeermin’’, daar ben je dan weer’, gemoedelijk leunde hij wat achterover. Hij rook de zilte zeelucht die van haar afkwam. Zoutig, visachtig, wel fris. Best lekker ook, dacht Jacques.
Ze keek hem sluw aan vanonder haar lange wimpers, met die katachtige ogen van haar.
Ze vertrouwde hem niet, dat was duidelijk.  Zijn hart bonsde heftig. En hij likte langs zijn droge lippen, hij had een enorme dorst gekregen van de lange wandeling.
“Heey zeemeerminnetje, ik ben de weg kwijt, weet jij hoe ik naar het huisje kom?”, teemde hij.
Ze hield haar hoofd schuin, en keek hem aan.  Ze schoof over het strand richting het water,.. ging ze nu alweer weg?
Teleurgesteld keek hij haar na, maar aan de rand van de zee, keek ze om, en zwom de zee in.
Ze zwom naar rechts, en toen hij geen aanstalten maakte om die kant op te lopen zwom ze weer terug. Ze gilde een hoge toon, om hem te waarschuwen, hij moest blijkbaar meekomen. Hij stond op en liep langs de kust mee met de zeemeermin. Er was nergens een mens te bekennen. Vreemd hoe de zeemeeuwen rustig om zijn hoofd cirkelden.  De zeemeermin zwom, en dook, kwam weer boven, en keek naar hem of hij haar wel volgde. Dat deed hij met blijdschap.
Het zweet brak hem uit, zijn voeten branden in zijn sandalen, zijn mond was droog als kurk. Zijn oksels waren natte plekken zweet evenzo zijn borst en rug. Hij trok zijn blouse uit, en liep zo in korte broek over het strand. Ze zeemeermin zwom steeds verder weg van hem. Heel in de verte zwom zij plots weg om niet meer boven te komen.
Jammer, dacht Jaqcues. Hopelijk liep hij in de goede richting.  Na enige tijd zag hij bekend terrein, eindelijk. Nog even en dan naar zijn strandhuisje. Niemand zou hem geloven over de zeemeermin.
Hij glimlachte opgewekt. Bij het huisje aangekomen schopte hij zijn sandalen uit.
Hij opende de deur en liep snel de keuken in, eindelijk wat drinken. Zijn keel wat uitgedroogd, water, eindelijk water.
In de keuken fladderde een kleine witte vlinder, hij sloeg er naar en ze viel dwarrelend neer op de grond. Met zijn blote voet ging hij er op staan. Hij had een hekel aan vlinders.
Hij nam na zijn dorst gelest te hebben een douche, en hierna nam hij plaats op zijn strandstoel inclusief boeken en wat te knabbelen.
Enkele mensen waren aan het zwemmen in de zee. Gelukkig trok de stilte wat weg aan het strand. Jacques voelde zich wat meer op zijn gemak ondanks zijn vreemde ervaring met de zeemeermin. Misschien was het alles wel verbeelding immers.
Hij sprak er maar niet over met de bewoners in het dorpje. Ze zouden misschien gaan denken dat hij ze niet allemaal meer op een rijtje had.  Die avond ging Jacques nog even naar het dorpscafé, waar het gezellig was, met vele dorpsbewoners en een knusse tap.
De deur stond open evenals de ramen, dankzij de warme dag, stonden ook velen buiten te praten. Jacques sprak een goed woordje Frans met de bewoners en hoorde over het droevige nieuws aangaande het meisje Papillon.  Het nieuws van de dag, het arme kind was plots vertrokken uit het ouderlijk huis. Men tikte tegen het voorhoofd, ze was vreemd. Ze sprak met dieren, ze sprak als ze alleen was op het strand. Ze hadden haar vaak zien lopen op het strand, op haar blote voeten aan de waterkant altijd turend in de verte van de oceaan. Jacques kreeg de rillingen over zijn rug, ook hij had staan turen over de zee, met blote voeten aan de waterkant, had zij gezien was hij had gezien?
Hij besloot er toch over te beginnen, gewoon langs de neus weg. Zeemeerminnen, of ze daar wel eens over gehoord hadden. Het werd ineens stil in het café, men kon een speld horen vallen.
Zacht mompelend sprak men verder, stiekem kijkend naar de indringer. Hij had woord genoemd, het verboden woord. Het woord waar dit dorp angst voor had, de sirenen uit de zee, die op volle maan nachten zongen in de zee. Wie had ze niet gezien, men sprak er niet over, uit angst ze op te roepen, of om het kwade op te roepen over hun gezin.
Er waren enkele legenden, vertelde een dorpsbewoner aan Jacques, lang geleden, waar niemand meer over wilde praten.  Praat er niet over waarschuwde hij. Hij bood Jacques een biertje aan. Praat er niet over ok? Waarschuwde hij nogmaals.
Na een uur was het weer als voorheen in het café, men sprak weer luid, en dronk zijn biertje of wijntje. Jacques keerde laat terug naar zijn huisje aan zee.
Zuchtend keek hij uit over het water met een intens weemoedig verlangen, ze bestonden dus werkelijk.
Zij,  de schone dame bestond echt. Een tikkeltje dronken opende hij de deur van zijn huisje, en tot zijn grote schrik was zijn keuken nat van voetstappen vanuit het water.
In de woonkamer lag zij op de grond te slapen, met prachtige benen en billen, naakt. Naakt voor hem op de grond. Hij was dan wel 65 jaar oud, maar dit schone prachtige wezen voor hem, bracht hem zijn hoofd en hart weer op hol. Hij knielde neer naast het mooie vrouwwezen, en streelde zacht haar donkere natte haren.
Langzaam werd zij wakker, haar ogen waren vochtig en groot,  gelijk die van een zeehond, zo donker  als de nacht. Langzaam streelde hij haar huid, vochtig en koud, hij wilde haar warmen, in zijn armen nemen, ook al vond hij dit absurd, zo een oude man als hij. En zij zo mooi en jong?
Hoe oud waren ze eigenlijk die zeemeerminnen?
Hadden ze ook een leeftijd? Hij wist het niet, maar het deed ook niet ter zake. Hij bleef haar strelen, over haar rug, haar hals, haar borsten, en toen hij daar aankwam, draaide zij zich om en kromde haar rug. Met de snelheid van een panter, greep ze hem vast, met een intense kracht. Hij wist niet wat hem overkwam, zijn hart riep om verlossing, zijn ziel riep om haar, om haar te kussen en om van haar te mogen houden, maar zover kwam het niet.
Haar kleine vlijmscherpe tandjes beten in zijn hals. En scheurden de huid aan stukken, zijn kreten werden niet gehoord, door niemand in dat strandhuisje aan de zee.
Ze waren weder gekeerd, de sirenen uit de zee, om alles wat hen lief had, lief kreeg te doden en te eten van hun vlees. In de nacht kregen zij benen als de mensen dan liepen zij de huizen binnen. Men wist dat zij hun deuren moesten sluiten barricaderen desnoods. Dan zouden zij ooit wel weg gaan net als ooit, lang geleden.
Iemand in het dorp had iets gedaan, wat niet mocht, iets tegennatuurlijks en daardoor waren zij wedergekeerd, wie het verbroken had, wist niemand. Maar toen ze de man vonden in het strandhuisje, uiteen gereten, half opgegeten,  wist iedereen wat er gaande was. Om zijn hoofd lagen witte vlindervleugels, verspreid als een aureool. Wit en Goddelijk, met het rode bloed dat zijn hals en hoofd sierde en om zijn mond een glimlach.

~*~

“pfff, wat een lang verhaal dit keer” zeg ik tegen hem. Hij glimlacht naar mij in het halfduister. Zijn haren glanzen in het licht van de kaars. “Ik was lange tijd niet aanwezig, daarom dit keer een langer verhaal, vond je het mooi”? Ja verzucht ik.
“Mooi’, zegt hij en hij streelt langs mijn hals. Ik huiver. “Tot ziens…”

De deur waait dicht. “Tot ziens”, fluister ik nog.

 

©AngelWings

 

 

 

 

 

 

 

De supermarkt
De supermarkt

Photobucket

De regen slaat tegen de ramen, kletterend hard. Het raam slaat plots open. En een windvlaag is mijn deel, ik krijg kippevel door de plotse kou, en plots een schaduw die over mij heenvalt.

Hij is er weer, na lange tijd.
Ik glimlach, en voel zijn hand onder mijn kin. Een ademtocht over mijn gezicht is mijn deel.

Ik ga zitten en ga schrijven, we zeggen niets.

~*~

Het is een dag als alle andere, een doordeweekse gewone dag. Voor alle mensen, werkenden, zorgenden, zoekenden, en noem ze maar op in het werelddeel op deze aarde.
We zijn allen op weg maar weten nooit echt waar naar toe.

Donna stapt van haar fiets en pakt de grote boodschappentas die aan haar stuur hangt. De fiets zet ze netjes op slot, zoals iedereen doet.
Nadenkend loopt ze de winkel in, haar boodschappenlijstje in de hand. Elke dag hetzelfde.
Elke dag opnieuw. Ze haalt een zakje sla, en een zak lenteuitjes, wat ham voor in de salade en mozarella. Aardappels in een zak, de beste, dat wel.
Hele mooie dure aardappels. Ze schilt en snijdt ze liever zelf. Dan smaken ze het best nml.
Straks begint ze weer aan een heerlijke maaltijd. Ze komt een kennis tegen en maakt een praatje.
Even later loopt Donna verder naar het vak voor de olijfjes en de franse kaasjes.
Even krijgt ze een steek van weemoed in haar zielshart. Haar moeder die ze al jaren zo mist.
Ze denkt even aan de avondjes met haar moeder, samen gezellig keuvelen over van alles en nog wat, hoe ze samen lachten, om allerlei. Met een soort van verheven humor die zij hadden en weinigen konden begrijpen als een soort geheimtaal. Zelfs nu nog na al die jaren, schieten de tranen haar bijna weer in de ogen. Het gemis is zo intens, vandaag lijkt het even erger nog dan normaal.
Wegstoppen is ook een kunst op zich natuurlijk.
Maar vandaag wordt het haar even teveel. De muziek op haar walkman, dreint net een gevoelig nummer, zelfs trance kan dat oproepen nml.
Ze draait zich om en botst tegen een vrouw aan.
“ Oh sorry, mevrouw” mompelt Donna verontschuldigend. De vrouw leg haar hand op haar schouder, “Lieverd dat geeft toch niet”, zegt de vrouw.
Donna kijkt de vrouw aan en het is alsof zeplots terugglijdt in een tijd jaren geleden.

Jaren geleden het lijken wel eeuwen. Het gemis is zo intens zo intens vreselijk diep. Want voor haar staat haar moeder, haar eigen moeder, in de supermarkt. Voor haar en ze leeft, ze is er nog!

Oh wat een zaligheid hoe kan dit toch?
Donna stamelt ze hapert ze, weet niet wat te zeggen en grijpt haar moeders handen met beide handen vast.” Oh Mam”! ” Oh Mam”! Is het enige dat ze nog uit kan brengen.

Ze vliegen elkaar om de hals daar in de winkel.
“Mam ik heb je zo gemist, mam!!! Mam”!!? Haar moeder glimlacht en knuffelt haar dochter eens stevig. “Mam hoe kan het dat er bent”? “Hoezo ben’, zegt haar moeder glimlachend.
“Ik was er toch altijd al”? “Dat je mij nu kunt zien, komt door bepaalde omstandigheden een of andere energie die rond de aarde hangt momenteel”.

“Maar ik ben er altijd hoor”. Haar moeder lacht haar toe.
Donna kijkt om haar heen en ziet de mensen rondgaan alsof er niets aan de hand is en er echt een moeder dochter ontmoeting plaats vindt in de winkel.
“Oh mama wat heerlijk je te zien en wat zie je er geweldig goed uit”!!!!!! roept Donna uit.

Mam lijkt wel jaren jonger en ze straalt intens prachtig licht uit. “Oh, oh mam, oh”. Donna is helemaal van slag.

“Oh mam wat heb ik je intens gemist, wat heerlijk dit”, meer kan Donna niet uitbrengen dan enkel de handen van haar moeder voelen in haar handen.
Na al die jaren dit…hoe kan dit?
Donna begrijpt het niet…hoe kan dit!
Maar weet ook dat dit niet lang kan duren.
“Mam, hoelang blijf je hier nu…hoelang mag je, kun je …” tranen komen op in Donna’s ogen.
“Niet zolang lieverd, maar ik ben niet weg ik ben altijd bij je”! Haar moeder glimlacht en trekt haar dochter nog eens tegen haar aan.

Een warme knuffel vol liefde, weer eindelijk even samen.
Op een doordeweekse dag, op een moment dat het even mocht maar iets dat eigenlijk nooit voorkwam op aarde.
Maar waar liefde is en een wil is een weg, en haar moeder had die weg gevonden, misschien op een raar tijdstip maar deed dat terzake?
Nee niets deed terzake als je mensen die je zo lang gemist hebt weer mag zien.
“Mam ik heb je nooit gezegd hoe vreselijk veel ik van je houdt”! stamelde Donna.

“Maakt het uit, ik weet het toch, ik voel het als je aan mij denkt op aarde, ik weet het toch als je een kaarsje voor mij aansteekt of als je hart verdriet heeft omdat je aan mij denkt en mij mist?”.
Haar moeder keek haar diep in haar ogen aan.

“Geloof me als ik zeg dat ik elke nacht over je waak, als je gaat slapen, dat ik je dingen influister die niet goed zouden zijn voor jou als je zou doen wat je dacht op dat moment, dat ik je een idee aangeef als je het nodig hebt, dat ik mee leef en denk ook al ben ik niet meer op aarde”.
“ Oh mam”, snikkend staat Donna in de winkel de mensen om hen heen kijken vreemd naar haar.
“Ik mis je zo erg, elke dag” snotterd Donna. “Dat is niet waar”, zegt haar moeder, “ik zorg ervoor dat je niet dagelijks meer aan mij hoeft te denken, ik gaf je huisdieren die bij je horen, waar je voor moet zorgen, om mij een deeltje te vergeten, en je kinderen”! “Een zeer belangrijke taak vergeet dit nooit”.

In de winkel valt plots het licht uit, flikkerende lampjes boven de vriezer en boven de broodafdeling.
Donna kijkt verbaast om haar heen.

“Mam moet je gaan nu”, vraagt ze angstig.
“Ja kind, ik moet nu gaan maar ons afscheid is niet voor altijd weet je, en ook al moet je nog een tijdje, maar ik ben er vergeet dat nooit, praat er met niemand over want niemand zal je geloven, maar jij weet als enige hoe echt dit was”.
Tranen blinken in de ogen van haar moeder.
Ze moet weer gaan, Donna stikt zowat in haar tranen. Maar toch wat is dit bijzonder en mooi!
“Dag lieverd, je kunt het”!!! “Ik ben zo trots op je hoe sterk je bent en hoe je leeft, ik begrijp je nu zoveel beter”.
Plots klinkt er een intense knal in de winkel alle stoppen slaan tegelijk door. Het is intens donker in de winkel, en Donna voelt nog de handen van haar moeder in de hare, ze knijpt er bijna in, zo bang is ze haar weer te verliezen.
Maar heel langzaam wordt alles zachter en lichter en als uiteindelijk het licht weer aanflakkert staat Donna daar midden in de winkel met niets in haar uitgestrekte handen.
Totaal overstuur wordt ze door winkelmedewerkers meegenomen naar boven naar het kantoortje waar ze huilend het verhaal doet.

Maar zelfs de beveiligingscamera’s staan op error er is het afgelopen uur niets gefilmd dankzij de stroomstoring. Zonnevlammen daar gooien ze het op.
Donna durft een tijdlang niet meer naar die winkel te gaan uit schaamte.
Maar later moet ze wel, omdat het zo dichtbij is en dan is men haar al vast weer vergeten.

Maar die bijzondere ervaring zal ze nooit meer vergeten en er is meer vrede in haar hart, meer rust.
Want ze weet nu zeker dat haar moeder altijd bij haar is, ook vanuit de hemel.

 

©AngelWings

De Heilige
De Heilige

 window butterfly GIF

In de sobere kamer lag een oude man op het bed, om zijn lichaam windsel van wit doek, zijn ogen sloeg hij nog eenmaal op, om hierna zijn laatste adem uit te blazen.
De Heilige man was heengegaan.

Zijn ziel steeg op naar de hemelse hemelen, door een donkere tunnel met aan het uiteinde stralend licht, verwelkomde zijn uitgeputte ziel.
Een ziel die zijn diensten op aarde wel had bewezen inmiddels door goedheid en wijsheid te betonen aan mens, dier en plant.

De heilige was een volmaakte ziel geworden na alle reïncarnaties op aarde, dit was zijn laatste leven, hij wist het nu weer, plots kon hij zich alle levens weer herinneren.
Hij was weer alleswetend zoals altijd wanneer zijn ziel uit het lichaam vertrok naar de andere zijde.

Ditmaal was alles anders dan voorheen, dit was waar hij naartoe gewerkt had eeuwen lang.
Het punt was bereikt, hij was bijna God geworden.
De mensen op aarde hadden hem aanbeden om zijn pure ziel, om zijn Heilige weten, wijsheid en zijn goedheid. Hij was de Heilige geweest op aarde.
Hij had veel boeken geschreven op aarde aan wijsheden en had hiermee vele zielen de weg gewezen op hun aardse pad.
Hij was voltooid als ziel, hij was af.
En eindelijk zou gebeuren waar hij naartoe gestreefd had.

Toen hij aankwam in het Hemelrijk, zag hij vele bekende zielen, van eeuwen geleden zelfs die hem kwamen begroeten met een liefdevolle hartelijkheid.
Met een warmte die de mens op aarde niet tentoon kon spreiden, omdat de atmosfeer in de hemel zo teer en subtiel was, kon een ziel gemakkelijker zichzelf openen voor anderen.
En zonder de stress en de zwaarte van de aarde was alles hier zo licht en vrolijk. De Heilige omhelsde al die geliefde zielen, het waren er zoveel. Maar hij had ook al zoveel levens op aarde geleefd, inmiddels kende hij er ook enorm veel.
Iedereen lachte en was enorm blij dat hij eindelijk gekomen was, en eindelijk klaar was voor het nieuwe dat hem te wachten stond.
Het was er zo prachtig, de kleuren zo intens, de gebouwen van een gouden glans, de planten en bloemen geurden heerlijk, en waren van een hemelse schoonheid.
De Heilige mocht een tijdje bijkomen van het leven dat hij op aarde achter zich had gelaten.
Eeuwen geleden moest hij dan in gesprek met zijn geleidegeesten om zijn levens te evalueren maar ditmaal was dat alles onnodig.
Hij was namelijk volmaakt geworden.
Hij had tijden gehad waarin hij geleidegeest was geweest voor geliefden op aarde, hij was tijden engel geweest in de hemel en het laatste leven, zijn laatste opdracht, had hij zichzelf gekozen, zonder behulp van enig hemels wezen mocht hij deze zelf bepalen.
Nu was de tijd aangebroken, hij had het behaald nml.

Het moment kwam waarop hij geroepen werd.
Er klonken 7 bazuinen, bij elke bazuin die klonk voelde de Heilige dat zijn chakra’s openbraken in een gouden energie, prachtige stralen kwamen er uit zijn zielenlichaam.

Op zijn schouder drukte een hand, de hand van God.
De Heilige draaide zich om en kon eindelijk God aanschouwen, het was een zo intens liefdevolle energiematerie, die in feite niemand kon ervaren, behalve als de ziel volmaakt was geworden.
Dan kwam dit intense gevoel die je ziel doordrong.
Alle pijn en leed in alle aardse levens, doordrong en alles wegnam, alle zonden, alle pijnen, al het verdriet, alle nare herinneringen.
Het was het grootste kosmische orgasme dat een ziel kon ervaren.
Alsof men in een keer alle keren seksuele ervaringen op aarde in een keer doorstond.
De Heilige sidderde, en kronkelde en viel neer aan de voeten van God,
God keek hem aan vol liefde, alleen maar liefde want spreken deed hij niet.
Zijn ogen waren zo vol liefde, zo diepvorsend tot in het puntje van de ziel van de Heilige, en de Heilige snikte het uit van geluk.
Nog nooit had hij zoveel liefde ervaren, na geen enkele aardse dood, in geen enkele liefdesrelatie, of verbinding met een aards mens had hij zoiets gevoeld…maar dit maal…
Het was te heftig, de Heilige keek God aan en knikte, het was goed zo.
Dit was het einde van zijn zielszijnsbestaan, hij wist het, hij zou plaats gaan maken.
Bijzonder plaats.

De liefde explodeerde in de ziel van de Heilige, en brak de ziel in tweeën.
De Ziel stierf maar was gelijk geboorte van twee nieuwe zielen.
Een tweelingziel. Zo gaat dat in de hemelse sferen namelijk.
Andersom dan op aarde.
De tweelingzielen hoorden bij elkaar omdat zij uit een volmaakte ziel geboren werden.
Ze gingen nieuwe levens leven, en waren altijd op zoek naar elkaar, omdat de een nooit zonder de ander kon bestaan.
Altijd zou er connectie zijn tussen deze twee zielen, en intense liefde, voelbaar op afstand, als de een verdriet had zou de ander dat ook ervaren, als de een gelukkig was, was de ander dat ook.

De Heilige ziel was gesplitst in 2, en een glimlach gloeide door de
2 lingzielen.
Twee mooie jongen zielen aan het begin van hun eeuwige reis.
De ene keer als man en vrouw en dan weer andersom. Zodat ze zouden leren wat elke energie inhield.
Man en vrouw, liefdevol, en als ze elkaar zouden ontmoeten zouden ze weten, wie ze waren, dan zouden ze elkaar altijd herkennen.
De twee nieuwe zielen werden voorgeleid en er werd gekozen welke geleidegidsen hen zouden bijstaan, er werden plannen gemaakt voor hun nieuwe levens, opdat zij veel zouden leren.
En ook ooit na vele eeuwen, opnieuw zouden splitsen in 2 delen.
Als de geboorte van een kind, was dit de geboorte van de zielen in de hemel.

En God glimlachte, het was goed zo.

Geschreven door AngelWings

Soraday Liefde voor eeuwig
Soraday Liefde voor eeuwig

OhmagicOhwonder

Een harde tik tegen mijn raam, ik schrik op uit mijn overpeinzingen, de deur waait plots open en een koude tocht, waait om mij heen, alsof hij, de geest uit het hiernamaals een lange mantel draagt, en snel hierheen is gekomen om iets mede te delen.
Ik groet hem met een stille glimlach, je bent er weer fluister ik.
Een aai over mijn wang is zijn antwoord.
Ik voel zijn kille vingers, zo koud, en toch zo vriendelijk.
Heb je een verhaal voor mij vraag ik.
Hij knikt en trekt aan een pijpenkrul in mijn haar.
Ja zeker die heb ik…

~*~

Badend in het zweet werd ze wakker, uit donkere dromen.
Dromen vol donkere takken, bosgronden, een maan, en vage angstige geluiden. Ze draaide zich eens om in haar bed, de bezwete lakens meetrekkend aan haar vochtig lichaam. Het vocht parelde tussen haar borsten, haar haren krulden om haar gezicht in natte plaaggeesten, tot in haar mond zelfs.
Sam ging rechtop zitten en streek haar haren naar achteren, de donkere lokken plakten aan haar wang, verwoed veegde ze , ze weg. Opgelucht dat ze ontsnapt was aan die enge droom, zat ze daar nadenkend, terwijl de kou haar deed huiveren op haar opdrogende huid en vochtige nachtjapon.
Waar droomde ze toch over?
Vaag herinnerde ze zich haar droom, ze was ergens op een kerkhof, een zeer oud kerkhof, en ergens was een plek, ze was aan het graven op dat kerkhof bij een graf.
Een oude grafzerk met een engel erboven, met grote marmeren vleugels die het graf bewaakte. Het was donker, zo intens donker, en zij was daar alleen op dat kerkhof, met haar blote handen groef ze in de zachte modder. Op zoek naar iets, wat dat iets was wist ze niet.

Sam nam een slok water, uit het glas dat naast haar bed stond.
Ze ging weer liggen en viel even later weer in slaap.

Nadien kreeg ze vaker last van deze droom, en altijd weer was het dezelfde droom.
Het donkere bos, de oude stille begraafplaats en het graven in de modder op zoek naar iets. Maar wat,… daar kwam Sam nooit achter, omdat ze op dat moment altijd wakker werd, badend in het zweet.

Sam begon er onder te lijden, had angst om in slaap te vallen omdat ze bang was voor deze nachtmerrie, die steeds vaker voor kwam.
Bijna wekelijks inmiddels, kwamen de dromen bij haar op bezoek. Sam had van alles geprobeerd, zelfs rustgevende middelen, en in haar dagelijks bestaan was er niets wat er op wees dat ze ergens mee in de knoop zat oid.
Sinds kort had ze een vriend, maar zelfs als hij bij haar overnachtte dan had zij ook die ene nachtmerrie, het werd bijna een obsessie voor haar.
De huisarts kon haar ook niet verder helpen en het enige dat over bleef was in therapie gaan.
Nerveus onderging Sam de hypnose sessies, maar uit niets bleek dat zij in haar jeugdjaren nare ervaringen had opgedaan, en ook niet dat ze via haar ouders enge verhalen had gehoord over oude kerkhoven en dergelijke.
Sam begreep er niets van, en ook haar vriend, kon haar niet helpen.
Op een dag wilde de therapeut haar een voorstel doen, een voorstel, waar Sam best van schrok, daar had ze wel eens over horen vertellen, maar nog nooit had zij er aan gedacht dat zoiets kon bestaan.

Toch stemde zij in met de sessie.

Ze zou begeleid worden naar een vorig leven op aarde.
Ze gleed langzaam weg in een hypnotische slaap, en drong door tot haar onderbewustzijn. Hier begon de reis, op weg naar een ver verleden waarvan Sam nog nooit het vermoeden had gehad dat dit bestond.
Ze liep plots langs een oud langweggetje, de weg was zompig nat, en het was nacht.
Een zeer donkere regenachtige nacht, hoewel de maan af en toe langs de donkere boomtakken gleed, en haar pad verlichtte.
Haar lange natte haren bleven af en toe haken achter takken, en ze streek ze verwoed uit haar gezicht. Ze was op de vlucht voor iets of iemand, ze liep angstig voort, langs de donkere paden, door het donkere woud.
Haar hart bonste in haar borst, haar adem raspte hijgend, en af en toe struikelde ze over een boomstronk voor haar voeten, of gleed ze weg in een zachte modderpoel.
Ze hoorde de paarden komen, eerst in de verte maar steeds dichterbij, oh ja steeds dichterbij, hijgend rende ze voort, voor wat, ja….ze wist het plots weer, ze rende voor haar leven!

Soraday!!!!! Zijn zware stem riep haar, woedend, hij riep haar, was zo dichtbij, het was te laat, ze wist het, te laat voor haar.
Hij was dichtbij haar, met zijn paard.
Ze hoorde het dier snuiven dichtbij haar oor, en de ademwolk van het dier zag ze voor haar ogen, een hand greep haar bij haar lange zwarte lokken en trok haar omhoog op het paard.
Huilend sloeg ze tegen zijn borst, laat me gaan! Ik heb niets misdaan! Niets….laat me gaan, de tranen rolden over haar gezicht, maar zijn gelaat was stil en van haat vertrokken.
De ijzige koude die ze voelde uitstralen van zijn verharde hart, deed haar beseffen dat het zinloos was, ze was verloren.
Ze werd meegesleurd op de rug van het paard, liggend op haar buik voor hem. Het had geen zin om tegen hem in te gaan, hij zou haar straffen en hoe!
Die nacht verbleef ze in een onderaardse kelder van het kasteel. In het donker, verlaten en alleen, de ratten snuffelden aan haar rokken, en ze sloeg ze gillend bij haar vandaan.
Ze kon niets meer doen, ze had gefaald als vrouwe van dit kasteel. Hij had haar nooit liefgehad, zij hem ook niet.
Het leven had hen samengebracht door hun ouders, het land dat naast elkaar lag, en zij uitgehuwelijkt werden door de beslissende stem van beide ouderpartijen. Hij had vele vrouwen gehad, en zij was eenzaam en alleen, en helaas werd ze verliefd. Zo verliefd op hem dat zij uit eenzaamheid niets anders kon dan erin meegaan. Ook al wist ze dat dit gevolgen kon hebben voor hem en haar leven.

En nu had hij het ontdekt, en nu zou hij haar straffen!
Oh ja morgen, dan ….huilend zat ze daar ineengedoken in een hoek in een nachtzwarte kelder.
De volgende dag regende het nog steeds, maar zij Soraday liet niets zien van verdriet op haar gezicht, helemaal niets.
Ze huilde niet, ze keek niet bang, maar eerder trots, met opgeheven hoofd betrad zij houten schavot en daar stond ze.
Prachtig als altijd, trots en bekend als een van de mooiste vrouwen in de omgeving. Haar groen fluwelen jurk contrasteerde prachtig met haar lange zwarte haren en haar groene ogen. Die nu zo onnatuurlijk fel stonden, en zo trots en ongenaakbaar hard.
Hij keek haar kant op en zag haar staan, het hart bonkte hem tegen zijn ribben, ze was zo mooi, en toch. Ze pasten vanaf het begin al niet bij elkaar, hij wist dat en zij wist dat maar, nu zij met een ander….
Nee dat kon hij niet door zijn vingers zien, dit tastte zijn eer aan, hij was de kasteel heer.
Een beetje spijtig keek hij naar het tafereel voor zich, hoe zij hautain de strop om haar keel vastpakte, en hem nog eenmaal aan keek.
Onnatuurlijke ogen, zo fel en zo, ze drongen door tot in zijn ziel.
Even later was het voorbij, en hing haar mooie lichaam te bungelen levenloos, haar haren vochtig langs haar groene fluwelen jurk, hij draaide zich triest af, waarom?
Waarom had zij dit gedaan? Verder dacht hij er niet over na, hij had meer te doen.

Bij het schavot kwam die nacht een jongeman, hij was gemarteld die dag, vele zweepslagen hadden zijn rug bereikt, zijn botten deden pijn en zijn hart was loodzwaar, hij tilde haar op, trok het touw met veel pijn van haar hals.
En nam haar lichaam mee. Ver weg van de plek des onheil.
Soraday werd begraven op een plek achteraf op het kerkhof, met een engel die haar graf bewaakte.
In het bos, diep in het grote bos, lag de begraafplaats, en hij kwam er nog geregeld, hij zou haar nooit vergeten.
En bij haar graf groef hij in de grond, en verstopte daar iets.
Iets dat niemand ooit zou vinden….!

Sam werd plots wakker uit de hypnose.
Verschrikt en versufd.
Eindelijk begreep ze het, eindelijk!
Vanaf die nacht had zij nooit meer nachtmerries!
Ze herkende het verhaal uit de regressie zeer goed, de regen, het nachtelijk zweten, het haar dat in de war raakte.
En die vriend, die vriend was haar vriend in het nu.
Dat moest wel, ze hadden een intense band samen die dieper ging dan wat dan ook en wat ze ooit had meegemaakt in dit leven.

Ze besloten te gaan trouwen. Ze kenden elkaar inmiddels drie jaren en woonden al een tijd samen. De huwelijksreis ging naar Engeland.
In een prachtig oud hotel verbleven zij twee weken. Twee mooie weken, en beiden genoten van het Engelse landschap, ze wilden beiden graag Engeland bezoeken.
Het vreemde was dat Sam de nachtmerrie plots weer kreeg, en vaker dan ooit tevoren zelfs.
Ze probeerde het weg te drukken en sprak er maar niet over.
Dagelijks gingen ze op pad en wandelden uren langs de weiden en bossen. En ze genoten. Op een dag echter, zag Sam iets bekends aan de omgeving, ze liep langs een oud pad, overwoekerd met onkruid en struiken, haar kersverse man riep haar terug, maar ze hoorde hem niet meer, iets trok haar die kant op.
Ze liep. Hijgend langs de paden, een oud pad, dat nergens toe leek te leiden, toch wist ze het, ze wist het!
Uiteindelijk kwam ze aan op een oude begraafplaats, haar vriend kwam hijgend achter haar aan en ook hij bleef verbaast staan.
De lupinen bloeiden daar overal, langs grafzerken bedekt met ranken klimop, en oude omgewaaide boomstronken, oude boomstammen, met op hun wortels, paddestoelen, in allerlei soorten en kleur.
De vlinders dartelden over het kerkhof dat vervallen stenen liet zien en afgebrokkelde zuilen en beelden.
Het leek of er hier eeuwen geen mensen meer geweest waren.
Sam keek haar ogen uit, prachtig de sfeer hier op dat oude kerkhof.
Ze nam haar man bij de hand en zei, dit is vast het kerkhof van toen. Kom we gaan zoeken.
En samen liepen ze zoekend rond, en plots wist hij het weer, daarachter, er stond een oude muur in het midden van het oude kerkhof, en daarachter…daar hij liep en trok haar mee.
Samen zagen zij hoe er in een hoek een beeld stond van een marmeren engel, een vleugel stak nog trots in de lucht en de andere was half afgebroken, daar…
Samen liepen vol respect naar het graf, overwoekerd met bladeren, en stille trotse lupinen in allerlei tinten.
Sam bukte neer en veegde wat bladeren weg van het oude graf, de tranen stonden in haar ogen, daar stond het:

Soraday De Servier
14 mei 1503

Langzaam knielde haar man naast haar neer, en begon hij te graven aan de zijkant van het graf, op de grond, de droge grond dit keer.
Hij groef diep, zijn nagels onder het zand, het zand van eeuwen oud.
En daar vond hij het een klein zakje.
Hij pakte het zakje en keek Sam betekenis vol aan.
Kijk dit is het!
Ik wist het, Sam keek hem liefdevol aan, dit was het bewijs dat hij de man was uit dat vorige leven, de man waarvoor zij gestorven was.
Uit liefde voor hem, de man die haar nooit vergeten was…

Hij opende het zakje en vol verbazing keken beiden naar een schitterende smaragd, groen, en in de vorm van een hart.

Ze vielen elkaar in de armen. Ook al wisten zij niet, waarom hij dit daar begraven had ooit in een vorig bestaan, hoe hij er aan gekomen was, maar wel dat het tekenend was voor hun liefde voor elkaar.
En dat was het belangrijkste, liefde gaat niet voorbij na de dood.
Want liefde is.
~*~
Prachtig, verzucht ik naar mijn geest.
Hij glimlacht en ik voel een koude kus op mijn wang.
En hij vertrekt weer, maar laat de deur open staan, de koude van buiten trekt naar binnen toe.
Ik sta op om de deur te sluiten

AngelWings