Korte VerhalenMysterie

De geur van late rozen – Catherine Duval-

De geur van late rozen

-Catherine Duval-
(mijn lievelingsschrijfster)

Stil lag de tuin in de avondnevel. De marmeren banken stonden verlaten naast het verzonken perk, waar in een diep glanzend purper de laatste rozen bloeiden. De stenen van de paden en ook het gazon waren al bedekt met dorre, omgekrulde blaadjes en kleine afgevallen takjes lagen overal. Bekraalde spinnewebben hingen tussen de struiken en ijle herfstdraden hechtten zich licht opwaaiend aan de kalende takken. De winter was niet ver meer.

De roerloze stenen beelden langs het gazon deden de tuin nog verlatener schijnen alsof alle leven en de volle schoonheid van de zomer voor goed waren weggevaagd. Of er niets meer wachtte dan alleen de dood, het bittere einde na een voltooid leven.

Een briesje huiverde aan, streek over de perken en paden, de geur van late rozen met zich voerend als een bitterzoete afscheidskus.

Het was rumoerig in het tehuis; vandaag zou er weer een nieuwe komen. Weer een onwillige, weerstrevende mens zou aan hun gelederen worden toegevoegd. Het maakte de bewoners onrustig. Zij waren er al zo lang, sommige al meer dan twintig jaar – zij hadden de gelatenheid, het uitgeblust zijn van de totale verslagenheid – anderen waren nog in stil verzet, vermokt en wrokkig, maar ze hadden met elkaar gemeen dat ze waren opgeborgen, oud gebrekkig, dement, min of meer ontoerekeningsvatbaar, onzindelijk, lastig, agressief, maar ongewenst; allen zonder uitzondering ongewenst.

Dàt hadden zij gemeen en zij vormden een broeiend bolwerk tegen de maatschappij, die hen dit had aangedaan.

Zij zaten in de gemeenschappelijke eetzaal, ieder op zijn vaste plaatsje, ogenschijnlijk rustig en ongeïnteresseerd, schijnbaar toevallig, maar innerlijk opgewonden, gespannen in hun verwachting naar de komst van de nieuwe.

Toen hij eindelijk werd binnen gebracht en de massieve buitendeur achter hem op slot werd gedaan, richtten aller ogen zich op de plaats waar hij verschijnen moest. Als hongerige roofdieren zaten zij, wachtend, gereed hun prooi te bespringen.

De man, die werd binnengebracht was klein en tenger. Hij liep met onzekere houterige passen, aan één kant ondersteund door een broeder. Hij had een bleek asceten-gelaat met een goed onderhouden witte snor en kleine puntbaard. Zijn omfloerste blauwe ogen keken nietsziend voor zich uit. Een bril met een breed donker montuur gaf hem het voorkomen van een professor en die naam zouden zij hem geven. Ze gaven elkander altijd een naam hier, dat was makkelijker. Je verloor je eigen persoonlijkheid immers als je hier binnen kwam. Hier hield je werkelijke leven op, was alleen nog maar een vegeteren; een wachten op de dood.

De man werd naar een lege stoel geleid aan een vrijstaand tafeltje. Als een ledepop liet hij zich neerzetten.

Tientallen ogenparen namen hem nauwkeurig op, een paar knikten en mompelden een groet; maar hij reageerde niet.

Hij zat daar, stil en onbeweeglijk en de verslagenheid en de verwarring die heerste in zijn hart tekende zich af op zijn gezicht en vond een uitweg in stille tranen, die traag neerdrupten uit zijn wazige blauwe ogen.

Eén voor een sloegen de anderen hun blik neer, zij kenden dit leed, de pijn. Hij was aanvaard; hij was één der hunnen.

Voor Johannes had de wereld opgehouden te bestaan. Hij voelde zich een gevangene, weerloos, verlaten en zijn gedachten cirkelden aanhoudend om dit ene: ‘Hoe kom ik hier uit, hoe kom ik hier ooit uit?’

Nog luttele maanden geleden was hij vrij en onafhankelijk geweest op de ruime ouderwetse zolder, waar hij woonde en zijn atelier had. Hij had geschilderd en iedere dag genoten van zijn leven en van wat hij schilderde; de natuur, dieren, stillevens en mooie vrouwen, ontsproten aan zijn fantasie. Zestig jaar was hij en hij had een kleine rente om van te leven.

Met wat hij verkocht van zijn schilderijen kon hij zich af en toe een goede maaltijd met een flesje wijn veroorloven in een gezellig restaurant en voor de rest deed hij het met brood en soep, een gebakken visje of een bal gehakt van de patatkraam op de hoek. Liters zwarte koffie vergoedden hem veel, want daar was bovenal zijn vrijheid en zijn onafhankelijkheid en die had hij lief. Hij was een gelukkig en ongecompliceerd mens.

En nu… nu was daaraan een eind gekomen. Een kleine onbeduidende operatie – hoe welgemoed was hij naar het ziekenhuis gegaan – een kleine fout, een onbekende oorzaak, een langzame beroerte en zijn leven was ineengestort. Gedeeltelijk verlamd, aan één oog blind met een zwaar verstoorde spraak, kon hij niet meer voor zichzelf zorgen en werd hij, na troosteloze maanden in het ziekenhuis, geplaatst in een demententehuis. ‘Voorlopig’ zei men,

‘voorlopig een tehuis voor dementen, want in een gewoon tehuis, dat ging niet. Daar zou men hem niet accepteren. Hij kon zich immers niet verstaanbaar maken. De ongearticuleerde klanken die hij uitstootte, zouden hem van anderen vervreemden. Hij zou geen contact met ze hebben, eenzaam zijn. Dat ging niet. Hij zou er ongelukkig zijn.

Maar bij de gestoorden, daar zou hij geaccepteerd worden, die hadden zelf allen een gebrek.

Ze zouden hem aanvaarden als een der hunnen.’

Zo hadden de doktoren en de psychiater het hem verteld. Het had zinvol geklonken, maar Johannes wist heel goed dat zij aan zijn verstandelijke vermogens twijfelden. Hij kon immers niet antwoorden en de macht over zijn handen had hij verloren, opschrijven ging ook niet.

Bovendien had hij zich toen niet kunnen verdedigen, zijn gedachten waren niet meer zoals vroeger als vrije flitsende vogels in een klare blauwe hemel.

Hij dacht moeilijker, trager en het kostte hem oneindig veel moeite. Hij was weerloos en verslagen en hij wist het.

En zo kwam hij hier.

De benauwde lucht van verschaalde rook, van veel mannen dicht opeen, vermengd met de geur van slechte koffie en luchtjes uit de keuken, benam hem bijna de adem. Hij voelde zich beklemd, tot stikkens toe.

‘Wég, wég, hij moest hier weg, naar buiten, de frisse wind voelen, ergens zou er toch wel een deur zijn die naar buiten voerde. Er zou toch wel een tuin zijn waarin hij lopen kon; hier hield hij het niet meer uit.’

Hij stond op, keek om zich heen. Zijn éne goede oog probeerde een uitweg te ontdekken, maar hij zag alles onduidelijk en omfloerst door tranen, die onophoudelijk bleven stromen.

Een van de mannen kwam op hem toe.

‘Hé, prefessor, ken ik je helpen?’

Een paar onverstaanbare keelklanken in antwoord.

‘O, ken je niet praten, geef nie, zijnne der wel meer hier zo. Knik maar as ik vraag. Mot je de broeder?’

Met zijn hoofd wees Johannes in de richting van de tuindeuren.

‘Buiten?…, de tuin. Kom maar. Mot je geen jas an, ’t is koud.’

Behulpzaam schuifelde de andere met hem mee. Hielp hem met de deur en het stoepje af en liet hem toen alleen.

De frisse koude wind stoof op Johannes aan. Prikte tegen zijn gezicht. Zijn verwarde witte haren stonden als een stralenkrans uit om zijn hoofd.

‘Vrij, hij was buiten, Goddank.’

Langzaam liep hij verder tot hij bij een schuurtje kwam. Er lagen tuinstoelen opgestapeld en er stonden opgevouwen parasols, voor de zomer. Er was een klein hek naast. Voetje voor voetje ging hij verder. De dorre bladeren kraakten onder zijn schoenen. Hij vond een marmeren bank bij een verzonken bloemenperk. Van hieruit kon hij het tehuis niet zien. Hier was alleen de tuin, met de beelden, de natuur. Lang bleef hij zitten. In hem schrijnde het verdriet om zijn verloren leven. Niets was er voor hem meer dan een zinloos wachten op de dood. Half blind, aan een arm verlamd, zonder spraak en niemand op de hele wereld die zich om hem bekommerde.

Een snik welde op in zijn keel; afgedaan, voor altijd.

Toen zag hij haar. Ze stond onder een berkeboom en keek naar hem. Ze droeg een ijl bruin-wit kleed en een krans van roodbruine bladeren in haar witte haar. Ze was mooi en vreemd met glanzende blauwe sterrenogen en een lachende rode mond.

Ze knikte tegen hem. Hij kon niet spreken, maar in zijn gedachten vroeg hij haar:

‘Wie ben je?’

‘Ik ben Roxane’ zei ze.

Ze kwam naar hem toe, haar slanke blote voeten schenen de grond niet te raken. Dichterbij kwam zij, zo dicht, dat zij hem aan kon raken. Ze legde haar slanke vingers tegen zijn lippen.

Ze voelden koud aan, zo koud als waren ze van ijs. Maar hij merkte dat hij spreken kon. Hij had zijn stem terug. Hij kon praten met Roxane.

En hij vertelde haar zijn leed. Zij luisterde naar hem en toen hij uitgesproken was voelde hij zich leeg, maar getroost, wonderlijk getroost. Weer raakte zij hem aan en weer voelde hij de ijzige koude van haar vingers.

‘Bent u nu nog eenzaam?’

‘Nee, nu niet meer, maar straks, als ik terug moet, daar naar binnen in het tehuis, wat dan? O, God, Roxane, wat dan?’

‘Denk aan mij, alleen aan mij.’

‘Maar wie ben je, zeg me wie je bent. Woon je hier in de buurt en zal ik met je mogen praten af en toe? Het zal minder erg zijn als ik met je praten kan. Maar misschien vraag ik te veel. Ik ben oud en afgedaan en jij bent jong en mooi en vol leven. Hoe kan ik verlangen dat jij mij komt opzoeken? Misschien zouden ze je niet eens binnen laten.’

Haar lach parelde op.

‘Mij niet binnen laten?’ zong ze. ‘Maar niemand kan mij immers tegenhouden. Maar het is niet nodig. U kunt hier komen, naar de tuin; hier kunt u mij vinden als u dat wilt, maar vergeet niet, u alleen, anders zou ik moeten komen en u halen en de tijd daarvoor is nog niet gekomen.’

‘Ik zal het niet vertellen’ beloofde hij, ‘maar kind, heb je het niet koud in die dunne jurk en op je blote voeten; je zult nog ziek worden, de zomer is voorbij.’

Weer klonk haar lichte lach als het tinkelen van kleine zilveren bellen.

‘De koude deert mij niet en op de wegen, die ik bewandel zijn geen schoenen nodig, maar nu moet ik gaan en u moet weer naar binnen, anders komen ze u zoeken. Tot weerziens.’

Ze ging weer terug naar de berk waar hij haar voor het eerst had zien staan en weer knikte zij tegen hem. De nevel, die in de tuin hing scheen haar op te nemen. Hij zag haar nu niet duidelijk meer. Vager en vager werd haar beeld tot er niets meer was dan de nevel alleen en de blanke berk; zij was weg, maar tot hem kwam strelend en fluweelzacht de zoete geur van late rozen. Het omzweefde hem en nam hem op, voerend tot ongekende hoogten van blijdschap en rust en een geluksgevoel even warm en schoon als de purperen blaadjes van de rozen in het perk. Roerloos bleef hij zitten, de ongemeen milde geur inademend. Het was als een genezing voor zijn gewonde vertwijfelde ziel, die voor het eerst sinds maanden vrede gevonden had.

Het harde geluid van plompe voetstappen schrikte hem op. Ze bonkten over het tegelpad tot zij vlak bij hem waren.

‘Zo, ouwe, zit je hier, je hebt gelijk, daarbinnen is ’t nou ook zo lollig niet.’ De stem klonk ruw maar niet onvriendelijk.

‘Kom, ’t is etenstijd.’

Hij hielp Johannes overeind en voetje voor voetje ging het terug naar het tehuis.

De tafels waren al gedekt en de anderen zaten al op hun plaats. Ze keken niet op toen hij binnenkwam. Zij voelden met hem mee en wilden hem niet storen. Hij kreeg een tafeltje alleen, dat was regel had de directeur hem verteld, tot hij zelf besloten had bij wie hij zich aan wilde sluiten. Het eten was niet slecht en er was volop, maar het interesseerde hem niet.

Duizendmaal liever had hij een droge boterham gegeten op zijn vertrouwde zolder.

Langzaam en onzeker bracht hij de lepel naar zijn mond. Hij wist, dat hij morste, maar hij wilde niet gevoerd worden. Als hij maar meer controle had over zijn handen. Waarom beefden en schudden die zo? Als hij maar kon leren dat te beheersen, misschien zou hij dan weer kunnen schilderen.

Dat hadden de doktoren hem gezegd: ‘Proberen, steeds weer proberen.’

Het was waar wat de psychiater had gezegd, dat zag hij nu wel in. Tussen normale mensen was hij niet op zijn plaats geweest; hier morste iedereen. Voor het eerst kon hij weer redelijk denken en hij wist wie hij hiervoor danken moest.

Dat wonderlijke meisje in die sprookjesachtige tuin had hem zijn evenwicht terug gegeven.

Na het maal schuifelde een der anderen naar hem toe. Het was dezelfde man, die hem naar buiten had gebracht.

‘Zo prefessor, hier ben ik weer. Ik ben de Kromme, zo noemen ze me hier. Beetje bekomen?

Ja, het valt niet mee, ik weet het. Ik zit hier al ellef jaar. Toen de vrouw doodging was d’r geen plaats bij de kinderen, dat was te lastig en toen hebben ze me hier gedaan. Ze komme nog welderis…zo af en toe, ’n uurtje; maar méé mag ik nooit. Voor mijn part magge ze helegaar wegblijven, wat hebbie deran. Ze zeggen dat ik gèk ben, daarom ben ik hier. Niet gevaarlijk hoor, nee, maar toch niet wijs en da’s veels te lastig om over de vloer te hebben met de winkel en de kleine kinderen. Maar ze liege ’t, ik ken bestig op de kinderen passen, beter dan hullie met der mederne fratsen, niks gedaan.

Je ken netzogoed dood wezen, da’s waar we allemaal op wachten hier, op de dood, maar ’t duurt verdomde lang. Zie je die met die lange baard daar in de hoek, da’s Opa, negentig is ie, maar nog helegaar helder van geest. Die weet alles, maar hij hèt lamme benen; daarom hebben ze em hierin gestopt, al twintig jaar is ie hier. En links van hem zit Popla; die noeme we zo omdat ie altijd het toiletpapier opvreet, die weet niks meer, nie eens dat ie leeft. En die met die kale kop is de Tor, da’s een kwaje, die vloek soms zo dat ’t schuim em op ze mond komt en dan motte drie broeders hem wegzeulen. As ze de deur openlaten loopt ie weg, daarom draaien ze hem altijd op slot. Niet voor allemaal hoor, maar de meesten zouden verongelukken azze ze buiten kwamen, of verdwalen. Soms mag ie wel es naar buiten, met de broeder, maar nooit allenig.

Heb jij kinderen prefessor?’

Johannes schudde van neen.

‘Zoveels te beter, allemaal ellende, pure ellende. Neem mij nou, gèk zeggen ze dat ik ben; je bent beter dood. Hebbie geen vrouw ook?

Weer nee.

‘Nog beter, hebbie ook geen sjachrijn. Hier komme ze toch niet graag. In ’t begin lopen ze nog wel, maar as die deur achter ze op slot gaat vinden ze dat heel niet leuk en dan komme ze minder en dan blijven ze weg. Rotzooi. Kom prefessor, ik zal je helpen, gaan me bij de televisie zitten, hebbe me een goed plaatsie.’

Johannes liet de woordenvloed over zich heen gaan. De tragedie van de Kromme was als een schrijnende wond, gelijk aan de zijne en ongetwijfeld aan die van alle anderen hier, maar hij was er met zijn gedachten niet helemaal bij. De vreemde ontmoeting in de tuin hield hem bezig. Hij kon het zich niet duidelijk meer voor de geest halen. Het leek een droom, zo onduidelijk en zo vaag.

Of was het een droom?

Had hij zitten slapen daar op die bank? Was het niet werkelijk gebeurd? Had hij het zich verbeeld? Een jong meisje, dat Roxane heette en dat op blote voeten liep en een ragdunne jurk droeg in die kou. Het kon niet waar zijn: zoiets bestond niet.

Angst greep hem aan. Het Móést waar zijn, het moest, hij wilde dit behouden; het was het enige dat hem nog restte, een schim van geluk. Die mocht hij niet verliezen, liever maakte hij er een eind aan.

Bruusk stond hij op en met onzekere passen liep hij naar de tuindeuren. Zijn bevende hand probeerde de klink, maar die gaf niet mee; de deur was afgesloten.

Razernij steeg in hem op. Hij sloeg met zijn vlakke hand tegen het hout en over zijn lippen kwam een onverstaanbare serie klanken; als ontstemde orgeltonen golfden zij op en neer.

Toen waren er twee broeders bij hem en hij werd weggeleid. Hij probeerde zich te verzetten.

Hij wilde naar buiten, hij wilde vrij zijn en geen gevangene. Vrij, vrij, VRIJ!

Maar ze brachten hem naar een kleine kamer en hielpen hem in bed. Hij voelde de prik van de scherpe naald in zijn vlees, als de beet van een klein dier. Toen was hij alleen achter een afgesloten deur: een gevangene.

Als hij maar wist of het een droom geweest was. De onzekerheid was hem onverdraaglijk. Hij snakte naar de serene stilte van de tuin; de koele aanraking van de wind. Hij wilde wéten.

´Roxane´prevelde hij zacht.

Door het venster tegenover zijn bed gleed een manestraal en speelde met de spijlen van het ledikant en daar, achter de ruit zag hij Roxaneś stralend gelaat, de sterrenogen en de lachende mond. Ze knikte tegen hem en wuifde met haar kleine witte hand. Het was of hij de ijzige koude van haar vingers weer voelde; het raakte hem aan, beroerde hem, gaf hem rust.

Met een glimlach om zijn lippen vie hij in slaap.

De volgende ochtend mocht hij weer naar de eetzaal en niemand zei iets over het voorval van de vorige avond. Zijn eerste gedachte gold de tuindeur. Ze was open en weldra scharrelde hij langs het tegelpad. Tegenover de witte berk ging hij zitten, vol verwachting. Zou zij terugkomen, of was het alleen maar zijn eigen fantasie geweest die hem dit beeld voor ogen had getoverd; geboren in de radeloosheid van zijn ziel. Schier ademloos wachtte hij, maar niet tevergeefs, want plotseling was ze bij hem en hij voelde de ijzige koude van haar vingers op zijn hand.

Het was geen droom, maar werkelijkheid: Roxane bestond.

Van toen af bracht hij ieder vrij moment in de tuin door. Het viel de verplegers en de dokter op, maar de koude en het buiten zijn schenen de man niet te deren. Het maakte hem rustiger en handelbaarder als hij weer binnen was, dus lieten zij hem. Af en toe ging een van hen kijken, maar onveranderlijk vonden zij hem zittend op de marmeren bank, stil voor zich uitstarend en ze stoorden hem niet.

De dagen vergleden en langzaamaan groeide de verwondering in hem op. Het bijzondere aan Roxane, de vreemde manier waarop zij kwam en ging, alsof zij oploste in het niets. De rust die over hem gekomen was, en bovenal dat hij gewoon praten kon als hij bij haar was, deden in hem de overtuiging groeien dat zij geen gewone menselijke sterveling was en toen een der tuinlui hen voorbij liep terwijl zij naast hem zat zonder haar op te merken wist hij het zeker: anderen konden haar niet zien, omdat zij voor hen niet bestond.

Maar waarom voor hem wel?

Eer hij het haar vragen kon, gaf zij hem het antwoord.

‘Het was uw wanhoop, die mij aantrok. Kom, laten we hier weggaan.’

En ze nam hem bij de hand en leidde hem de tuin door tot achter de berk waar een haag van vogelkers als een massieve groene wand de tuin afsloot van de wereld daar buiten. De fijne wiegelende takken vielen als een waterval van verbleekt, stervend groen. Met één hand maakte zij een opening. Achter hen sloot de dichte sluier zich met een zacht geritsel.

Ze liepen door een tunnel van bladeren en kwamen tenslotte in een andere tuin. Ze hield halt bij een slank, met klimop overwoekerd, paviljoen.

‘Kom’ ze ze, ‘ ik heb iets voor je.’

Het paviljoen was een klein wonder. Er stonden roodfluwelen stoelen en een Récamier. Aan de zolder hing een lamp in wier glanzende facetten het licht gebroken werd en tintelend uiteenviel in een regenboog van kleuren. In een hoek stond een schildersezel met een half voltooid portret. Vanaf het linnen keek Roxane’s gezicht hem aan, maar het miste het stralende, zilverachtige dat er nu over lag. Het was een oudere Roxane en in de ogen lag een wereld van pijn.

Er was ook een doos met penselen, tubes verf en een rol ongebruikt linnen. Hij keek haar aan.

‘ Maar, zou ik kunnen . . .’ stamelde hij.

Ze knikte.

‘Ja, hier kun je alles wat je wilt. Hier is niet je lichaam de baas maar je geest; probeer het maar.’

Liefkozend streken zijn handen over de vertrouwde materialen en eer hij het zich realiseerde had hij een klein doek genomen en schetsten zijn onwillige vingers een wonderlijke bloem.

Hij vergat alles om zich heen; hij schilderde.

De tijd vergleed.

Het was de ijskoude aanraking van Roxane die hem terug bracht tot de realiteit.

‘U moet gaan’ sprak ze, ‘het is tijd.’

‘Kan ik niet blijven, moet ik terug?’

Ze knikte.

‘Ik begrijp het, ze zullen me komen halen en dan zullen ze me beletten hierheen te komen.’

‘Nee, ze zullen u niet zien als ik dat wil, maar de tijd is nog niet daar om te blijven. Kom, ik breng u terug.’

De broeder, die hem kwam zoeken vond hem op de marmeren bank.

‘Wordt het geen tijd dat binnenkomt ouwe? Volgens mij moet je even versteend zijn als die bank. Potverdorie, wat is het koud hier. Voel jij dat niet?’ En de vraag zelf beantwoordend mompelde hij: ‘Nou ja, dat zal wel niet. Die verkalkte botten zullen wel geen enkel gevoel meer kennen.’

Hij strekte de hand uit om Johannes op te helpen, maar met een hoofs gebaar wees hij de hulp af. Hij stond op en het hoofd hoog opgeheven, de schouders recht, liep hij naar het tehuis terug met langzame, zekere passen.

De broeder staarde hem na in stomme verwondering.

‘Alsjemenou.’

Hij vertelde het de directeur zodra hij hem zag.

‘Ik geloofde mijn ogen niet’ eindigde hij, ‘stekkerde weg of er niks aan de hand was.’

De dokter werd eveneens ingelicht, met gevolg dat Johannes naar de onderzoekkamer gebracht werd.

Hoewel hij wist dat Johannes niet spreken kon vroeg hij gewoontegetrouw:

‘Hoe voelt u zich?’

Hij keek naar Johannes, die daar stram en recht voor hem stond. De ascetische gelaatstrekken waren dezelfde, hoogstens nog iets verfijnder, maar er was iets anders bijgekomen, een vreemd waas, een vage gloed, alsof hij jonger was geworden; jaren jonger.

Dat kon niet, dat was een raadsel, want in het medisch rapport stond dat onverwachte kleine bloedingen, herhaaldelijk terugkerend, deze man uiteindelijk totaal dement moesten maken, hem slopen tot ten laatste de dood hem zou verlossen. Hier was geen genezing mogelijk, alleen verdere aftakeling op kortere of langere termijn, met een totaal verlies van geheugen en bewustzijn.

En nu dit, een overklaarbare verbetering. De dokter geloofde niet in wonderen en hij vreesde dan ook een sterke tijdelijk opleving, die onherroepelijk gevolgd moest worden door een ergere terugval.

Halen en brengen, dat was het vaak, maar dit was uitgesproken ongewoon. ‘Speciaal op letten’

dacht hij nog en nadat Johannes was weggegaan gaf hij dienovereenkomstig instructies.

Maar er gebeurde niets, hoogstens dat Johannes niet terugviel, dat zijn toestand nog verbeterde, alhoewel hij nog steeds niet sprak. Er begon zelfs vlees op zijn botten te komen.

Zijn ene goede oog straalde en hij bleef fier rechtop lopen; de bange verwachtingen van de dokter ten spijt.

Elke dag ging Johannes nu naar het paviljoen om te schilderen en Roxane vergezelde hem. En elke dag zagen de broeders, die opdracht hadden extra op hem te letten, hem urenlang zitten op zijn marmeren bank in de stille tuin, kijkend naar de rozen, die bloeiden in purperen overdaad.

En de dagen vergleden als vage rimpels in een gladde vijver en altijd was daar Roxane, naar wie heel zijn ziel opgeheven werd. Haar vreemde koude aanraking was hem zo vertrouwd.

Hij voelde zich sterker, jonger, overmoediger, als gaf zij hem een nieuw leven.

Niets kwam er meer op aan dan alleen die vreemde stille tederheid, die tussen hen gegroeid was. Hij wist dat hij haar beminde met al de gloed van zijn late leven; zoals hij nooit tevoren had gekund. Passieloos, zonder begeren, mild en teder, zich kerend naar het sralende licht van haar wezen zoals de late rozen zich naar de zon wendden.

De milde herfst was haast onmerkbaar overgegaan in de winter. Kaal en naakt stonden de bomen en de grond was bedenkt met hun afgeschud kleed. De herfstdraden waren verdwenen, maar nog bloeiden in het perk enkele rozen. Ze schenen eenvoudig niet te kunnen sterven, geen afstand te willen doen van het leven. En iedere dag zag Johannes hen en hij raakte ze voorzichtig aan.

Voor hem waren zij onverbrekelijk verbonden met Roxane, die op zo’n wonderlijke manier in zijn leven gekomen was toen hij er niets meer van verwachtte, toen hij geloofde dat alles nu afgelopen was voor hem en niets anders meer overbleef dan een opstandig wachten op de dood. Juist toen had het leven hem aangeraakt en was in volle schoonheid naar hem toegekomen.

Hij had mogen proeven van de zoetheid van het leven.

Zij geluk was volmaakt. Zijn verzet was weg en de dood boezemde hem geen vrees meer in, want Roxane was bij hem.

Zij was er altijd. Haar vage gestalte wachtte op hem onder de zilveren berk.

De dagen vielen hem niet lang meer nu; zij maakte ze licht.

Iedere dag nam zij hem mee naar het paviljoentje en hij schilderde het ene schilderij na het andere in onverzadigbare honger. Alleen dàn leefde hij; de uren, die hij in het tehuis doorbracht waren onwerkelijk. Hij realiseerde het zich niet meer, hij wachtte tot het moment dat hij weer naar de tuin kon gaan en Roxane ontmoeten. Hij had geen verlangen meer het tehuis te mogen verlaten. Wat moest hij nog in de wereld, die hij in luttele weken was ontgroeid. Voor hem bestond alleen de lieflijke droom die Roxane heette, en die wilde hij vast houden met alle kracht die in hem was.

Zittend op zijn bank wachtte hij op haar en toen zij naar hem toekwam voelde hij weer de intense koude die van haar uitging en die hem toch niet afschrikte. Hij verlangde naar de lichte aanraking van haar dunne ijzige vingers; het was de schoonste liefkozing, die hij ooit had gekend.

Hij knikte naar de rozen en zei:

‘Er zijn er nog maar een paar, Roxane. Zo lang die bloeien ben ik veilig, maar wat als de winter komt met sneeuw en ijs.

Zullen ze dan ook toestaan dat ik de tuin inga?’

Ze glimlachte, een verre, vreemde lach en wees hem een bijzondere gave, grote knop, die zachtjes bewoog in de wind.

‘Zolang die niet heeft gebloeid, zal de winter niet komen en àls ze bloeit zal het lente zijn.’

Zij nam zijn hand in de hare. Het was als voelde hij sneeuw, koud, tintelend. De kou kroop op in zijn arm, maar het deerde hem niet. Hij schoof dichter naar haar toe tot haar lichaam het zijne raakte en hij keek in haar wonderlijke blauwe ogen.

Hij voelde hoe de koude meer en meer bezit van hem begon te nemen en ergens schemerde een herkennen in hem, een vermoeden.

Was dit de dood?

Hij had altijd gedacht dat de dood een man was, zwart, somber en onverbiddelijk. Maar nu, nu wist hij dat zij een vrouw was. Mild, geduldig en vol liefde.

Niet in vertwijfeling had ze hem willen vinden. Niet in zijn opstandigheid had zij tot hem willen komen. Zij had gewacht en hem haar schoonheid getoond; hem voor zich gewonnen, tot hij niets anders wilde dan haar volgen.

De koude had nu bijna zijn hart bereikt, maar hij voelde geen vrees.

‘Roxane, ben jij de dood? Als jij de dood bent, dan vind ik het prettig om te sterven.’

Zij glimlachte slechts.

De ijzige koude had zijn hart aangeraakt. Hij voelde een lichte duizeling, maar stierf niet. Hij zat daar en langzaam vielen de jaren van hem af. In plaats van stil te staan voelde hij zijn hart opspringen in zijn borst. Hij voelde het warme rode bloed heftig pulseren in zijn aderen; jagend door zijn lichaam van ijs, dat jonger werd, iedere seconde jonger werd en sterker.

Hij voelde zich groeien tot hij was als een jonge God en voor zijn ogen ontbloeide de gezwollen rozenknop. Zij vouwde haar blaadjes open, zich ontplooiend tot een volmaakte bloem in koninklijk purper met diep in haar een gouden kern, waarin de tere meeldraden trilden en bewogen als klopte daar haar hart.

In vervoering trok hij Roxane aan zijn borst.

‘Kijk Roxane, kijk, het is lente’ schalde zijn stem.

Gehaast liep de broeder door de tuin, zoekend en spiedend.

De oude moest toch in de tuin zijn; binnen was hij niet.

Daar was een gat in de heg; hij zou toch niet . . . daardoor?

Hij wrong zich door de opening en kwam in een verlaten tuin met het slanke paviljoen.

Een jonge vrouw met wit haar en stralend blauwe ogen kwam juist naar buiten, achter haar liep een slanke man.

De broeder groette.

‘Neemt u mij niet kwalijk, maar heeft u hier soms een oude man gezien?’

De vrouw schudde van ‘neen’, de man beaamde het.

De broeder haalde de schouders op.

‘Dan zoek ik maar verder, bedankt.’

‘Vreemd’ dacht hij, ‘waar heb ik dat gezicht toch eerder gezien? Het komt mij zo bekend voor’, maar hij kon het zich niet herinneren.

Hij zocht de hele tuin af, ook het kleine paviljoen, waar hij viel over de rommel. Alles was met een dikke laag stof bedekt en spinnewebben hingen overal. Niets dan wat wrakkig vermolmd meubilair en stilte, intense stilte. Terug ging hij weer, door het gat in de heg, naar zijn eigen tuin. Verbaasd bleef hij staan. Op de bank zat een oude zoals gewoonlijk, stil en in elkaar gedoken. Maar iets was toch anders; hij ademde niet meer en de uitgedoofde blauwe ogen staarden nietsziend voor zich uit. Zwijgend keek de broeder naar de stille dode.

Ineens zag hij het, die man van daarstraks leek op Johannes.

Ja, beslist dezelfde trekken, hetzelfde ascetengelaat, de blauwe ogen; alleen jonger, veel jonger was die man geweest.

Hij bukte zich over de broze gestalte. Met gemak tilde hij hem op en droeg hem weg.

Stil en verlaten lag de tuin. De winteravond huiverde aan en deed de dode blaadjes in een cirkel opdwarrelen.

Een lichte nevel maakte zich los van de aarde, ijl uitwaaierend langs de witte berk.

Duisternis golfde aan en nam bezit van de tuin, alles verhullend tot er niets meer over was dan alleen de geur van late rozen.

Auteur: Catherine Duval

© Uitgever: Nijgh & Van Ditmar


Dode bladeren

Liesbet de Winter hield van wandelen, het liefst alleen. Speciaal hiervoor was zij naar een bosrijk gebied getrokken diep in het Taunusgebergte.

De morgen lag stralend en nieuw voor haar toen zij zich op weg begaf om een lange tocht te maken.

Ze liep stevig door, aanvankelijk een brede weg volgend, maar al gauw begon haar dat te vervelen en wurmde zij zich onversaagd door het dichte kreupelhout. De takken haakten vergeefs aan haar gladde nylon jack, dat hen zo ongehinderd voorbij glipte, nergens houvast biedend.

Na een kwartiertje wandelen stuitte Liesbet plotseling op een smal pad. Even aarzelde zij, doch toen sloeg ze links af en begon het te volgen. Het was zo smal, dat de takken van de dichte struiken aan weerszijden langs haar mouwen schuurden. Rondom haar was het schemerduister van een diep dicht woud en ook boven haar waren slechts volle duistere takken. Het pad leek op een sombere donkergroene tunnel. Nog nooit eerder had zij een dergelijk pad gevonden, een pad zonder zijpaden en door zulk ondoordringbaar struikgewas, dat het zelfs Liesbet niet aanlokkelijk scheen er zich door te wurmen.

Had ze aanvankelijk nog allerlei geluiden gehoord en waren opgeschrikte vogels weg gefladderd, thans was er alleen nog het zacht krakende geluid van haar voetstappen. De stilte was zo intens en zwaar, dat Liesbet onwillekeurig zuchtte. Het kwam haar voor, dat zij al uren voortging over het pad, dat onveranderlijk voortslingerde. Waar zou het heen voeren?

Ongeduldig verhaastte Liesbet haar pas. Ergens moest het toch heen gaan, ééns moest het toch ophouden! Na een poos merkte Liesbet, dat het iets breder werd, maar lichter werd het niet.

Het bleef even somber en donker. Het pad maakte een bocht en onverwacht stond Liesbet voor een boomstam, die haar de weg versperde. De stam lag dwars over het pad en rustte links en rechts in twee stevige gaffels.

Liesbet fronste de wenkbrauwen. Even aarzelde zij, maar toen stak zij de hand uit om de boomstam uit de gaffel te lichten. Op het moment dat zij het vochtige hout aanraakte voer een rilling door haar heen en met een kleine kreet trok ze haar hand terug. De stam voelde zo koud, glad en glibberig aan, dat het haar afschrikte, maar even later haalde zij de schouders op en pakte de stam weer beet. Even snel liet zij hem weer los, terwijl iets van afgrijzen over haar gezicht vloog. Zo moest het gladde koude lichaam van een slang aanvoelen, dacht zij. Bah, wat een gevoel. Wie weet hoelang dat ding hier al had liggen verteren. Nee, ze zou er maar onderdoor kruipen. Ze bukte zich en dook onder de slagboom door.

Toen ze aan de andere kant stond, overviel haar een vreemd gevoel van onbehagen. Was het pad tot dusverre helemaal niet mooi of aantrekkelijk geweest, nu maakte het een bepaald dreigende en onheilspellende indruk op haar. Even overwoog zij terug te keren, maar toen overwon zij haar tegenzin en liep verder.

‘Waanzin om terug te gaan’, dacht zij, ‘ergens moet ik toch uitkomen!’

Ergens ja, maar wáár?

‘Ik schiet er niets mee op’, dacht zij hardop, ‘als ik me dat hier blijf afvragen. Ik kan beter doorlopen, nu ik toch eenmaal zover ben’. En verder ging ze in stevig marstempo.

Na een poos merkte zij, dat het kreupelhout aan haar linkerkant dunner werd, de struiken stonden minder dicht op elkaar. Ze kon er zelfs gedeeltelijk doorheen kijken. Een schemerig grijs licht aarzelde door de takken. Weldra zag zij, dat het maar tot een bepaalde hoogte licht was en waar het licht overging in duisternis was een dichte donkere streep.

Nauwlettend keek ze toe. Het leek wel alsof daarginds een muur liep, een tamelijk hoge stenen muur. Daar moest zij meer van weten. Ze wrong zich door het kreupelhout in de richting van de donkere streep.

Hoewel het zo gemakkelijk leek, kostte het haar toch nog bijzonder veel moeite door de takken heen te wringen. Het leken wel sterke armen met grijphanden, die haar koste wat kost tegen wilden houden.

Eindelijk had zij toch haar doel bereikt. Ze stond er nu vlak voor.

Het was inderdaad een muur, grauw, grijs en vochtig groen overwaasd. Ze rook de zure lucht van de natte stenen. Wat zou er achter liggen? Eroverheen kijken kon Liesbet niet, daarvoor was de muur te hoog en de glibberige stenen boden nergens houvast. Er bleef haar niets anders over dan maar weer verder te lopen, ditmaal er langs.

Voorzichtig, om niet te vallen over de vele wortels en boomstronken, ging zij verder. Er scheen geen einde aan te komen. Het zat haar vandaag wel tegen. Hoelang ze voort sjokte langs de vieze stinkende muur wist zij niet meer, maar opeens zag zij dat de stenen lager waren dan eerst… óf het pad lag hoger…

Met nieuwe moed ging zij verder. Misschien werd de muur nu wel gauw zo laag, dat zij eroverheen kon kijken en zien wat er achter lag.

Hoe verder ze ging, des te groter werd haar hoop: de muur wérd lager. Het pad werd ook weer lager, maar Liesbet zag dat het alleen een soort kuil was waar zij doorheen moest. Als ze de kuil uit was, zou ze er beslist overheen kunnen zien, daar was hij op zijn laagst en hield op voor zover zij het kon zien. Het afdalen in de kuil viel niet mee, de grond onder haar voeten was glad en nat. Eruit klauteren was nog zwaarder. Een paar maal gleed Liesbet terug en slechts het vlugge grijpen van een laaghangende tak redde haar van een val in de modder.

Maar eindelijk was zij er dan toch uit en kon ze een blik: werpen over de muur, die niet zoals zij gedacht had ophield, maar scherp naar links boog.

Ze liep er heen en keek.

Voor haar ogen vertoonden zich onafzienbare rijen grafzerken, verweerd, oud, gescheurd en scheef, sommige omgevallen en alle tot op de helft begraven onder dichte bergen dode bladeren.

Door de bomen viel een vaag trillend licht, dat over de zerken siepelde, maar het was zo onwezenlijk, dat het eerder leek of een witte damp van de aarde opsteeg. Doodstil was het, geen blad bewoog. Niets was er dan stilte, absolute, volledige stilte.

Een kil gevoel van afgrijzen begon langzaam langs Liesbets ruggegraat omhoog te kruipen.

Onbewust verzette zij zich ertegen. Dit was een kerkhof, een doodgewoon kerkhof. Liesbet huiverde. Nog nooit had zij zoiets verlatens, zoiets sombers, ja, zoiets onheilspellends gezien, als dit kerkhof.

Zich vermannend boog Liesbet verder over de muur. Nauwlettend keek ze naar de grafstenen, die vlak onder haar stonden. Er was iets vreemds aan die stille grafzerken en ineens wist Liesbet het… ze stonden omgekeerd. Ze stonden met de rug naar ‘het graf toe, de terpen bevonden zich áchter de stenen inplaats van ervóór.

De verweerde, gescheurde zerken stonden vol gegrift met vreemde, onleesbare letters en tekens.

Was het de koude van de vochtige muur, die door Liesbets kleren heen drong? Of was het iets anders, dat haar deed huiveren?

Een rilling ging door haar heen, ze wilde zich losrukken van het sombere toneel voor haar, maar ze kon het niet. Haar ogen zaten als vastgezogen aan de verweerde groen uitgeslagen zerken.

De stilte was zo intens, dat ze haar eigen ademhaling hoorde als luid gehijg.

Ze wilde wég, weg, weg: maar ze bleef staan als was zij zelf een zerk en ze staarde, stáárde naar de stenen. Een radeloze angst, waarvoor zij geen reden wist, begon zich van haar meester te maken en plotseling zag zij voor haar ontstelde ogen één van de grootste zerken bewegen.

Hij begon langzaam, heel langzaam voorover te hellen. Liesbet drukte haar handen tegen haar mond om een gil te smoren, die uit haar keel omhoogwelde. Met een akelig ritselend geluid van dode bladeren viel de zware steen om.

Toen gilde Liesbet toch, ze gilde rauw en luid, ze draaide zich om en zette het op een lopen.

Ze rende als een bezetene. Takken sloegen haar in het gezicht, doorns reten haar handen open.

Struikelend en vallend rende zij voort, ieder gevoel van tijd en richting verliezend, als waanzinnig geworden, tot zij van uitputting niet meer kon en neerzakte op het mos tegen de stam van een dikke boom, waar zij hijgend bleef zitten.

Een duizeling beving haar en zachtjes gleed zij onderuit op de grond.

Toen ze weer tot zichzelf kwam, wist ze de eerste ogenblikken niet waar ze was en wat er gebeurd was. Toen het tot haar doordrong dat zij, de onverwoestbare, de sterke Liesbet, flauwgevallen was als een overspannen schoolmeisje, steeg een allesoverheersende verwondering in haar omhoog. Voorzichtig richtte zij zich op en zij bekeek met afgrijzen de rottende vegetatie, waarin zij lag. Ze krabbelde overeind en sloeg het vuil van haar kleren.

Rondom haar was de groenig. grijze schemer van het woud. Ze begon het pad af te lopen, maar ze ging zonder haar gewone kordaatheid.

.Een blik op, haar horloge vertelde haar, dat het drie uur was. In stomme verwondering bracht zij bet naar haar oor, maar het tikte regelmatig. Hoe was dat mogelijk? Ze moest uren gelopen hebben en uren bewusteloos geweest zijn, liggend op dat vieze stinkende pad.

Voor het eerst in haar resolute, geordende leven begon zich iets van paniek van haar meester te maken.

Ze moest hieruit zien te komen en wel heel gauw.

Ze was van links gekomen, dus links ging ze terug.

Ze liep en liep en aan het pad kwam geen einde. Haar horloge wees halfvier. Zo lang had ze toch niet gelopen vanaf de slagboom tot aan het kerkhof, of had dat maar zo geleken? Ze moest die over de weg liggende boomstam nu toch al bijna kunnen zien. Die moest nu toch elk moment voor haar opdoemen. Maar ze liep en liep en geen boomstam versperde de weg.

Toen het halfvijf was op haar horloge, wist zij dat ze verdwaald was. Verdwaald, op één enkel recht pad! Een pad dat door een ondoordringbare wildernis van struikgewas liep. Het kón eenvoudig niet. Ergens moest dat vervloekte pad toch weer uit het bos komen.

Ze moest verder gaan, terugkeren had geen zin.

Honger en dorst begonnen haar te kwellen, maar dit was niets vergeleken bij de heimelijke vrees in haar hart, dat ze de uitweg uit dit afschuwelijke bos niet zou vinden vóór de nacht viel. Die gedachte joeg haar op, tot ze bijna rende. Haar hart sloeg als een bezetene, haar adem floot over haar droge gebarsten lippen; ze was een volslagen uitputting nabij; maar voort joeg ze, voort…

Zes uur wees haar horloge, ze kon niet meer. Ze moest even rusten.

Bevend liet zij zich neerzakken aan de voet van een grote boom. Ze sloot de ogen en leunde met het hoofd tegen de stam. Ze voelde hoe de slaap over haar kwam. Ze probeerde nog zich ertegen te verzetten – tevergeefs. Haar hoofd gleed langzaam langs het groene natte hout van de boom en voor de tweede maal die dag lag zij uitgestrekt in de rottende vegetatie van het bos.

Toen ze met een schok wakker werd, heerste er om haar heen slechts duisternis, volledige, angstwekkende duisternis. Nu stond haar niets anders meer te doen dan de hele verdere nacht te blijven zitten.

Bij die onverkwikkelijke gedachte kwam iets van het flinke zelfbewuste terug in haar. Blijven zitten? Dat was toch te erg. Ze zou best kunnen proberen voorzichtig vooruit te lopen. Als ze één arm uitstrekte, kon ze de struiken naast zich voelen. Alles was beter dan hier te blijven zitten. Ze was stijf en koud en haar kleren waren vochtig geworden. Een duffe lucht rees uit de rottende bladeren op en prikkelde in haar neus. Dit was voldoende om haar weer omhoog te helpen en voorzichtig begon zij te lopen.

Of het nu kwam doordat haar ogen aan het duister begonnen te wennen, of dat er misschien toch iets van het maanlicht door het dichte lover siepelde wist ze niet, maar langzaam aan kon ze het pad voor zich flauw onderscheiden. Ze zag het nu zo duidelijk, dat zij haar hand niet meer uitgestrekt behoefde te houden om de struiken naast zich te voelen. Ze kon zelfs vlugger gaan lopen.

Hoe langer ze liep, des te duidelijker zag zij het pad. Toen zag zij heel in de verte voor zich uit een flauw lichtschijnsel. Verheugd versnelde zij haar pas. Daar scheen dan toch eindelijk een einde te komen aan die ellendige groene tunnel van kreupelhout.

Naarmate zij vorderde, werd de lichte plek groter en sterker.

Zonder dat zij wist waarom ging zij langzamer lopen. Het was net alsof zij niet meer zo opgelucht was. Er was iets met dat licht… iets vreemds. Nauwkeuriger keek zij. Vreemd, het zou wel verbeelding van haar zijn, maar het leek net alsof het pad dat licht afstraalde. Of het fluoresceerde.

‘Onzin’, zei ze tot zichzelf, ‘dat bestaat gewoonweg niet’, en ze ging verder.

Ze kwam nu dichter en dichter bij de lichte plek. Toen ze zo dicht genaderd was, dat ze hem duidelijk zien kon, stond ze stil. Een afgrijselijk wurgend gevoel kroop in haar omhoog. Vol ontzetting staarde zij voor zich uit. Daar, vóór haar, lag de gescheurde stenen muur van het kerkhof! Nee, dat kón niet, dat was eenvoudig onmogelijk, en toch…

Voetje voor voetje ging Liesbet verder.

Het was de muur. Daar was geen twijfel aan. Razendsnel werkten haar hersens. Dat betekende dat het pad in een cirkel liep. Maar ze was van links gekomen en daar was die slagboom geweest. Maar links was ze weer teruggekeerd, dat wist ze heel zeker; en ze had die slagboom niet meer gevonden. En nu was zij weer bij dat ellendige kerkhof.

Groenig lichtend lag de muur voor haar. Wat voor aanblik zouden de graven nu bieden?

Nieuwsgierigheid kroop in haar omhoog. Buiten haar wil begonnen Liesbets voeten haar erheen te dragen. Ze kon een kreet nauwelijks onderdrukken. Maar ze wilde naar die muur. Ze wilde per se een blik werpen op dat lugubere verlaten kerkhof! Voorzichtig ging zij voorwaarts. Daar was de muur. Ze keek erover.

Voor haar lag het sombere kerkhof met de verweerde zerken. Er heerste een macabere stilte, een stilte die verwachting inhield, dreigend, dodelijk. Het geheel zag er uit als een toneel waarop straks een drama opgevoerd zou worden. Liesbet stond daar, slikte ‘krampachtig en wachtte.

Er bewoog iets… iets zwarts.

Bij een der voorste zerken stond de gestalte van een man in een wijde zwarte cape. Als uit het niets gekomen stond hij daar. Hij stond met de rug naar Liesbet toe, want zij kon zijn gezicht niet zien.

Langzaam draaide de zwarte figuur zich om en keek Liesbet aan. Een kreet stolde op haar lippen. Een verweerde groenige doodskop grijnsde haar aan. Lange witte botten staken uit de cape en kwamen er onderuit. De cape gleed op de grond en onthulde de wit gebleekte bottten van een skelet, waarop de maan een afgrijselijke glans legde.

De gedaante stond even stil, spreidde de armen uit en hief zijn afschuwelijk doodshoofd op.

Voor Liesbets ontstelde ogen begon zich langzaam een verandering te voltrekken. Trage bladeren vielen van de bomen en hechtten zich aan de uitgestrekte armen. Blad na blad viel en bedekte het skelet met een donkere laag, die zich vasthechtte en vergroeide met de naakte botten, als vlees werd, dat rozerood opkleurde en leefde, lééfde! En over dit lichaam vormde zich een fluwelig donker wambuis en een smalle kuitbroek.

Verstard keek Liesbet toe. De bladeren hadden opgehouden te vallen en voor haar stond de gestalte van een man. Hij liet de uitgestrekte armen zakken en begon in de richting van de muur te lopen. Liesbet zag hem komen. Ze wilde gillen, wegrennen, maar ze kon niet. Ze zat als vastgezogen aan de koude, schimmelige muur.

Vlak voor haar bleef hij staan en ze keek in zijn gelaat. Voor haar stond een knappe donkerogige man, die tegen haar glimlachte, haar zijn gelijke witte tanden tonend.

Een huivering voer door Liesbet heen. Had ze zich het voorafgaande dan allemaal maar verbeeld? Dit, dit kon niet waar zijn. Zeker had zij hallucinaties van uitputting en honger.

De vreemde man stak haar een hand toe en zei:

‘Mag ik u over de muur heen helpen? Nu u de moeite genomen heeft hier te komen, zou het jammer zijn door een muur te worden tegengehouden’.

Liesbet aarzelde.

De man kwam dichterbij.

Toen maakte zo’n doodsangst zich van Liesbet meester, dat zij het uitschreeuwde – een lange, gillende .kreet, die eindigde in een zwak gereutel.

De man legde zijn handen op haar armen en als woog zij niet, zo gemakkelijk tilde hij haar over muur. Ze stond nu tegenover hem, trillend en schier bezwijmend. De man was groot, zij reikte nog niet tot aan zijn schouders. Hij zag op haar neer.

‘Van zover ben je gekomen om mij te bezoeken, mijn schone kind, en zo weinig heb ik om je te bieden. Maar één ding kan ik je geven. Ik zal je een kus geven, zodat je deze nacht nimmer meer vergeet’.

Als verlamd lag Liesbet in zijn armen, lag ze tegen zijn brede borst. Ze voelde de warmte van zijn lichaam. Zijn gelaat was vlak bij het hare. Zijn ogen leken gloeiende bollen groen vuur.

Ze boorden zich diep in de hare. Zijn mond, goed gevormd, met smalle, bijna wrede lippen, naderde de hare. Ze rook een vreemde geur van rottende bladeren en groen vochtig hout. Toen kuste hij haar – een kus, die haar de adem benam.

Hij lachte zachtjes.

‘Mijn lief, beken het maar… Zó ben je nog nooit gekust, nietwaar? Zou je niet hier willen blijven bij mij, altijd en altijd? Ik zou je liefhebben en aan mijn borst drukken, je zou mijn koningin zijn’.

Op dat moment leek -het kerkhof geheel gevuld met schimachtige wezens en skeletten waarop de bladeren van de oude bomen neervielen, zioh aan hen vastzuigend, hun gestalte gevend…

lichamen, gezichten, ogen en monden.

Liesbet gilde het uit. Ze plantte allebei haar handen stevig tegen de borst van de haar omarmende gestalte, proberend hem van zich af te duwen, maar hij trok haar vaster tegen zich aan, haar omvattend met een dodelijke greep.

Door zijn glanzende huid zag ze het afschuwelijke doodshoofd. Ze zag de holle kassen, die de glinsterende groene ogen tot woning dienden. Ze zag de afschuwelijke verstarde doodsgrijns achter die schoon gewelfde mond en ze gilde… gilde…

Weer probeerde hij haar te kussen, haar meesleurend naar omlaag, naar de gebarsten stenen zerken. Wanhopig vocht Liesbet, hem slaand en krabbend waar ze kon. Vlakbij was zijn gelaat en met een wanhopige snelle beweging zette zij haar tanden in zijn gladde wang. Een bijna dierlijke kreet kwam over zijn lippen. Zij hield vast en een stuk scheurde uit zijn gezicht. Er kwam geen bloed. In haar mond proefde Liesbet slechts dode rottende bladeren. Waanzin straalde uit haar ogen, ze vocht voor haar leven. De haar omklemmende gestalte wankelde.

Beide stortten op de grond, tegen de zerk, die langzaam vooroverhelde en omviel. Op hetzelfde moment liet het wezen haar los. Het sloeg zijn handen voor zijn geschonden gelaat en jammerde luid. Voor haar ogen zag Liesbet dat de bladeren, die zich eerst aan hem hadden gehecht, één voor één van hem afvielen tot hij daar stond als een naakte kale boom. Ze zag het vlees verdwijnen van zijn gezicht. Ze zag de afgrijselijke doodskop buigen en hoorde hem met een doffe plof in de bladeren vallen. Heel het skelet scheen in elkaar te schrompelen, te verdwijnen in het niets, op te gaan in de rottende vegetatie waaruit het was voortgekomen.

Toen merkte Liesbet dat de bladeren van de boom waaronder zij stond langzaam begonnen te vallen en dat zij zich aan haar hechtten. Gillend sloeg zij ze weg, van haar kleren, haar armen en benen; maar altijd weer kwamen er meer, meer… Ze begon te rennen, gillend en slaand naar de noodlottig neervallende bladeren. Wild stortte zij zich tegen de muur en probeerde eroverheen te klimmen, maar de glibberige stenen boden haar geen houvast. Natte dode bladeren bedekten haar handen en vingers. Ze begon langs de muur te rennen, maar nergens bood die enige kans erover te klimmen. En almaar door regende het bladeren op haar neer, die haar slanke gestalte veranderden in een wonderlijk dik waggelend wezen, dat ronddraaide en wartaal uitsloeg. De bladeren kleefden nu in zo groten getale aan haar, dat zij slechts moeizaam vooruitkwam. Ze strompelde voort, struikelend, half vallend.

Uiteindelijk zeeg zij neer bij een pas omgevallen zerk. Zij zakte een eind weg in de laag bladeren.

Toen zagen haar ogen de grijnzende doodskop vlak bij haar gezicht en de uitgestrekte skeletarmen als gereed haar te omvatten. Zij hechtten zich aan haar zoals de bladeren dat hadden gedaan, haar verstikkend en wurgend. En er waren nog meer bladeren die vielen, steeds maar weer vielen, zodat er niets meer over was dan één grote hoop dode bladeren, één hoop rottende vegetatie…

Het was begin december toen mijn geest mij het laatste verhaal van dit boek vertelde. Het zonk niet zo diep in mij weg als de andere gedaan hadden, het bleef maar aan de oppervlakte, koud en grillig als opwaaiende dode bladeren.

‘Waarom was je zo vaag vanavond?’ vroeg ik.

‘Dat komt door het Licht’, antwoordde mijn geest. ‘Het Licht trekt om deze tijd van het jaar.

Kerstmis is het feest van het Licht, dat weet je toch wel? En dat Licht overstemt al het andere.

Dat straalt zó sterk en helder, dat wij ons er wel heen móeten keren. Ook wij hunkeren naar het Licht, weet je; hoe dieper het duister is waarin je bent, des te groter is de hunkering naar het Licht’.

‘Blijf je lang weg?’

‘Wat is lang…? Ik meet mijn tijd niet zoals jij’.

‘Ik zal je missen’.

‘0, ik kom heus wel terug… ééns’.

Toen verliet mijn verteller mijn huis om terug te keren naar, zoals hij gezegd had, zijn wereld, naar de wijde verte met de woeste heide, de ruige heuvels en de schimmige moerassen waar de dwaallichtjes zweven in hun eeuwige cadans en waar in de lange nachten de verhalen opstijgen, ijl als de nevel – de verhalen die mij zo dierbaar zijn. En ik kan alleen maar wachten tot hij zijn belofte gestand doet en terugkeert om ze mij te vertellen.


Paarse papavers

Wijd en golvend is het landschap van Toscane, de kleuren van lichtgeel overgaand in oker en bruin. Verrassende tinten groen, die in elkaar vloeien als op een aquarel, hier en daar de bijna zwarte cypressen onverschillig verspreid, als had de Schepper van dit alles ze zorgeloos laten vallen toen Hij dit land tot leven wekte. In dit alles de felle gloed van de papaver, de bloedrode papaver. Nergens op de wereld zijn ze zo rood en zo talrijk als in Toscane. Over dit alles de koepel van strak azuren blauw, de van hitte trillende lucht, die de einder raakt.

Simone Dubonnet had dit land altijd liefgehad: Veel van haar vakanties had zij er doorgebracht in Volterra, op de rotsen geklemd als het nest van de adelaar.

De stille eenzaamheid van het ruige heuvelland had haar bekoord. Haar leven was niet gemakkelijk geweest, teleurstellingen en ontgoochelingen hadden haar gemaakt tot een teruggetrokken, eenzelvige vrouw. Toen zij als laatste slag haar enige zoon verloor, wilde zij niet langer blijven in het land waar zij alleen maar verdriet had gekend. Zij herinnerde zich Toscane en besloot daar de rest van haar leven door te brengen. Zij wilde er een eigen huis kopen en het nooit meer verlaten.

En zo reed zij op een juni-namiddag in haar kleine auto langs de slingerende wegen van Toscane en riepen de eeuwig bloeiende papavers haar een welkom toe.

Het was warm in de wagen. De zon brandde op de voorruit. Waarom zou ze hier eigenlijk niet even stoppen? Een groepje cypressen bood aanlokkelijke schaduwen en het uitzicht was prachtig.

Even later zat zij onder de blauwgroene bomen. Rondom haar was het gras bezaaid met bloemen en wuivende graspluimen. Dor en droog was het land, maar toch groeide en bloeide er een overdaad van geurig kruid. Nietige bloempjes verbaasden haar met hun veelzijdige vorm en kleur. Insecten gonsden af en aan en vlak bij haar voet ritselde een vlugge hagedis.

Zijn spitse groene bekje hoog opgericht zat hij daar, zijn zwarte kraalogen keken haar monter aan. Dat zij zich niet bewoog scheen hem gerust te stellen, want hij vluchtte niet weg. Haar strak in het oog houdend bleef hij zitten, zich behaaglijk koesterend in de warme zon.

De hele sfeer ademde vrede en rust, die als een streling was voor haar vermoeide geest. Haar ogen werden zwaar. Een zachte bries ademde door de cypressen en zong haar een vreemde melodie. ‘Als de beroemde slaperige prelude van Debussy’ dacht zij nog.

Door haar wimpers zag ze vaag de hemel en in het gouden licht danste lichtvoetig een kleine bronzen faun. Met een glimlach op de lippen viel zij in slaap.

Uren later, toen een vage schemering traag kwam aangolven over de velden, ontwaakte zij.

Ze realiseerde zich, dat hoe prettig het hier ook was, zij toch verder moest. Ze stond op en ging weer achter het stuur zitten. Verder ging het langs schier eindeloze wegen, die zich door het landschap kronkelden.

En toen liet de motor het afweten. Hij sputterde nog wat, de wagen schokte en stond stil. Wat Simone ook probeerde, er was geen beweging meer in te krijgen. Ze was hopeloos gestrand en nergens in de omtrek een huis te bekennen. Of toch?

Ze stond vlak bij een smal pad, dat tamelijk steil omhoog liep en hogerop, daar stond toch iets, een of ander gebouw, dat zich in de steeds dichter wordende schemering verloor.

Misschien woonde daar iemand. Ze kon het in ieder geval proberen. Het vooruitzicht de nacht in haar auto te moeten doorbrengen lokte haar niet zo erg aan.

Zodra zij het pad betreden had, overviel haar een vreemd gevoel, waarvoor zij geen verklaring wist, iets van verwachting, een lichte opwinding.

Toen zij een poosje gelopen had werd de weg breder en liep tussen struiken door, maar de randen waren als omzoomd met zacht wiegelende papavers en voor het te donker werd om het goed te zien, zag zij dat deze bloemen anders waren. Ze waren niet rood zoals de anderen, maar van een diep paarse kleur met een zwart-fluwelen hart. Ze hield de adem in. Ze waren van zo’n onvergelijkelijke schoonheid en lieflijk als een droom. Met een gevoel als zweefde zij, ging zij langs hen en het scheen als waren er meer, steeds meer in dichte rijen: de bloemen neigend als in welkom.

Het was bijna donker toen zij een ijzeren hek bereikte. Het was hoog en puntig en gesloten.

Ze probeerde de klink tevergeefs.

Een koele ronde maan scheen uit het niets tevoorschijn te komen en toverde een zilveren licht op de bloemen en dat wat zich achter het hek bevond: een klein kasteel.

Simone drukte haar gezicht tegen de spijlen en keek of er ook licht brandde, maar de vensters waren donker. Moedeloos wilde zij weer terug gaan, toen ze een ijzeren handgreep zag aan een lange ketting. Bovenaan zat een bel. Ze kon het proberen. Het viel niet mee, zeker was er in lang geen gebruik van gemaakt. Stroef bewoog de handgreep in de ring, maar eindelijk luidde de bel; heldere klare tonen, die weggolfd en over het land.

Bijna direkt daarna hoorde Simone voetstappen. Er kwam iemand het pad af, een slanke rijzige gestalte in een zilverkleurig kleed. Dichterbij kwam ze tot bij het hek. Simone zag een jonge vrouw, een meisje nog bijna, met een bleek ovaal gelaat omlijst door matblond haar.

Ze lachte tegen Simone.

‘Ik heb pech met mijn auto, zou ik hier misschien kunnen overnachten? Mijn naam is Simone Dubonnet.’

Het meisje knikte.

‘Komt u maar mee. Ik heet Salina, uw gezelschap is ons welkom. We leven hier erg eenzaam, mijn broer Pietro en ik. Ze had een zachte lage stem, die klonk als een streling. Salina opende het hek en samen liepen ze verder, de twee vrouwen. Simone niet meer zo jong, getekend door het leven en de jonge vrouw die zo lichtvoetig ging, dat zij met het maanlicht scheen te vervloeien.

‘Ons huis is oud, maar we zullen het u zo gerieflijk mogelijk maken’ zei Salina en opende de deur.

Ze kwamen in de hal, waar in een hoge luchter tientallen kaarsen brandden. Een stenen trap verloor zich in de duisternis, die boven hen koepelde. Het flakkerend kaarslicht toverde grillige figuren op de glanzende bruinhouten deur waar Salina heen liep. Ze stiet haar open en zei: ‘Pietro, we hebben bezoek.’

Simone zag het mooiste, gezelligste vertrek wat zij ooit had gezien. Er lag een warm rood tapijt en er stonden glanzende oude meubels van bruin hout. Lampen met tientallen tinkelende kristallen hingen en stonden overal. Wanden met boeken en prachtige schilderijen, een groot open haardvuur waarin de houtblokken lustig knetterden. Een hoge eiken schouw, waarop tin en koper het licht vingen.

Lees dit ook eens:  In een durp ver weg...

Voor het vuur stond een groen marmeren tafel met vergulde poten en erop een schaal gevuld met diep paarse papavers. Een wonderlijke ontroering kwam over Simone.

Uit een stoel bij het vuur rees een slanke jongeman op. Het levend evenbeeld van zijn zuster.

‘Pietro, dit is Simone, ik màg toch Simone zeggen? Ze heeft pech met de auto en ze blijft bij ons.’

Een stralende lach deed zijn lippen vaneen gaan en toonde zijn sterke witte tanden. De ogen, groot, donker, en met iets van droefheid erin, keken haar vriendelijk aan.

Hij stak haar zijn hand toe.

‘Wees welkom.’

En Simone voelde zich welkom. Er straalde zo’n rust en goedheid van beiden uit, dat zij het liefst had geweend, omdat zij zich zo vreemd gelukkig voelde; als was zij thuisgekomen, na lange, te lange omzwervingen.

Even later zat ze bij het haardvuur en praatte met Pietro over boeken en kunst en Salina bracht haar een bord met koud vlees en brood en een karaf amberkleurige zoet smakende wijn, die heerlijk fris en dorstlessend was.

‘Je moet ons maar excuseren’ zei ze, ‘we hebben geen bedienden hier, we doen alles zelf. Ik zal je straks je kamer wijzen. Ik hoop dat je er prettig rusten zult. Slaap morgen maar lekker uit. Je kunt gerust nog wat blijven als je er zin in hebt. We hebben zo zelden gasten hier, dat wij er wel zuinig op moeten zijn wanneer er een is.’

Later, toen Simone alleen was in haar kamer, omringd door de tekenen van Salina’s zorgzaamheid, bevreemdde het haar dat twee zulke aangename, sympathieke mensen als Salina en Pietro zo weinig bezoekers zouden hebben. Maar toen zij tussen de koele, naar lavendel geurende lakens lag in Salina’s simpel batisten nachthemd dacht zij er niet meer aan.

Zij voelde zich eenvoudigweg gelukkig en wonderlijk veilig in dit huis en eer zij insliep zagen haar ogen weer dat stralende gouden licht, dat zij die middag ook al gezien had en hoorde zij de zachte, dromerige muziek en danste de kleine bronzen faun in zijn overmoedige naaktheid.

De volgende ochtend ontwaakte zij verkwikt en met hetzelfde geluksgevoel waarmee zij was ingeslapen. Door haar venster keek zij uit over de golvende velden van Toscane, de donkere cypressen en de verbijsterende schoonheid van de paarse papavers, die elkander schenen te verdringen langs het pad en om het kasteel, in roekeloze overdaad. Ontroering vulde haar hart en ze wist niet waarom.

Zo veel serene schoonheid; zo veel verheven rust.

Die dag vertrok zij niet. Ze bleef op verzoek van Salina en Pietro, die kinderlijk verheugd waren dat zij blijven wilde. En de dag groeide uit tot dagen in dit stille huis, met zijn verdroomde sfeer, waar de tijd scheen stil te staan.

Ze hielp Salina met de maaltijden en hield lange ernstige gesprekken met Pietro.

Ze wandelden gedrieën over de heuvels, zaten in de vroege zon en luierden in de schaduw.

Ze plukten boeketten van de paarse bloemen om er het huis mee te sieren. In luttele dagen waren de bloemen Simone dierbaar geworden.

‘Overal zijn ze mooi, maar hier, hier zijn ze heel bijzonder van kleur. Nooit zag ik bloemen schoner dan deze.’

Salina keek haar ernstig aan, haar donkere ogen keken droef toen ze zei:

‘Ze hebben lief, deze bloemen, en daarom rouwen ze om ons.’ Verwonderd keek Simone haar aan, maar er lag zo’n wonderlijk waas over Salina’s teer gelaat, dat zij het niet waagde te spreken. Het was als werd zij even maar heel licht beroerd door iets waar zij geen deel aan had, maar wat tastbaar aanwezig was. Een wereld buiten de hare, die zij moest eerbiedigen; dus zweeg zij.

Soms gewaagde zij ervan dat het tijd werd om te vertrekken, maar Salina en Pietro wilden hier niet van horen.

‘Laat mij dan in de kosten bij mogen dragen’ pleitte Simone, maar ook hiervan wilden de twee niets weten.

‘Maar jullie zegt zelf dat je niet rijk bent, laat mij dan mijn deel mogen vergoeden.’ Maar zij wezen het af.

De dagen regen zich aaneen en nog altijd was Simone op het kasteel en zij was er zo gelukkig, dat zij zichzelf bekennen moest, dat zij eigenlijk helemaal niet weg wilde. Ze wilde blijven, hier, waar ze voor het eerst in haar leven rust en geluk gevonden had; waar zij zich thuis voelde.

Op een avond, toen zij bij het vuur zaten, begon zij er over. Pietro lachte en zei:

‘We hoopten dat je erover zou beginnen en we zeggen ja. We vinden het heerlijk dat je bij ons wilt blijven. Je hebt verteld dat je in Toscane een huis wilt kopen, koop het onze; je zult het niet duur vinden.’

‘Jullie huis…, maar Salina en jij dan?’ Salina knikte.

‘Wij willen dat jij ons huis koopt. We willen dat jij het hebt. Het zou onverdraaglijk zijn voor ons als iemand anders het in bezit kreeg, iemand, die niet van het huis zou houden. Het hoort bij jou, Simone, zoals jij bij het huis hoort. Als jij het niet koopt, dan zal het ons afgenomen worden. Je weet, wij hebben geen geld en we kunnen het niet langer aanhouden. Het zal verkocht worden en wij moeten het verlaten, maar als jij het bezit zal dat minder erg zijn, dan is het in goede handen. Wij zullen rust hebben. Jij zult ons niet verjagen. Onze herinneringen zullen de jouwe zijn Simone, denk er eens over na.’

‘Goed, ik zal er over denken. Jullie zijn me zo dierbaar, als waren jullie mijn eigen kinderen.

Het is of ik je altijd heb gekend; je bent een deel van mijn leven geworden, een deel, dat ik niet meer missen kan.’

Salina boog zich over haar heen en drukte haar zachte wang vederlicht tegen Simone’s gezicht. Haar warme stem trilde toen ze zei: ‘Eens, Simone, zal je weten hoe dankbaar wij je zijn.’

Simone kuste haar zachtjes: ‘Dank is niet nodig kind, je genegenheid is al beloning genoeg.

We hebben alle tijd. Ik zal er ernstig over denken als ik jullie er zo’n plezier mee doe.

Morgen wil ik naar Volterra. Ik had beloofd mij met mijn bankier in verbinding te stellen als ik een vaste verblijfplaats gevonden had. Dat moet ik eerst in orde maken.’

De volgende ochtend wandelde Simone het pad af naar de weg.

Pietro vergezelde haar. Er was niets aan de hand met haar wagentje had hij haar al eerder verteld, benzine op, en hier had hij inmiddels iets aan gedaan.

De auto stond in de schaduw van een struik. Simone stapte in.

Tussen de papavers stond Pietro. Met één hand beschutte hij zijn ogen.

‘Kom gauw terug’ zei hij.

Ze knikte en wuifde naar hem. Was het de ontroering die een waas voor haar ogen bracht, of was het de trillende hitte van de zon dat zij hem niet duidelijk zag? Het hele landschap scheen te glijden en te golven. Ze wreef met de hand over haar ogen, schudde even met het hoofd, maar het hele beeld bleef vreemd onduidelijk.

Ze reed weg en toen ze omkeek, zag ze het glooiende landschap met de schat van paarse papavers en een wazig onduidelijke figuur: Pietro. Nog eens wuifde zij.

In Volterra waren de zaken spoedig afgedaan.

Welgemoed reed zij terug naar huis en haar vrienden, de golvende velden met de paarse papavers.

De weg was lang en heet, er scheen geen einde aan te komen. Hij kwam haar onbekend voor en nergens zag zij een levend wezen.

Weer naderde de schemering en in haar groeide de vrees dat zij verkeerd gereden was. Als zij de weg maar vinden kon eer het helemaal donker was. Ze stapte uit en beklom een kleine heuvel waar ze de omgeving beter kon overzien. Nergens een huis of kasteel te bekennen. In de verte bewoog iets. Talloze kleine stippen, die op en neer deinden als pluizen in de wind.

Een eenzame figuur, die langzaam vooruit kwam; een schaapherder met zijn kudde.

Ze herademde. Als iemand hier de weg wist, dan toch zeker hij, die iedere heuvel in de wijde omtrek kende.

Over de heuvel golfde de kudde op haar toe als een vlokkige, schuimige zee.

De herder was een knappe jongeman met roekeloze donkere ogen en een lachende mond.

Ze groette hem en vertelde dat zij verdwaald was.

‘Ik zoek een kasteeltje’ legde zij hem uit. ‘Daar moet ik zijn. Het staat op een heuvel en er is een weg waar alleen maar paarse papavers bloeien.’

Ze zag hem verbleken onder het bronsbruin van zijn huid. Schichtig keek hij om zich heen.

‘Daar kunt u niet heen gaan’ fluisterde hij, ‘dat is niet goed.’ Verbaasd keek zij hem aan.

‘Niet heen gaan? Waarom niet, ik. . .’

‘Wat moet u daar, zo heel alleen? Kom, gaat u met mij mee. Ik ben wel niet groot behuisd, maar een slaapplaats is er altijd wel en mijn vrouw heeft het maal gereed tegen dat wij komen. Vergeet u dat kasteel liever. Het is bovendien te donker, u zult niets kunnen zien.’

‘Ja maar, dat geeft toch niet, binnen is toch licht?’

‘Komt u nu mee, geloof me, dat kasteel is niets voor u. Daar woont toch niemand, dat staat al jaren leeg. Daar kunt nu niet verblijven.’

‘U moet zich vergissen, het kasteel dat ik bedoel, is bewoond.’

‘Met spoken en geesten, ja.’

‘Nee, heel gewoon, met levende mensen zoals u en ik.’

‘Wie u dat verteld heeft is gek of een slecht grappenmaker. Er is maar één enkel kasteel, daar waar de paarse papavers bloeien en dat staat leeg, niemand wil er wonen mevrouw, omdat het er spookt. Het staat al jaren leeg, geloof me.’

‘Nee, ik geloof u niet! Ik was er, wekenlang en het staat niet leeg. Er wonen mensen, heel aardige mensen. Ik ken ze heel goed en ik ga het huis kopen en er wonen. Komt u maar eens kijken als u me niet gelooft.’

De man keek haar aan, de ogen groot van afgrijzen. ‘U was dáár, binnen, zegt u?’

‘ja.’

‘Maar mevrouw, geloof me toch, er woont niemand. De vorige bezitters zijn dood, allemaal.’

‘Het kan me niet schelen, wijs me de weg, ik ga er naar toe.’

‘Goed mevrouw, maar ga dan tenminste vanavond met mij mee. Morgenochtend vroeg zal ik met u meegaan als u dan niet anders wilt, en dan zult u zien dat ik gelijk heb. Nu kan ik het niet, het is te laat, te donker. Kom mevrouw, kom. Ik kan er niet heen gaan als de nacht valt.

Overdag is dat iets anders.’

Zuchtend gehoorzaamde Simone en volgde de schaapherder. De man had misschien gelijk, het was nu te donker om het kasteel te vinden.

Morgenochtend, als het licht was, dan ging zij naar huis. Een licht blij gevoel sprong op in haar, haar hart zong ‘huis, thuis thuis!’

De volgende morgen was zij al vroeg op. Vol ongeduld wachtte zij op het moment dat de schaapherder haar de weg naar ‘haar’ kasteeltje zou wijzen. Zij zag niet de onrust in zijn blik, noch de meewarige bezorgdheid in de ogen van zijn vrouw.

Zij bedankte hen voor de gastvrijheid en herademde toen zij op weg gingen.

De man was zwijgzaam en zij waardeerde hem hierom. Na een poos wees hij haar een zijweg.

‘Hier afslaan en dan rechtuit, dan komen we vanzelf bij de plaats waar het kasteel staat, daar waar de paarse papaven bloeien.’

Eén moment kwam er twijfel in haar hart. Wat wachtte haar boven in het kasteel?

Eenzaamheid?.. en wat nog meer…?

Zijn woorden hadden zo waar geklonken, zo overtuigend. Zou hij het niet weten, hij, die hier dagelijks door dalen en over de heuvels zwierf, die elk plekje kende als zichzelf! Spoken en geesten…

In gedachten zag zij Salina’s lief gelaat, Pietro’s trouwhartige ogen. De twijfel ebde weg en de blijdschap kwam terug in haar hart.

Het duurde niet lang of zij zag de smalle weg, omzoomd met paarse papavers en bovenop de heuvel het kasteel; háár kasteel.

Ze zette het wagentje aan de kant van de weg, stapte uit en rende het pad af. Haar voeten schenen de grond niet te raken. Blij schalde haar stem:

‘Salina, Pietro, ik ben terug.’

Ze duwde de zware deur open en ging de hal binnen.

Diepe serene stilte daalde op haar neer.

‘Pietro?’

Geen geluid verbrak het zwijgen.

Bevreemd liep zij naar de bruine deur waarachter zij zo menig gelukkig uur had doorgebracht.

Bijna aarzelend duwde zij hem open. Voor haar lag het haarzo vertrouwd geworden vertrek, maar er was niemand; slechts haar eigen gedachten antwoordden haar.

Vlug doorzocht zij de andere vertrekken, geen spoor van Salina en Pietro.

Buiten voor de deur stond de schaapherder en wachtte. Hij zag de twijfel in haar ogen toen zij terugkwam.

Hij stak haar beide handen toe en leidde haar in het zonlicht. Daar op een stenen bank zaten zij een poos zwijgzaam.

Hij was de eerste, die de stilte verbrak.

‘Gelooft u me nu mevrouw. Vertelt u me eens, met wie heeft u hier gewoond; hoe waren de namen?’

‘Salina en Pietro.’

‘Gaat u eens mee’ zei hij zacht.

Hij bracht haar naar een kleine ommuurde tuin, die Simone voordien nog niet had gezien. Hij wees haar op twee groen-overwoekerde grafstenen.

Met zijn gebruinde hand duwde hij de klimplanten opzij.

‘Kijk mevrouw, lees’ zei hij.

In de grauwe, verweerde steen ontwaarde Simone vage letters. Met haar wijsvinger streek zij erover terwijl een floers van tranen haar ogen verduisterde.

‘Salina’ prevelde zij.

‘En hier Pietro mevrouw, op de andere steen.’

Simone knielde neer en ook hier raakte zij de letters aan. Traag druppelden haar tranen op de steen, er kleine donkere vlekken opmakend.

Maar plotseling was het als zag zij één moment het stralend gouden zonlicht, hoorde zij de dromerige melodie en zag in één ondeelbaar ogenblik de kleine bronzen faun.

In haar rees het begrijpen als een stralende ster omhoog.

Twee eenzame zielen die haar gevonden hadden, die vanuit hun wereld hadden gehunkerd naar haar liefde, haar begrip, die bescherming hadden gezocht bij haar voor hun herinneringen, hun rust, hun huis. Medelijden en liefde welden op in haar hart en vervulde het tot het wel naar buiten springen wilde.

‘Niet tevergeefs’ zong het in haar. ‘Niet tevergeefs.’

‘Hier vond ik rust en geluk en dat wil ik delen met jullie. Hier zal ik blijven en zo lang ik leef zal de rust niet verstoord worden en ook daarna zal ik over jullie waken.’

De schaapherder zag haar tranen.

‘Begrijpt u het nu’ vroeg hij zacht.

Ze knikte.

‘Ja, ik begrijp het. Ik ga terug naar Volterra, nu meteen en ik ga dit huis kopen en er wonen.

Ik wil hen nooit meer verlaten. Toen ik bedroefd was en verslagen hebben zij mij getroost.

Waar anders zal ik gaan? Mijn plaats is hier.’

‘U wilt hier blijven wónen?’

‘Ja, ik zal hier wonen en ieder zal het weten, zodat niemand meer angst hoeft te hebben voor schimmen. Er is niets te vrezen hier, geloof mij. Ik, die hier zo lang vertoefde en met hen leefde, ik kan het weten.’

‘U moet een engel zijn, mevrouw, alleen aan hen gaan de verschrikkingen voorbij.’

‘Geen engel, mèns.’

‘God behoede u mevrouw, vaarwel.’

Hij draaide zich om en ging.

Nog lang keek zij hem na tot zijn rijzige gestalte kleiner en kleiner werd. Er was iets van weemoed in haar; een weemoed die zij zelf niet begreep.

Daar ging een mens, een vriend; daar ging de wereld.

En Simone ging terug naar Volterra en kocht het huis, en toen zij terugkeerde in het kasteeltje scheen daar het goude zonlicht en wiegden de paarse papavers in de bries; schoner dan ooit.

Toen zij ’s avonds bij het haardvuur zat voelde zij zich volmaakt gelukkig en het verbaasde haar niets dat zij Pietro op zijn oude plaats zag zitten en zij wist het eer zij het voelde Salina’s zachte wang tegen de hare en die wondere zoete stem die zei:

‘Dank je Simone, O, dank je.’

Een kort persoonlijk nawoord van de schrijfster die via haar onzichtbare verteller de verhalen tot leven brengt…

‘Ik staarde in de vlammen terwijl ik gedachteloos het glanzend diep-zwarte vel streelde van mijn kat, die zich behaaglijk voor het vuur had uitgestrekt.

Achter mij klonk een onderdrukt gegrinnik. Mijn verteller was binnengekomen.

‘Aha, je streelt de kat, het lieve dier. Katten, . . . daar valt me iets in, daa weet ik een mooi verhaal over; een héél mooi verhaal.’

En hij grinnikte weer veelzeggend.

Ik snoof

‘Ja, dàt zal wel, luguber zal je wel bedoelen’ zei ik, maar ik ging vlug zitten om het op te schrijven.


‘Tot ziens, moeder!’

De kleine jongen stond met zijn bruine voetjes stevig op de grond geplant. Hij hield zijn hoofd een beetje schuin er keek naar de vrouw, die voorover in het zand lag, het hoofd verborgen in de buiging van haar armen. Het lange blonde haar lag uitgespreid als een waaier. De jongen vond het mooi. Hij zou het wel aan willen raken. Heel voorzichtig natuurlijk, om haar niet te verschrikken. Hij deed het niet keek alleen en vond dat het dezelfde kleur had als het zand. Je zou je kunnen verbeelden, dat het er helemaal niet was dat het alleen een fijngevormde tekening was in dezelfde kleur. Ook haar gebruinde lichaam kwam die tint zo nabij dat zij er leek te horen, één leek te zijn met het gouden zand. Hoe langer hij naar haar keek, hoe groter zijn verlangen werd, haar aan te raken. Eigenlijk, heel dicht bij haar te zijn zodat hij haar levenswarmte voelen kon. Hij deed het niet hij wist, dat hij wachten moest. Voorzichtig liet hij zich neer zakken. Hij koos de plaats zó, dat zij hem direct moest zien als zij haar hoofd ophief. Hij wachtte geduldig. Hij wist waarom zij hier was en ook, dat haar houding niet die was van een ontspannen rust, doch een van wanhoop.

Hij voelde het verdriet en de verlatenheid, die van haar uitgingen haast lijfelijk en ondervond het als pijn. Zijn kleine handen knepen te saam en zijn lippen drukten zich op elkaar, tot zijn mond een smalle vastberaden streep vormde. Hij was een lange weg gekomen om haar hier te vinden en nu hij haar gevonden had, zou hij over haar waken. Hij wilde haar niet verliezen, nog eer hij de kans had gehad haar te leren kennen.

Hoewel het leek of ze sliep, was dat niet het geval. Ze had haar hoofd verborgen, omdat zij de wereld niet meer wilde zien. Alles, wat het leven haar nog te bieden had, was de moeite niet meer waard. Ze wilde niet langer leven, daarom was ze hierheen gekomen, naar de plaats waar haar leven en haar geluk begonnen waren, om hier voorgoed afscheid te nemen van alles. Ze had de zee altijd liefgehad. Ze had er kracht en bevrijding gevonden. De aanraking met de golven was haar als de liefkozing van een minnaar geweest en het was naar deze minnaar, dat zij terug wilde keren, nu de man, die zij beminde, haar verlaten had.

Voor haar betekende het ’t einde en ze had haar besluit genomen. Ze zou wachten, tot er niemand meer op het strand was. Tot de zon was weggezakt achter de einder. Tot de nacht zich over de aarde had gevlijd. Dan zou zij zich overgeven aan de golven. In een laatste dodelijke omarming zou zij zich geven aan die enige minnaar, die haar nooit verstoten zou, voor eeuwig: de zee.

Ze kon aan niets anders meer denken; zelfs tranen om een verloren geluk vond zij niet meer.

Haar ogen bleven droog. Er is een leed, dat te diep is voor tranen. De late stralen van de zon streelden over haar heen. Straks zou ook dat beetje warmte, wat haar nog restte, verdwenen zijn en haar lichaam zou koud worden. Even koud als haar hart, dat met pijnlijke slagen klopte in haar borst.

Ze lag heel stil, nu waren er zelfs geen gedachten meer, die zij denken kon. Leeg was zij…

volkomen leeg. Toch was er iets veranderd, alleen, zij voelde het nog niet, was zich van niets bewust, nog niet. Doch vaag, heel vaag, begon de verandering op haar in te werken.

Het was, alsof de zonnewarmte toenam, in plaats van af te nemen. Het was een andere warmte dan voorheen, een die allesomvattend was en die doordrong tot diep in de ziel.

Langzaam, zoetjes, o zo zoetjes.

Traag werd Arletta zich die verandering bewust. Aanvankelijk begreep zij het niet. In plaats dat de temperatuur om haar heen killer en onaangenamer werd door de naderende avond, was het of zij omgeven werd door een verwarmende sfeer, die zich om haar vlijde als een mantel. Het verbaasde haar en ze vond het prettig en dat verbaasde haar nog meer. Ze had niet gedacht dat er nog iets kon bestaan wat zij prettig zou kunnen vinden. Ze hief haar hoofd op uit haar armen en sloeg de ogen op. Vóór haar, in de stralen van de ondergaande zon, zat een kleine jongen. De wind speelde liefdevol met zijn glanzend donker haar, dat als een helm om zijn hoofd sloot. Zijn ogen waren licht van kleur en heel helder als de ogen van een leeuw. Gekke gedachte, vond ze. Ze schatte hem een jaar of zes. Onwillekeurig glimlachte ze ‘Hallo,’ zei ze, ‘wie ben jij?’

‘Ik,’ zei hij beslist, ‘ben je zoon.’

Ondanks haar ellende moest zij nu toch lachen.

‘Ik heb helemaal geen kinderen,’ zei ze. Hij knikte.

‘Dat weet ik wel, maar dat betekent nog niet, dat je er geen krijgen zult.’

Jij bent een eigenwijs ventje,’ antwoordde zij. ‘In mijn geval is dat uitgesloten. Omdat je zo eigenwijs bent, te oud voor je leeftijd eigenlijk, wil ik het je wel zeggen. Ik zal nooit kinderen krijgen. De enige man, van wie ik ooit heb gehouden, heeft mij verlaten voor een ander. Dat heeft mijn leven vernield. Ik zal dus nooit kinderen hebben, begrijp je wel. Een kind zoals jij adopteren, daarvoor mis ik de moed. Ik wi helemaal niet verder leven, zie je, zo zit dat.’

Weer knikte hij. ‘Dat weet ik,’ zei hij zacht.

‘Hoe kan jij dat nu weten…’ begon ze en hield op.

Zoals hij daar zat met zijn vroegwijze gezichtje, waarin de ogen zo oud leken als de wereld zelf, leek hij helemaal niet op een kind en vond zij het niet meer zo vreemd en onaanvaardbaar dat hij over volwassen dingen sprak.

‘Hoe heet je?’ vroeg ze, ondanks zichzelf geïnteresseerd. Hij haalde de schouders op. ‘Ik heb geen naam.’

‘Kom nou, je ouders hebben je toch een naam gegeven. Wil je me die niet zeggen? Hoe noemen ze je dan?’

‘Ik heb geen naam en geen ouders,’ hield hij vol. ‘Aangezien jij mijn moeder bent, zal jij me een naam moeten geven.’ Stomverbaasd keek zij naar het kleine vastberaden gezicht. Ze zag dezelfde beslistheid van zijn woorden herhaald in zijn ogen. Jij bent een volhouder, hoor en ik apprecieer het, dat je mij uitgezocht hebt om als moeder te fungeren, maar het zal niet gaan. Ik ben je moeder niet.’ Hij zei niets, keek haar alleen aan met die wonderlijke lichte ogen, die zo oud leken en zo wijs. Amberkleurige ogen, met dansende lichtjes en kleine bruine vlekjes in de iris, gouden ogen. De ogen van een leeuw.

‘Goed dan,’ hoorde zij zichzelf zeggen. ‘Als ik je een naam moet geven, dan zal ik dat doen.

Ik zal je “Leon” noemen, om je ogen, weet je, om je gouden ogen. Maar ik ben niet je moeder.’

De blijdschap, die oplichtte in zijn blik, ontroerde haar. Zijn hele wezen scheen plotseling te stralen en te glanzen, alsof er een licht in hem ontstoken was, dat nu naar buiten trad en haar aanraakte, haar koude hart verwarmde. Naast ontroering voelde zij verwarring en verzet. Zij wilde geen ontroering voelen en zij wilde de warmte, die hij in haar opriep, niet. Ze wilde niet meer gewaar worden van menselijke gevoelens. Ze had gebroken met het leven en met alle gevoel. Ze wilde koud zijn en eenzaam en dood. Daarom zei ze tegen hem: ‘Zo, en nu je een naam hebt, kan je dus gaan. Het is al veel te laat voor een kleine jongen om nog alleen op het strand te zijn. Wees braaf en ga vlug naar huis. Ongetwijfeld zitten ze daar al ongerust op je te wachten. Ik begrijp ze trouwens niet! Wat voor soort mensen zijn dat? Ik zou mijn zoon beslist niet alleen aan het strand laten… als ik een zoon had…’

Hij glimlachte. Vol vertrouwen zag hij naar haar op en pakte haar hand. ‘Als je dat denkt,’

zei hij, ‘dan moet je met me meegaan naar huis. Je hebt zelf gezegd, dat je me niet alleen zou laten en aangezien jij mijn moeder bent…’

‘Ik bén je moeder niet,’ antwoordde zij een beetje kregelig, ‘nou ja, laat maar zitten. Ik verlet niets als ik jou naar huis breng. Tijd is niet belangrijk voor mij, niet meer. Wijs me de weg naar je huis, Leon.’

‘Ik zal je de weg wijzen,’ zei hij en trok haar zachtjes mee. Hij voerde haar over het natte zand, vlak langs het water, tot waar de rotsen uitstaken in zee.

‘Moeten we daar overheen?’ vroeg ze.

Hij knikte. Samen klommen ze over de rotsblokken. Ze stapten van steen tot steen. Het begon snel donker te worden en nog steeds voerde hij haar mee. Nu over een in de rotsen uitgehouwen pad.

‘Waar breng je me helemaal naar toe? Ik hoop dat je de weg weet en dat we er gauw zijn.

Straks is het te donker om nog iets te kunnen zien.’

‘Het is niet ver meer.’ Zijn stem klonk ijl in de wind.

VERVOLG > Het ongewone van de situatie trof haar. Eigenlijk was het meer dan dat, het kwam verbijstering meer nabij. Hier liep ze nu met een vreemd kind aan haar hand en ze wist niet eens, waar ze naartoe gebracht werd. Ze had zich zonder meer aan zijn leiding toevertrouwd – aan een kleine jongen, die op zo’n vreemde wijze in haar leven gekomen was. Haar oorspronkelijke doel, datgene, waarvoor zij hier naartoe gekomen was, was helemaal op de achtergrond gedrongen. Zij, die gemeend had geen enkele wens meer te hebben om nog langer dit voor haar zinloze leven verder te leven, zij had zich bezorgd gemaakt om dit kind, dat zo alleen voor haar in het zand gezeten had. Zij had zich in laten spinnen in zijn argeloos gesponnen web, dat hij om haar geweven had. De vreemde woorden, die hij tot haar gesproken had en waartegen zij zich had verzet, hadden haar niettemin betoverd. Zij had hem veilig willen weten in de geborgenheid van zijn familie. Ze begreep zichzelf niet. Wat betekende dit kind voor haar? Niets immers en toch was daar die drang in haar, die haar noodzaakte hem naar huis te brengen.

‘Idioot,’ schold zij zichzelf in stilte. ‘Hij is waarschijnlijk niet anders gewoon, dan alleen langs het strand te dwalen. Ze maken zich heel geen zorgen om hem. Misschien is hij onmogelijk, lastig, zijn ze blij, dat ze een poosje van hem af zijn.’

Nee, wist zij, niet dit kind. Deze kleine jongen kón niet onmogelijk zijn of lastig. Hij was zo hartveroverend lief! Dat was geen pose, zó was hij werkelijk.

Willoos liet zij zich meevoeren, mechanisch bijna bewogen haar voeten zich over het smalle pad. Alles kwam haar opeens zo onwerkelijk voor. Ze voelde zich vreemd en een beetje licht in het hoofd.

‘We zijn er haast,’ fluisterde zijn stem naast haar.

Het leek niet meer zo donker en het pad was overgegaan in een bredere weg. Het liep makkelijker nu. Ze begon de omgeving te herkennen. Hij had haar teruggebracht naar het stadje aan de baai. Hij liep rechtstreeks naar het onopvallende kleine hotel, waar zij een kamer genomen had.

‘Woon je hier?’ vroeg ze verbaasd. Hij knikte.

Ze gingen naar binnen. Zonder aarzelen bracht hij haar tot voor de deur van haar kamer.

‘Welterusten,’ zei hij zacht. Zijn gezichtje was naar haar opgeheven en de goudkleurige ogen keken haar trouwhartig aan. Een ongekende tederheid welde in haar omhoog. Wat was hij oneindig lief! Ze boog zich voorover en drukte een kus op zijn voorhoofd. Hij sloeg zijn armpjes om haar hals en kuste haar op beide wangen. Ze rook de frisse geur van de wind in zijn haar.

‘Welterusten Leon,’ fluisterde ze. ‘Slaap maar lekker.’

Ze opende haar kamerdeur en ging naar binnen. De leegte leek op haar te vallen; koud en vijandig was de wereld, nu de kleine jongen niet meer bij haar was. Ze miste zijn aanwezigheid. Boosheid rees in haar omhoog. Wat bezielde haar, ze kende het joch amper.

Hij betekende niets voor haar en zij betekende niets voor hem.

‘Ik ben je zoon.’

Het was, of zij die woorden weer hoorde. Duidelijk en heel dichtbij en ze zag de gespikkelde ogen, groot en glanzend. Zij kon ze niet ontwijken. Ze voelde zich slaperig worden en moe… zo moe.

Slapen, dacht ze nog, slapen. Ze liet zich op bed vallen. Ze wilde niet meer denken, niets meer weten. Ze gleed weg in een diepe droomloze slaap.

De kleine jongen was in haar kamer; hij ging dicht bij haar zitten. Er was tevredenheid in zijn hart. Het was hem gelukt haar aandacht te trekken. Ze was met hem meegegaan en nu was ze hier. Geen leed kon haar geschieden, ze was veilig. Hij zou over haar waken en morgen zou hij wel verder zien. Want hij wilde haar niet opgeven, nu hij haar gevonden had.

Het prille zonlicht beroerde Arletta’s gezicht. Ze sloeg de ogen op. Het eerste ogenblik wist zij niet waar ze was. Langzaam kwam de herinnering terug en daarmee het bewustzijn dat zij leefde. Ze was in haar hotelkamer en ze had haar plan niet ten uitvoer gebracht. In plaats van haar leven te beëindigen in de omarming van de zee, had zij zich laten inpalmen door een kleine jongen aan het strand. Zij had hem naar huis willen brengen, hem veilig willen weten. Om de een of andere haar totaal onbekende reden was dat belangrijker geweest dan al het andere.

Doch het bleek nu, dat hij heel geen hulp nodig had gehad. Hij had háár naar ‘huis’

gebracht, naar haar hotelkamer, langs een weg die zij niet kende en die hij zelf ongetwijfeld iedere dag liep. Er was niets geweest, dat zij voor hem had kunnen doen. Hij was geen ogenblik in gevaar geweest. Zijzelf was in gevaar. Ze had op het punt gestaan iets onherroepelijks te doen. Haar gevoelens hierover verwonderden haar. Het speet haar niet, dat het zo gelopen was.

En toch had zij luttele uren geleden nooit kunnen geloven, dat iets haar van gedachten zou kunnen doen veranderen, haar afbrengen van haar plan. Wat was er dan veranderd? Haar omstandigheden waren dezelfde als voorheen. Er was geen verschil. Zijzelf was anders nu.

of dit zo blijven zou, wist zij niet. Het was zo vreemd, zo onbegrijpelijk, zo nieuw voor haar. Het was een gewaarwording, die zij niet kende en die even pril was als het aarzelende vroege zonlicht op haar gezicht.

Ze herinnerde zich haar wanhoop, de pijn in haar hart, de kilte, de leegte. Haar totaal verloren zijn, zoals zij daar gelegen had in het zand, wachtend op de nacht – op de dood. De kleine jongen had voor haar gezeten, toen zij haar ogen opsloeg. ‘Ik ben je zoon,’ had hij gezegd, en zijn gouden ogen hadden haar aangezien vol tederheid. Ze onderbrak haar gedachten. Ze moest ophouden zo te denken, het leidde tot niets. Hij was haar zoon niet.

Denken aan hem betekende wéér te moeten verliezen, want hij behoorde haar niet toe. Hij had zelf ouders, een moeder waar hij bij hoorde en zijzelf was niets, kón niets voor hem betekenen. Ze zou boos op hem moeten zijn, omdat hij haar leven had gered, terwijl zij niet gered wilde worden. In volle omvang drong tot haar door, wat zij zo juist had gedacht –

gered – had zij gedacht. Het was de waarheid: hij had haar leven gered.

Ze sloot de ogen. Ze moest ophouden met denken. Het was te vreemd, te verward. Ze wist niet meer wat zij nu werkelijk wilde. Of eigenlijk wist zij dat wél. De kleine jongen terugzien. Hij had iets heel bijzonders, dat haar had beroerd, ook, toen zij meende voor niets meer open te staan.

Nadat zij zich gewassen had en verkleed, ging zij naar beneden. Het was niet druk in de kleine eetzaal, waar de ontbijttafels netjes waren gedekt. Alleen een ouder echtpaar, dat bij het raam zat en een man, die de krant las. De broodjes in het gevlochten mandje zagen er vers, knapperig en aanlokkelijk uit. Arletta bemerkte ineens dat zij trek had, voor het eerst sedert weken. Met zichtbaar welbehagen zette zij haar tanden in een dik beboterd broodje.

De koffie in het dikbuikige stenen potje was heet, sterk en voortreffelijk van smaak. Ze nam een tweede broodje en een derde. Iets van haar oude gevoel voor humor kwam naar boven: ‘Arletta,’ zei ze in gedachten tot zichzelf, ‘voor iemand die levensmoe is, zit je behoorlijk te schransen.’

Na het ontbijt zocht ze de waard op en zei langs haar neus weg: ‘U heeft een schattig zoontje, ik heb hem gisteren aan het strand ontmoet.’

De man keek haar verbaasd aan.

‘Pardon,’ zei hij, ‘u moet zich vergissen. Ik heb geen kinderen.’

‘0, wel, ik dacht… ik…’ Ze voelde zich afgebluft en een beetje belachelijk. ‘Een van uw personeelsleden dan,’ probeerde ze.

Hij schudde het hoofd. ‘Nee, ik heb geen getrouwd personeel in dienst, dus…’ ‘Maar hij zei toch, dat hij hier woonde…’ haar stem klonk onzeker. ‘Dat hij hier woonde,’ herhaalde hij,

‘juist, eh, hoe zei u dat zijn naam was?’ ‘Ik heb niet gezegd hoe hij heette; ik weet niet, hoe hij heet. Alleen, dat hij hier woont.’

‘Wel mevrouw, de bengel heeft u voor de mal gehouden. Hier wonen geen kinderen.’

‘Een van de gasten misschien,’ probeerde zij.

Weer schudde hij van neen. ‘Er logeren hier geen mensen met kinderen. Er zijn alleen een ouder echtpaar, een handelsreiziger en uzelf, mevrouw.’

Daar stond ze, dat was dat. Geen kinderen en toch had de kleine jongen gezegd dat hij hier woonde. Dat kon geen vergissing zijn. Zo zeker was het kind geweest, zo zelfbewust. Zelfs haar kamer had hij geweten. Zonder aarzelen had hij haar daarheen gebracht. De waard loog, dat stond voor haar vast. Er was iets met dat kind. Had hij niet zelf gezegd, dat hij geen naam had? In gedachten keek zij naar buiten. Daar, onder de zacht wiegende trossen van de oleander, stond de kleine jongen. ‘Leon,’ haar lippen vormden zijn naam. Ze strekte haar hand uit en wees. ‘Kijk,’ zei ze ‘daar buiten staat hij.’

De hotelier keek naar de plaats, waarheen haar vinger duidde.

‘Ik zie niets,’ zei hij

‘Daar, onder de oleander. U ziet dat jongetje toch wel staan?’ Haar stem klonk ongeduldig.

‘Mevrouw, het spijt me, maar daar stáát geen jongetje en als u mij wilt excuseren…’ Met opgeheven hoofd schreed hij weg als een in zijn trots gekwetste haan.

‘Wel, nou nog mooier,’ zei Arletta hardop. ‘Eerst alles ontkennen en dan nog liegen, als het betreffende kind in levenden lijve voor je ogen staat. Misschien is hij wel de natuurlijke vader en wil hij niets van de moeder weten,’ fantaseerde ze.

Ze keek weer naar de oleander. De kleine jongen was weg. Ze rende bijna naar buiten en keek om zich heen. Hij was nergens te zien. Ze liep de smalle boulevard af, scherp voor zich uit turend. Ongemerkt was zij bij de trap gekomen, die naar het strand voerde.

Misschien was hij daar ergens beneden bij de zee. Gisteren was hij er ook geweest. Ze daalde de trap af. Ze zou wat langs het strand lopen, misschien zag ze hem.

Ze ging tot het punt, waar de grillige rotsen oprezen uit het water. Hier ging ze zitten. Ze voelde de leegte en de eenzaamheid van haar alleen zijn. Haar verdriet, dat al die tijd verdoofd was geweest door haar belangstelling voor het jongetje, keerde terug en knaagde aan haar.

VERVOLG > Het lichtpuntje, dat voor haar scheen opgedoken uit het niets, was verdwenen. De grauwe werkelijkheid van alledag staarde haar aan met holle ogen. Wat had het allemaal nog voor nut? Het leven was niet de moeite waard om je er druk over te maken. Dat had ze trouwens nooit gedacht. Soms zelfs dacht zij, dat God haar vergeten had.

Ze stond op. Langzaam liep zij het water in. De koude van de zee deed haar huiveren, maar ze liep door. De golven rolden speels op haar toe, beroerden de zoom van haar wit linnen rok. Ze liep door. Dit spel was dodelijk, wist zij. In de verte scheerden een paar meeuwen boven de witbeschuimde golven. Het water reikte nu tot aan haar borst. Ze liet zich voorover vallen. ’n Hoge golf nam haar op en droeg haar mee. Willoos gaf zij zich over.

Haar lichaam verzette zich niet tegen de stroming, die aan haar trok. Water spatte in haar gezicht en een luide kinderstem klonk op: ‘Arletta, Arletta…’ Vóór haar dook de kleine jongen op. Blij lachte hij tegen haar, de goudkleurige ogen keken haar stralend aan.

De schrik sloeg om haar hart. ‘Leon… je…’ Het schuimige water vulde haar mond. Haar armen maakten zwembewegingen. ‘Leon!!’ ze gilde nu, ‘Leon!’ Haar handen grepen naar het kind.

‘Wat doe je hier?’ hijgde ze, ‘moet je verdrinken?’

Zijn heldere lach klaterde over het water. Hij schudde zijn helmachtig haar, dat de druppels in ’t rond spatten.

‘Zwemmen,’ schreeuwde hij. ‘Kom, zwemmen.’ Aarzelend liet ze hem los. Hij draaide en dook, kwam lachend weer boven. ‘Zwemmen,’ gilde hij, ‘zwemmen!’

Hij zwom als een kleine bruinvis, zijn lenig lichaampje glinsterend in het zonlicht, stralend van leven. Weer werd zij gevangen in de betovering, die van hem uitging. Alles, wat haar bedrukt had, viel van haar af. Ze voelde blijdschap en een warmte, die haar doortintelde.

Ze lieten zich drijven op de golven, opnemen en meesleuren naar het strand. Ze stonden hand in hand in de branding, tot ze moe en ademloos waren. Tenslotte trok hij haar uit het water.

‘Drogen,’ hijgde hij.

Ze gingen op de rotsen zitten, in de warme zon. Hij keek naar haar. ‘Ga je altijd zwemmen in je rok en met je schoenen aan?’ vroeg hij. Ze keek naar haar verfomfaaide rok en haar sandalen, die sopten van het nat. Ze lachte: ‘Nee,’ zei ze, ‘een enkel keertje maar.’ Ze schopte de natte schoentjes uit. Misprijzend keek ze naar de vormeloze vodden. ‘Wel, die zijn goed bedorven,’ zei ze.

‘Je moet je rok uitdoen en drogen. Anders word je ziek,’ zei hij wijs.

Ze keek naar zijn bruine lijfje. ‘Waar zijn je kleren?’

‘Hier achter die steen,’ zei hij en viste ze op.

‘Slim jongetje. Je bent verstandiger dan ik.’

Hij knikte tevreden.

‘Leon,’ begon ze, ‘waar woon je eigenlijk?’

Hij maakte een vaag gebaar met zijn hand in de richting van het land. ‘0, daar ergens.’

‘Woon je in het hotel?’ probeerde ze verder.

Hij schudde van neen.

‘Wil je me niet vertellen hoe je werkelijk heet, Leon? En waar je woont?’ pleitte zij. Hij hield de ogen neergeslagen. De dichte wimperfranje rustte op zijn wang. Hij trok met zijn vinger denkbeeldige figuurtjes op de rots. ‘Leon,’ zei hij zacht, ‘ik heet Leon.’

‘Ja, dat is de naam die ik je gegeven heb, maar je moet toch nog een andere naam hebben?

Dat is nu eenmaal zo. Alle kindertjes hebben een naam. De naam van hun ouders. Jij ook.’

Ze dacht even na, misschien was hij een vondeling en wilde hij de naam, die ze hem gegeven hadden, niet accepteren. Er moest toch iemand zijn, bij wie hij hoorde?

Ze probeerde opnieuw. ‘Hoe heten de mensen, bij wie je woont? Kun je me dat dan vertellen?’

Hij zei niets, zat daar met gebogen hoofd, de schouders iets voorover. Ze voelde medelijden met hem. Ze begreep dat lij het niet prettig vond, dat zij bleef vragen. Hij wilde er kennelijk niet over spreken. Ze wist niet goed wat te doen, ze wilde hem zo graag helpen, maar hoe kon ze dat, als zij niets van hem wist? ‘Leon, kijk me eens aan.’

Zijn hoofd ging omhoog en de amberkleurige ogen keken echt in de hare. Ze waren zo dichtbij, dat zij de donkere vlekjes rond de iris kon zien. Ze kon haar blik niet afwenden.

Ze moest blijven kijken.

Zijn stem leek van heel ver te komen. Ze moest moeite doen om hem te verstaan.

‘Ik heet alleen Leon. Niet vragen, want dan kan ik niet meer komen.’

Zijn antwoord maakte haar een beetje bang. Ze wilde niet dat hij wegging. Nog steeds kon zij haar blik niet losmaken van die wonderlijke ogen, die zo onschuldig waren, zo jong en toch weer zo wijs, zo oud. Ogen, die haar leken weg te voeren uit het heden, haar omgeving, zodat het was of er niets anders meer bestond dan zij tweeën, alleen in een vreemde, ijle, onbekende wereld, waarin het goed was te leven.

‘Beloof het – beloof, dat je niet meer vraagt,’ drong hij aan. ‘Ik beloof het,’ zei ze, want ze wilde niet dat hij weg zou aan.

Hij lachte zijn stralende kinderlach en Arletta werd zich de wereld om haar heen weer bewust. De warme zon en de blauwe eindeloze zee, waarboven witte vogels zeilden op de wind. Ze leunde tegen de rotsen. Alles was goed. Naast haar zit de kleine jongen met de amberkleurige ogen. Ze wist dat hij haar voor de tweede maal het leven gered had en ook dat was goed.

Ze zwommen en zochten schelpen en haalden wat te eten in de strandtent een eind verderop. Ze spraken niet veel, ze hadden genoeg aan eIkaars gezelschap. De dag ging veel te vlug om. Weer werd zij zich bewust van het vreemde in de situatie. Het kind, dat de hele dag aan ’t strand kon blijven, zonder dat iemand er zich om bekommerde, of naar hem zocht. Ze zou de waarheid willen weten en toch ook schrok zij daarvoor terug. Misschien zou het kennen daarvan een eind maken aan alles. Zoals dat al eerder in haar leven gebeurd was. Het was beter alles op zijn beloop te laten, zoals ze had beloofd.

‘Zal ik je naar huis brengen?’ vroeg ze, toen het tijd werd om op te stappen.

‘Nee,’ zei hij, ‘ik zal jou wegbrengen, tot aan de trap.’

‘En dan?’ vroeg ze. ‘Waar ga je dan naar toe?’

Hij haalde de schouders op. ‘Nergens,’ zei hij.

Hij bracht haar tot aan de trap en wuifde haar na, zo lang hij haar zien kon.

De lange avond alleen in haar hotelkamer bracht de oude verlatenheid en levensmoeheid weer terug in haar. Ze wilde die ontvluchten, weg uit het kleine vertrek, waarvan de muren op haar toe leken te komen. Ze ging naar buiten. Daar, onder de oleander, stond de kleine jongen. Toen hij haar zag, lachte hij zijn stralende lach.

‘Wandelen?’ vroeg hij gretig.

Ze knikte. Er was een blijdschap in haar, waarvoor zij geen woorden wist. Ze slenterden samen langs de strandboulevard en keken uit over zee, waar de lichtjes van de dorpjes en stadjes rond de baai pinkelden tegen donkere heuvels.

‘Moet je niet naar bed?’ vroeg ze, toen het bij tienen was. ‘Kleine jongens hebben veel slaap nodig, weet je, om groot en sterk te worden. Ik zou je veel vroeger naar bed sturen, als ik je moeder was…’

Hij keek haar aan, maar hij zei het niet. Hij wilde haar ontkenning niet horen.

‘Ga je morgen naar het strand?’ vroeg hij.

‘Misschien…’

‘Dan mag je niet meer gaan zwemmen met je rok schoenen aan,’ zei hij, ‘anders zal je mij nooit meer zien.’ Ze stond stil. Zijn gezichtje was ernstig, de gouden ogen keken bedroefd.

Hij leek heel niet op een kind nu. Hij leek oud en bang en ongelukkig. Hij weet het, dacht zij. Hij weet dat ik een eind aan mijn leven wil maken en hij probeert mij ervan af te houden. Er was iets met dit kind, iets vreemds, misschien wel ongehoords. Dit was geen gewoon kind.

‘Ik ben je zoon…’ had hij gezegd.

‘Zou je bij me willen wonen?’ vroeg ze.

Als had een toverstaf hem aangeraakt, zo begon hij te stralen. Niet langer was hij oud en zorgelijk. Hij was een kleine jongen, die in zijn handen klapte en uitgelaten heen en weer sprong.

‘Ja, o ja,’ zong zijn stem.

Tegenstrijdige gevoelens bestormden haar. Ze was blij aan de ene kant, dat ze die woorden had geuit en aan de andere kant betreurde zij ze. Hoe had ze het durven riskeren? Zij was nooit gelukkig geweest in haar keuze en nu stelde zich weer bloot aan een diepe teleurstelling, die ongetwijfeld volgen moest op een relatie met dit kind. Ze diende beter te weten. Er was immers geen kans op geluk voor haar.

Ze nam afscheid van hem voor de deur van haar hotel en zag zijn kleine figuurtje verdwijnen in de duisternis. Ze ging naar binnen en naar bed. Ze sliep rustig en diep.

De kleine jongen was tevreden. Hij stond voor haar bed en keek naar haar, terwijl ze sliep.

Ze was veilig, want hij had haar in bescherming genomen tegen zichzelf. Hij zou bij haar blijven, totdat zij geleerd had het onvermijdelijke te accepteren, tot de wil tot leven sterker zou zijn dan die tot de dood.

Iedere dag trokken ze erop uit, de vrouw en de kleine jongen. En iedere dag werd zij sterker en haar hang naar het leven groter. Meer en meer hechtte zij zich aan Leon. Ze vroeg hem niet meer naar zijn naam en waar hij vandaan kwam. Zij accepteerde de situatie zoals die was. Zij wilde niets meer weten. Ze wilde genieten van het samenzijn met dit buitengewone kind. Zij wilde leven! Het stoorde en bevreemdde haar niet langer, dat niemand hem scheen te kennen of te zien. Het viel haar ook niet op, dat de hotelier af en toe naar haar keek, of zij niet goed bij haar hoofd was. Omdat ze in zijn ogen een ongevaarlijke gek was, moeide hij haar niet en behandelde haar voorkomend. Als zij in zichzelf wilde praten, dan was dat haar zaak en als zij twee lunchpakketten vroeg in plaats van één, dan kreeg zij die. Als zij extra chocolade vroeg, gaf hij het haar en als zij kleine jongens onder oleanders wilde zien staan wachten, die hij daar zeer beslist niet zag, dan zou hij haar niet tegenspreken. Dan waren die kleine jongens daar zover het hem betrof. Hij vond haar een aardige, bescheiden vrouw en de klant is koning, nietwaar? Zolang zij zich rustig gedroeg en hij geen last van haar had, kon zij doen en laten wat zij wilde.

Arletta leefde zorgeloos voort in de ijle droomwereld, die de kleine jongen met de gouden ogen voor en om haar had opgebouwd. Elke dag die voorbij gleed, kwam zij hem nader en kwam hij dichter bij zijn doel. Meer en meer koos zij voor het leven en bande zij de dood uit haar gedachten. Dat stemde hem tevreden, want het leven was gegeven om het te koesteren, te behouden, te beschermen, niet om het achteloos weg te werpen. De kleine jongen wist dat heel goed, want hij was oud en wijs als de wereld. En hij wist ook, dat wanneer alles verloren lijkt, dat dan juist alles eerst echt begint. Zij wist dat nog niet, zij moest het nog leren.

Zo verging de zomer met haar warmte en drukte en ongemerkt was de milde septembermaand gekomen met wazige mauve luchten en de voorbode van de herfst in de korter wordende dagen. Met schrik realiseerde Arletta zich de tijd. Ze was hier nu drie maanden en langzaamaan had zij haar verdriet vergeten in het samenzijn met Leon. Zij had geleerd dat er andere waarden waren dan een verloren liefde en de betrekkelijkheid van het woord ‘geluk’. Ze was niet langer afkerig van het leven. Ze had weer moed gekregen, nu ze nieuwe waarden had ontdekt. Ze realiseerde zich, dat er iets moest gebeuren. Ze kon niet eeuwig in dit hotel blijven hangen, hoe goed het haar ook beviel. Niet, omdat zij het zich financieel niet kon veroorloven, dat was niet het probleem. Ze moest een huis zoeken, zich ergens vestigen, een nieuw leven beginnen. Samen met Leon zou dat wel lukken, dacht zij, want zonder Leon was er geen sprake van, dat zij hier weg zou gaan. Ze had alles op zijn beloop gelaten, de dagen waren zo zonnig, zo goed, zo gevuld met alles, wat zij voordien nooit had gekend.

Ze begreep dat bijna het mooiste op aarde haar was ontgaan door haar kortzichtig zich blind staren op die ene geliefde. Dat het mooiste haar bijna was ontglipt: het moederschap!

Ze had nooit aan kinderen gedacht. Heel haar aandacht had zich geconcentreerd op de man die zij meende lief te hebben. Voor niets anders was er tijd of aandacht of plaats alleen voor hem. Ze had niet zelf geleefd, hij had haar leven bepaald. Nu zag ze pas goed, wat een enorme egoïst hij was geweest. Hij had nooit werkelijk van haar gehouden. Hij hield alleen van zichzelf.

Ze kon er nu aan denken zonder bitterheid. Ze kon nu dankbaarheid voelen, dat een liefdeloos huwelijk haar bespaard was gebleven. Ze was genezen! Blijdschap vulde haar hart. Ze kon het leven weer aan, dank zij Leon. Ze kon niet langer de ogen sluiten voor de feiten. Ze zou nu moeten proberen achter zijn identiteit te komen. Zij had beloofd niet meer te zullen vragen. Maar nu lag dat anders. Ze wilde hem hebben, hem adopteren, hem een thuis geven. Daarom moest ze wel vragen. Ze had hem nu zo veel te bieden en ze kon niet zo maar zonder meer met hem verdwijnen.

Ze bestelde een dubbelluchpakket en met haar tas volgepakt liep ze naar buiten. De hotelier keek haar na. Daar ging ze weer, ze bracht iedere dag door aan het strand – alleen. Hij had vaak naar haar staan kijken, als ze op de rotsen zat, haar gezicht opgeheven naar de zon.

Nooit sloot zij zich bij iemand aan. Ze leek geen behoefte te hebben aan gezelschap. Hij was haar een paar maal nagegaan, omdat hij toch wel benieuwd was naar de kleine jongen, waar ze ’t vaak over had. Maar het was hem niet gelukt ook maar een glimp van het kind op te vangen. Het moest alleen in haar verbeelding bestaan. Zij was altijd alleen. Hij begreep het niet. Ondanks dat leek ze niet eenzaam; ze leek bijna gelukkig. Ja, dat was het: gelukkig. Heel anders dan in het begin, toen zij pas in zijn hotel was komen logeren. Toen had ze er moe en verdrietig uitgezien, levensmoe bijna. Dát was totaal veranderd. Het deed hem plezier, dat het verblijf haar zo goed had gedaan en hij was ijdel genoeg om te denken, dat dat ook een beetje door hem zelf kwam. Was hij niet altijd extra voorkomend tegen haar? Tevreden draaide hij zich om en ging terug naar het werk, dat hem wachtte.

Lichtvoetig liep Arletta naar de rotsen, waar Leon op haar wachtte. Ze zag hem al van veraf zitten. Een klein figuurtje met een blauwe blouse en donker glanzend helmachtig haar. Leon, háár Leon. Diepe ontroering welde in haar omhoog. Ze kon zich niet herinneren, dat zij ooit dergelijke gevoelens had gekend, als zij nu doorleefde. Alsof iets groots en machtigs haar had aangeraakt. Ze kon haast niet wachten, tot zij naast hem zat, zo graag wilde zij over haar plannen beginnen. Tóch beheerste zij zich, tot zij hem had begroet en ze samen uitkeken op de eindeloos af en aanrollende zee.

‘Leon,’ begon zij. ‘Ik wil van hier weggaan en jou met me meenemen, voorgoed. We zullen in een huis wonen, waar jij het prettig vindt en waar een gemakkelijke verbinding is naar een goede school, want natuurlijk zul je eens naar school moeten.

Daarom zal ik meer van je moeten weten. Ik heb beloofd, dat ik niet meer vragen zou waar je vandaan komt en hoe de naam van je verzorgers is. Nu moet dat, Leon. Wil je het mij nu vertellen?’

Ze had alles in één adem gezegd en ze was zo vervuld van haar eigen gedachten, dat zij niet opmerkte, dat hij niet reageerde op wat ze zei. Hij zat stil op zijn plaatsje, zijn rug geleund tegen de rotsen. Zijn gezichtje was ongewoon bleek en de lichte ogen leken nog feller en groter dan anders. Er lag een vage pijn in hun gouden diepten.

Hij draaide zijn hoofd om, zodat zij het niet zou zien, het stil verdriet, dat plotseling over zijn wezen lag. Hij zou eigenlijk blij moeten zijn, maar hij was het niet. Zijn doel was bereikt: hij had haar terug mogen voeren naar de weg tot het leven. Hij had haar gevonden en gewonnen, doch hij zou haar eerst moeten verliezen om haar toe te kunnen behoren voor altijd.

Eindelijk merkte zij, dat hij helemaal niets had gezegd.

‘Leon,’ vroeg ze, ‘Leon, wat is er – ben je niet blij?’

Hij keerde zijn gezichtje naar haar toe en slikte.

‘Ja, ik ben blij, heel blij, want ik weet nu dat je niet meer wilt gaan zwemmen met je rok aan.’

Ze kleurde. Zij schaamde zich nu voor het kind en voor het feit, dat zij een einde aan haar leven had willen maken. Achteloos weg had willen werpen, wat hij als een kostbaarheid had beschouwd. Haar ogen werden vochtig, maar ze lachte door haar tranen heen.

‘Wil je me dan nu de waarheid zeggen, Leon? Mij helpen, zodat ik alles in orde kan maken voor ons vertrek?’ Weer kwam zij in de ban van de gouden ogen, die haar zo machteloos maakten. Alleen waren het niet langer de ogen van een kind en hij sprak ook niet als een kind.

‘Mijn naam is Leon, de naam, die jij me gegeven hebt. Het was voorbeschikt, dat je in dit leven moeder wordenA zou. Maar jij veranderde alles, je was verblind door de dingen, die om je heen gebeurden. Je wilde het kostbaarste, wat je gekregen had – je leven –

vernietigen, omdat je teleurgesteld was in wat jij dacht je leven te zijn, terwijl al die tijd je werkelijke leven op je wachtte. Ik zag het en ik wilde je helpen, want ik wilde je niet verliezen. Jouw leven was zo nauw verbonden met het mijne, want ik ben je zoon. Ik besta niet werkelijk, Arletta, nog niet. Niemand dan jij kan me zien en horen. Alleen jij en jij alleen kunt mij werkelijkheid maken. Daarvoor zal ik je moeten verlaten.’

Haar ogen vergrootten zich, toen zij dit laatste hoorde. Een glimp van wanhoop flitste op.

Zij strekte haar handen naar hem uit. Haar lippen vormden het woord ‘neen’.

‘Het zal niet voor lang zijn, Arletta,’ troostte hij. ‘Alleen voor een korte poos en dan zul je mij bij je dragen. Je zult voelen, weten, dat ik er ben.’ Haar lippen trilden. ‘Maar ik kan je niet missen en hoe zal alles gaan, hoe zal ik weten, dat jij het bent?’ Hij lachte zachtjes.

‘Kijk me aan, Arletta. Natuurlijk zul je me herkennen.’

Ze zweeg. Het was zo moeilijk dit alles te verwerken, dit ongelooflijke, dit vreemde en toch, ze voelde dat het waar moest zijn. ‘Ga… ga je al gauw weg?’ vroeg ze. Hij knikte. ja, maar je moet er niet verdrietig om zijn. Ik kom terug en dan zul je niet meer schrikken, dan zul jij zeggen: Je bent mijn zoon.’

De gouden ogen lieten haar los, de betovering werd verbroken. Zij voelde zich weer terug op de aarde en hij was weer het kind met het helmachtig donker haar en de ogen, waarom ze hem ‘Leon’ genoemd had.

Lang zaten zij die dag op de rotsen in het zonlicht, dicht bij elkaar. De vrouwen het kind, dat niemand kon zien. Ze zochten schelpen en zwommen in zee. Over alles lag het droeve waas van het naderend afscheid. De kleine jongen wist, dat hij haar troosten moest. Hij wist ook, dat hij het kon. Hij ging heel dicht bij haar zitten en legde zijn handje in de hare.

Haar vingers sloten er omheen.

‘Niet bang zijn,’ zei hij zachtjes, ‘want ik ben bij je, ook als je me niet ziet.’ Ze keek naar hem, naar zijn lief gezichtje, dat haar zo dierbaar was, als wilde zij elk detail in haar geheugen griffen. Ze wist, dat het niet hoefde. Zij zou hem altijd voor haar geest kunnen halen, zoals hij nu naast haar zat, even duidelijk. Zij zou niets vergeten, de kleinste kleinigheid niet. Haar liefde voor hem was bijna tastbaar. Nog begreep zij het niet ten volle, het wonder, dat Leon heette, haar kleine jongen…

‘Ik zal niet bang zijn,’ zei ze. Hij lachte tegen haar. Zijn onschuld omgaf hem als een aureool. ‘Ik moest je terugvoeren naar het leven,’ zei hij. Zij knikte.

Een ranke witte boot kwam dansend over de golven naderbij. De motor ronkte. Hoog spatte het water op. Het vaartuig kwam recht op de kust aan.

De slanke bruingebrande jongeman stond rechtop aan het stuur. Vlak bij het strand sloeg de motor af. Hij stapte overboord en trok het scheepje op het zand. Hij zag de vrouw op de rotsen. Ze vormde een zeer aantrekkelijk beeld. Hij had haar nooit eerder gezien. Hij liep tot vlak bij haar. ‘Hallo,’ zei hij.

Arletta keek hem aan. Er ging een schok door haar heen.

Zijn donker helmachtig haar glansde in het zonlicht en in zijn amberkleurige ogen dansten pretlichtjes. ‘Gouden ogen,’ dacht ze.

‘Daar is mijn vader, Arletta,’ fluisterde de kleine jongen ‘Dag moeder, tot ziens…’

Nawoord:

‘Dat was een ontroerende geschiedenis en één van de wonderlijkste, merkte ik op. Wat ga je me nu nog vertellen? Weer een verhaal over de zee?’

‘Ja, maar ik denk niet, dat je dit een lieflijke geschiedenis zult noemen.’

‘Aha, weer een van je duistere schepselen.’

‘Zo mag je het wel noemen, ja, al is het dit keer een mens, die het kwaad oproept. Dat gaat altijd zo. Het kwaad roept nu eenmaal altijd kwaad tevoorschijn. Dit wist je overigens al.’

‘Ja, jammer genoeg. Tóch heb ik al eens gehoord van “kwaad met goed vergelden”. ‘Maar,’

zei ik, ‘dat hoort niet in jouw wereld thuis.’

‘Nee. Maar wat is het verschil? Het is loon naar werken, ook in de wereld waarin jij leeft. ‘

‘Dat is waar. Ik ben benieuwd wat je gaat vertellen.’

‘O, ik ga je vertellen dat liefde en schoonheid minstens zo dodelijk kunnen zijn als het kwade en lelijkheid.’

SLOT

4 Verhalen van haar, die ik online tegenkwam.
Haar boeken kun je bijna nergens nog vinden helaas.

Ik was 13 toen ik haar boeken ging lezen, ik vond ze geweldig mooi, maar ook nu is zij nog steeds een grote inspiratiebron voor mij.

Laat meer zien

Gerelateerde verhalen

Bekijk ook
Close
Back to top button