Volwassen Sprookjes

REPELSTeeltje

Featured Image

REPELSTeeltje

Er was eens een meisje, ze was best mooi te noemen. Ja heus! Blond natuurlijk, een beetje een breezersletje, dat dan weer wel. Ze ging best veel uit naar de kroeg en naar discotheken, daar danste ze dan de hele nacht door. En kreeg vele breezers toegediend van mannen die op haar vielen. En zeg nu zelf, welke man valt er nu niet op een vrouw?

Op een dag kwam de prins ook in die kroeg en hij sprak haar aan. Hij zei: “Heey you girly.” Ze zei: “Haaaaiiiiiii….”

Zo kwamen ze in gesprek met elkaar.

Zodoende vertelde hij haar dat hij haar vader had gesproken die dag, over de belasting die hij nog moest betalen voor zijn molen, want haar vader was molenaar.

En aangezien haar vader al zijn euro’s had vergokt in de gokhal van de stad, had die man, een beetje dom wel, zitten opscheppen over zijn dochter, die iets heel bijzonders kon.

Ze kon namelijk heel bijzondere verhalen vertellen, die als ze begon te vertellen, je terstond in slaap viel.

Nu dat was net iets voor de prins, want hij kon heel slecht slapen.

Ondertussen keek de prins verlekkerd naar haar mooie zachte roze lippen terwijl ze hem vertelde dat ze dat zeker kon.

Ze had al zoveel breezers in haar mik, dus liegen kon ze dat het gedrukt stond, net als haar vader…

De appel valt vaak niet ver van de boom, immers.

Dus waarom nu wel?

Nou, zei de prins, weet je wat? Eigenlijk zei hij “weejuhwat”, hij was nogal dronken.

“Als jij mee komt met mij,” hij zag het al helemaal voor zich, die mooie deern met haar grote boobs en mooie zachte lippen… dat ging helemaal goed komen!

“Dan eh stel ik je op de proef, en als je mij echt kunt laten slapen als een roosje dan… nu ja dan krijg je een beloning van mij.”

Nou, zei ze hikkend, dat komt goed hoor.

“Ik ga mee met u.”

Trots liep ze achter de prins aan de kroeg uit.

Wat ze niet wist, was dat ze werd opgesloten in zijn torenkamertje. Hij woonde in een oud slot dat nog van zijn oma was geweest en die torenkamer, daar deed hij wel eens vaker vage dingetjes, zeg maar.

Op de grond lag bijvoorbeeld een grote zak vol wiet.

En aan de wand hing een stel handboeien; waar dat voor was, kon zij zich niet voorstellen, want ze was nog maar 18.

Ze ging slapen in het bed dat daar stond, het was een megagroot bed, en ze sliep als een roosje die nacht.

De volgende morgen werd zij wakker, totaal ontnuchterd en tot haar grote schrik zat de deur ook nog eens op slot.

Ze begon te huilen, want ze wist niet meer wat ze gezegd en gedaan had de avond ervoor. Dat kwam vast door al die breezers uiteraard, dus daar zat ze dan. Opgesloten in die torenkamer, niet meer wetend waarom eigenlijk.

“Nounou, tjongejonge,” zei een stem achter haar. Ze draaide zich om en keek in de ogen van een vreemd mannetje.

Hij had een hele lange neus en felle oogjes waarmee hij haar leek te doorboren.

Hij wreef in zijn handen en keek haar aan: “Zozo, wat word jij lelijk als je huilt zeg, hopelijk dat de prins dit niet ziet zeg!”

“Wie bent u meneer?” vroeg ze geschokt.

“Ik… ik ben de torenkantoorklerk. Ik doe hier allerlei zaken voor de prins achter mijn pc, en ik hoorde je huilen, ik zit in het kamertje hiernaast.”

“Kijk maar,” hij wees naar een spiegel aan de wand, “daar kan ik dus doorheen kijken,” verklaarde hij droogjes.

“Oh,” schrok het meisje op, “en toen ik dus mijzelf uitkleedde vannacht eh…”

“Ja, dat heb ik gezien,” hij gleed even met het puntje van zijn tong over zijn smalle lippen.

“Maar wees niet bang meisje, ik doe je niks hoor!

Ik heb een gezwel aan mijn geslachtsdeel en ik kan dus geen seks meer hebben, tenzij, ja tenzij zij een enorme opening daaronder heeft en helaas ben ik nog geen enkele vrouw tegengekomen die dat kon verdragen. Helaas,” zei hij spijtig.

“Maar goed, waarom huil je eigenlijk?” vroeg hij ongeduldig, want hij had nog veel te doen!

“Eh, ik weet niet meer waarom ik hiernaartoe moest komen en waarom de deur op slot zit.”

“Oh, dat komt omdat je zulke mooie verhalen weet te vertellen dat je de prins eindelijk nachtrust kunt bezorgen,” zei het mannetje wijs.

Hij wreef even met zijn vinger over zijn neus.

“Oh, maar dat kan ik helemaal niet!” riep ze uit!

“Ik weet helemaal niets over verhalen.”

“NEE, alleen over breezers,” viel het mannetje tegen haar uit.

“Dat gezuip ook altijd!!!

Maar ik kan je wel helpen,” zei hij toen zoetsappig.

“Als ik jou een verhaal vertel waarbij elk mens in slaap zal vallen, dan, nu ja, in ruil daarvoor wil ik wel een beloning natuurlijk!”

“Dat is goed!” riep het meisje blij uit, “vraag maar wat je wilt!”

“Ok, ok… rustig,” zei hij toen, “ik wil dan dat je mij een flinke beurt geeft.”

“Beurt?” vroeg ze, “hoe bedoel je?”

Het mannetje wees naar zijn kruis.

“Oh zo?”

“Ja… sorry, ik wil wel een goede beloning voor wat ik je ga vertellen!”

“Hmm…” zei het meisje, “oké…dat is goed.”

Zo gezegd, zo gedaan, maar eerst moest zij het mannetje een beurt geven, want misschien viel ze wel in slaap als ze zijn verhaal hoorde. Eindelijk had ze de melk om haar mondhoeken en keek ze hem verwachtingsvol aan.

En hij begon te vertellen!

Gelukkig kon ze haar ogen openhouden tot hij klaar was met vertellen, maar hierna viel ze in een diepe verkwikkende slaap.

Die avond kwam de prins in het kamertje, ging op bed liggen en ze begon te vertellen.

De prins viel in slaap, eindelijk kreeg hij zijn rust en hij vond het ’s morgens geweldig!

Hij had naast haar geslapen, want er was maar een bed, maar eigenlijk was het best lekker warm en erg was het niet.

Want de prins was ook niet lelijk of zo.

“Vanavond kom ik weer terug!” zei de prins vrolijk.

En die dag zat het meisje weer zenuwachtig te doen, omdat ze geen verhaal had voor die avond.

Maar het mannetje kwam haar kamer weer in en zo ging het door en door.

Na vier maanden eindelijk, zei de prins: “Als je mij vannacht nog een keer zo’n mooi verhaal vertelt waarbij ik in slaap val, dan ga ik met je trouwen!

Dan word je mijn prinses!”

Nou, nou, dat was wat zeg!

Een simpele molenaarsdochter prinses!

Dat wilde ze wel natuurlijk.

Dus ze klopte alvast op de spiegel waarachter het mannetje zat. Toen hij binnenkwam, sperde zij alvast haar zachte lippen open om hem te ontvangen.

“Nee, nee,” zei hij wreed ditmaal, “wordt het iets heel anders!

Ik wil je eerste zijn en daarna, als je getrouwd bent met de prins en je krijgt je eerste kindje, dan wil ik je eerstgeborene hebben!”

“Oh,” zei ze verschrikt, “is dat zo?”

“Ja, dat is zo,” zei het mannetje.

“Maar hoe groot is dat gezwel dan?”

“Valt best mee, ligt eraan hoeveel je hebben kan.”

Het mannetje stroopte zijn broek al los en ze ging klaarliggen voor hem.

Het was maar goed dat de muren dik waren, want het ging er heftig aan toe in die torenkamer.

Met de tranen in haar ogen luisterde ze na drie uurtjes seks met het mannetje naar zijn laatste verhaaltje.

Het verhaal dat ervoor zou zorgen dat ze prinses, en ooit koningin zou worden, dus je moest er wat voor over hebben immers!

En eerlijk is eerlijk, het was een topverhaal!

Ja, zelfs zij wist dit.

Het was het mooiste verhaal op aarde dat ze ooit gehoord had.

Dat kwam natuurlijk omdat het mannetje via internet allemaal verhaaltjes las van AngelWings.

Maar dat zei hij er maar niet bij, stel je voor zeg!

Dat zij internet had en die websites eens bezocht.

Die avond kwam de prins bij haar en zoende haar op haar zachte lippen. Niet wetend waar deze allemaal eh…

Gelukkig maar dan. Ja toch?

Ze vertelde het verhaal met een zeer pijnlijk gezicht, waarna de prins zorgelijk vroeg of ze wel in orde was, maar dat was ze wel hoor. Ze ging echt niet vertellen wat er die dag gebeurd was in dat zolderkamertje, kom zeg.

Bijna prinses, dan moet je nooit teveel vertellen immers!

De prins viel in slaap tegen haar ontblote schouder en die morgen werd hij wakker met een gelukzalige glimlach om zijn mond.

“We gaan trouwen, kom in mijn armen mijn liefste!

Zo’n vrouw als jij heb ik altijd al gewenst.

Een vrouw die mij rust kan geven als ik oververmoeid ben.”

Hij kuste haar en wilde veel meer, maar dat hield ze maar even af, na haar heftige ervaring de vorige dag met de torenkamerklerk.

Na drie jaren een zeer gelukkig huwelijk, werd de prinses moeder van een prachtig kindje.

Ze had al tijden niet meer gedacht aan het mannetje, want ze woonde nu in het kasteel zelf en dacht nooit meer aan het torenkamertje.

Ze had een zeer gelukkig huwelijk met haar prins en waarom denken aan dat wat geweest was, immers?

Ze had nu breezers in overvloed en geld zat.

Maar die dag, toen ze even alleen was, stond hij ineens voor haar neus.

Ze schrok geweldig!

Haar mond viel open en het mannetje dacht ineens weer spijtig terug aan de maanden waarin zij hem zo verwend had.

Maar om ter zake te komen, hij wilde dus het kindje.

De prinses viel van ellende in elkaar, ze huilde en huilde maar.

Het mannetje kreeg zowaar medelijden, wat eigenlijk niets voor hem was!

Hij was immers best een bikkel die allerlei smeekbedes kon weerstaan, zelfs van breezersletjes.

Maar toch gaf hij haar een kans.

Moedertjes daar had hij toch wel een zwakje voor blijkbaar.

“Ok, ok… weet je, als jij mijn naam raadt, dan mag jij het kindje houden en dan ga ik weg, ver van hier.

Drie dagen krijg je de tijd om mijn naam te raden. Als je het weet, heb je geluk!

Zo niet, dan neem ik je baby mee!”

De prinses huilde en huilde, maar niemand wist wat er loos was opeens, het waren vast bizarre verlate kraamvrouwentranen of zoiets.

Hormonale disbalans!

Ze liet haar betrouwbaarste dienaren komen en vertelde hen dat ze op zoek was naar een bijzondere naam, de naam van de torenkantoorkamerklerk.

Niemand wist deze, maar ze stuurde hen erop uit om die naam uit te zoeken. Zelf zocht zij dag en nacht op internet naar zijn naam.

Maar ze vond hem niet.

Ze huilde en huilde maar door. Hoe graag wil je iemands naam vinden online!

Zo erg was het al, maar hij was onvindbaar, zelfs op hyves was hij niet te vinden!

Ze zag wel een foto van hem, maar er stond geen naam bij.

Er stond bij: de torenkamerkantoorklerk, en dat was alles.

Radeloos was zij.

Maar de bedienden druppelden binnen met allerlei namen en die dag kwam het mannetje weer binnen.

Arrogant keek hij haar aan, “zo, vertel mij eens… hoe heet ik?”

Ze zei: “Je heet vast Duifelsoren!”

Hij lachte zich suf… “echt niet,” zei hij trots.

“Nee… ga door.”

“Dan heet je vast Madracalula?”

“Welnee,” lachte hij uit… “hoe verzin je het, die nonsens!

Hahaha… hij viel van zijn stoel van het lachen!

Hij kon niet meer!

De tranen stonden in haar ogen, “nou, dan heet je vast Klaas!”

Hahaha, brullend van het lachen viel hij weer van zijn stoel… hij had buikpijn van het lachen.

“Ik kom morgen wel even weer terug, dan hoor ik wel wat je dan weer voor slome namen hebt bedacht.”

Jankend lag de prinses op de grond… haar lieve kindje!

Wat moest ze toch doen?

De volgende dag kwam hij weer, “zozo, vertel eens lieve kind.

En lik niet zo aan je lippen, want anders wil ik wat anders van je, dan alleen mijn naam.”

Verschrikt keek ze hem aan.

“Oh, eh, ik dacht aan Herman!”

“Pfffffff,” zei hij… “doe even normaal ofzo!”

“Dan heet je vast Mohammed!”

“Heey, ik stem PVV,” zei hij toen

hij trok zijn wenkbrauwen op bij zoveel nonsens en domheid ook.

Daar had hij geen respect voor, zulke vrouwen.

“Morgen de laatste dag voor jou! Kzie je!”

En weg was hij weer, lachend ging hij de deur uit.

Die avond bezoop de prinses zich enorm, ze was op van de zenuwen!

Maar de volgende dag vertelde een bediende een vreemd verhaal.

Over een man die had gelachen en gedanst en had geroepen:

“Niemand weet, niemand weet, dat ik Repelsteeltje heet.
Morgen is het kind van haar van mij
Morgen is ze niet meer vrij
maar van mij, van mij.”

De man had gedanst om een vuurtje dat hij had gestookt in het park en werd bijna opgepakt door de politie, want dat mocht natuurlijk niet.

“Ok,” zei de prinses hoopvol… “dan moet dat hem zijn, immers!

Dat is dan zijn naam.”

Eindelijk, ze had het gevonden!

Die middag kwam de man al aanlopen met een kinderwagen, hij dacht al helemaal dat hij gewonnen had en dat zij nooit zijn naam kon raden.

De prinses zag er heel rustig uit, wat hem nogal verbaasde…

“Kom, vertel, weet je het al hoe ik heet?

Of weet je het nog niet, dom uilskuikentje?”

Spottend keek hij haar aan.

“Zeg me wie ik ben!”

“Je naam is Jondalar!” zei de prinses met opzet fout.

Het mannetje wreef in zijn handen, “Nee, FOUT!”

Het was even stil… “dan heet je vast Repelsteeltje?”

“Verdomme,” zei het mannetje, “hoe weet je dat nou?

Dit had hij dus nooit verwacht.

Nu moest hij gaan…

Snel greep hij haar vast en verkrachtte haar nog eens… voordat hij ging, wilde hij nog eenmaal genieten van haar.

Ze vond het niet ernstig erg of iets dergelijks.

Het had wel wat, zo af en toe.

Maar goed, ze had gewonnen en kon haar kindje behouden.

Wat een geluk dat zij zelfs dit maar toestond.

Na afloop liep het mannetje zijn torenkamertje weer in en verbleef daar jarenlang, waarbij hij vaak door de spiegel keek als de prins zijn prinses op speciale wijze een stoute behandeling gaf in dat kamertje.

Ach ja, het had zo anders kunnen lopen, maar alles loopt zoals het moet zijn, immers.

Ergens was hij wel een beetje jaloers toen de prinses negen maanden later een heel mooi kindje kreeg, een kindje dat veel leek op hem.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Back to top button