Roodhoofddoekje en de Aso de wolf

Roodhoofddoekje en de Aso de wolf

Er was eens een meisje, nu zijn er veel meisjes, maar met dit meisje was er iets aparts aan de hand.
Namelijk ze droeg altijd een rood hoofddoekje of jurkje of beiden.
Dat vond ze heel fijn namelijk en haar moeder had dit gedaan en ook haar overgrootmoeder had een rood hoofddoekje gedragen en een rode jurk.
In feite wist zij niet beter dan dit en zo ging zij dagelijks als ze opstond aan de gang met het omdoen van haar rode hoofddoekje en het aantrekken van een rood jurkje.
Op een dag moest roodhoofddoekje naar haar overgrootmoeder, dus ze deed haar rode hoofddoekje weer om haar donkere haren en trok de rode jurk aan, een van de vele die ze had en ging op weg door het grote bos op bezoek bij overgrootmoeder.
Aan haar arm een mandje met lekkernijen, want oma was slecht ter been en lag te bed, want ze had spit in de rug.

Roodhoofddoekjurkje zong dat het een lieve lust was, allemaal zeer lieve onschuldige liederen natuurlijk, over roodborstjes enzo.
Wat zij niet wist, was dat zij een stalker had, sommige stalkers zijn heel geniepig, daar kom je nooit achter namelijk, die besluipen je en voor je het niet weet, weet je ook niets, dus hoe kun je dan weten dat het een stalker is.
Maar toch was dat wel zo.
Dat was Arno de Wolf.
Nu was Arno een aso, dus noemde men hem ook vaak Aso de Wolf.

Arno was een stoere knaap met veel beharing, dus zijn achternaam paste hem wel.
Plots sprong hij achter een boom vandaan en Roodhoofddoekjurkje slaakte een gil.
”Aarghhhh! Wie ben je en wat doe je hier en wat moet je van mij?”
”Nou, nou,” zei Aso de Wolf, ”tjonge, hoezo van jou?”
Hij deed alsof zijn neus bloedde natuurlijk. Hij wist nergens van, ook niet dat hij dat klotenkind al maanden achtervolgde. Wat dacht ze wel, zeg, wie zij was met haar kutrodehoofddoekje op haar kop?
”Zo, ben je ongesteld of zo op je kneiter?” riep hij lachend uit, wijzend naar haar rode hoofddoekje.
Beledigd trok ze haar neus op. ”Nou, nou, wat een niveau heb jij, zeg!”
Ze liep snel door, maar Aso de Wolf trok aan haar mandje.
”Wat zit hier in, meidje?” bromde hij zachtjes.
”Niets, dat is voor mijn overgrootmoeder! Ze is ziek.”
”Zo, zo, is ze ziek? Hmm, wat zit er in dat mandje allemaal?”
Hij trok het mandje open en zag allerlei lekkernijen. Nu had Aso de Wolf wel zin in wat lekkers, dus pakte hij een stukje roomkaas uit het mandje.
”Blijf eraf!” riep Roodhoofddoekje venijnig uit. Ze sloeg naar hem en hij ontweek haar handig. Lachend liep hij een stukje voor haar uit. ”Hmm, lekker kaasje, schatje,” sprak hij met zijn mond vol.
Vol minachting keek ze hem aan. Bah, wat een lompe beer. Zij had deze kaas samen met haar moeder gemaakt van Bessie de koe en nu vrat hij dit zomaar op. De tranen sprongen in haar mooie ogen.
Aso de Wolf lachte zich suf om dat domme kind. Ook al was ze mooi, het was wel een sulleke hoor zeg. Maar ze had verdomd lekkere tieten in dat rode jurkje van haar. Aso de Wolf keek gretig naar haar schommelende borstjes. Hmm, het water liep hem in de mond.
”Ik loop wel even met je mee naar je overgrootmoeder, meidje,” zei hij liefjes.
Maar Roodhoofddoekje wilde dat duidelijk niet. ”Oh nee, geen denken aan, Aso. Wegwezen, jij,” nuffig streek ze met een handje langs haar rode hoofddoekje.
”Nou, dan niet, kreng,” mompelde Aso de Wolf en weg rende hij het bos weer in. Aan zijn broek hing nog een ouderwetse vossenstaart, je weet wel, waar je sleutels en zo aan hing ages ago…
Lekker aso, dacht Roodhoofddoekje nog. Gelukkig was hij weg en ze ging weer op weg naar haar overgrootmoeder. En ze begon zowaar weer te zingen over roodborstjes en dergelijke.
Ondertussen was Aso de Wolf op weg naar overgrootmoeders huisje. Zo, hij zou dat kreng wel eens even krijgen, zeg. Hem zomaar wegsturen, dat kan toch niet, zeker!
Bij overgrootmoeders huisje aangekomen kwam hij binnen zonder kloppen, want overgrootmoeder had de deur zomaar open staan, want ze kon er toch niet uit. Dus moest er wel iemand binnenkomen om haar te helpen, nietwaar?
Zodoende stond er plots een Aso voor haar bedstee.
”Verdomd,” mompelde Aso, ”jij hebt ook al zo’n rood doekske om uw kop. Is dat mode of zo in je familie?”
Overgrootmoeder keek geschrokken naar de grote knul voor haar bedje. ”Ehm, ja,” zei ze zachtjes, ”wat kom je hier doen?”
”Oh ik? Ik ben van de vrijwilligerscentrale en ik kom u even helpen. Ik moet u in bad doen.”
Hij tilde overgrootmoeder op alsof het niets was. Hij had hele sterke armen met veel spierballen en overgrootmoeder kneep er even goedkeurend in. Daar hielden ze wel van, sterke mannen namelijk.
”Ja, ja,” zei Aso trots, ”dat zit in onze familie, hoor, die megaspierballen.”
”Nou, nou,” zei overgrootmoeder, ”overdrijven is ook een vak, hoor.”
Maar ze liet zich even later heerlijk in een warm bad duwen. ”Zozo, oma,” zei Aso, ”u moet even bijkomen en uitrusten en ik laat u nu even alleen, hoor!”
Angstig riep overgrootmoeder hem nog na of hij haar wel weer uit het bad kwam halen later.
”Ja hoor,” schreeuwde hij onderaan de trap terug.
Zo, nu snel het rode hoofddoekje om zijn kop binden en in het bed gaan liggen voordat Roodhoofddoekje eraan kwam. Zo gedacht, zo gedaan. Met de rode hoofddoek op zijn krullenbol dook hij snel in de bedstee. En aangezien de gordijntjes gesloten waren, leek het mooi duister in het kamertje, dus ze had hem nooit direct door, toch?
Even later hoorde hij haar al aankomen. Ze zong uit volle borst over roodborstjes en hij kreeg er zowaar een flinke harde van.
Eindelijk kwam ze het kamertje binnen. ”Zo, overgrootmoeder,” zei ze liefjes, ”hier ben ik weer. Heeft u het geld al op het aanrecht gelegd? Ik wil namelijk een nieuwe iPhone, dat weet u toch, en ik karn niet voor niets de melk en wandel mij de schompus voor niks! Voor niets gaat de zon op, overgrootmoeder, dat weet u, dus waar zijn de centjes?”
”Aha,” dacht Aso de Wolf, een wijffie naar zijn hart. Wie had dat nu gedacht?
Hij mompelde wat met een piepstemmetje in het bed, ”kom maar hier, lieverd. Dan geef ik je de centjes wel, ze liggen onder het matras.”
”Ow overgrootmoeder toch,” mopperde Roodhoofddoekjurkje, ”wat bent u toch stout. Het wordt tijd dat u naar een bejaardenhuis gaat, hoor. Zo kan dit echt niet langer. Bent u nu helemaal van de pot gerukt, overgrootmoeder, dat u dit bent vergeten? Ik wil de iPhone straks namelijk ophalen in het dorp, ik had hem al besteld namelijk. Dus geef mij de centjes, anders neem ik alle lekkernijen weer mee naar huis!”
”Kom maar, kindje,” zei Aso zachtjes in het bed. ”Kom…”
Roodhoofddoekje keek naar het bed en ze zei: “Oma, wat heeft u ineens een groot hoofd. Bent u nog zieker dan u al was?”
Bezorgd toch ergens streek ze over overgrootmoeders hoofd. ”Wat bent u warm, oma.”
Aso de Wolf kneep zijn ogen tot kleine spleetjes en keek het kind aan vanonder de sprei. ”Ja, ik heb een allergie voor de aardbeitjes die je laatst voor mij meegenomen hebt, kindje,” piepte hij.
”U heeft ook wel een erg rare stem, oma,” zei Roodhoofddoekje plots.
”Ja, dat komt ook door die aardbeitjes die je laatst voor me meenam.”
”Heb ik aardbeitjes voor u meegenomen? Ik weet daar helemaal niets van, overgrootmoeder. Is alles wel in orde, heeft u soms koorts?” En een kleine zachte hand streek over het voorhoofd van Aso de Wolf.
Hij kon zich niet langer beheersen bij het zien van die zachte bollen onder haar jurkje, die voorovergebogen over het bed in zijn richting kwamen. Hij greep zijn kans waar. Hij sleurde het kind in zijn bed en nam haar ter plekke.
Drie maanden later bleek Roodhoofddoekjurkje zwanger te zijn van Aso de Wolf en overgrootmoeder vond dat ze maar met hem moest gaan trouwen. Want nu ze ook een iPhone had, chatte oma nogal vaak met Aso de Wolf, die haar veelal hielp met het huisje en de boodschapjes. Je moet wat om je stalkerij te verbergen immers?
Zodoende trouwde Roodhoofddoekje met Aso de Wolf en ze leefden niet erg gelukkig, dus wilde Roodhoofddoekjurkje niet meer op bezoek komen bij haar overgrootmoeder. Gelukkig dat Aso oma nog wel eens hielp, anders was het niet goedgekomen met die arme oma in het bos.
Zes maanden later kreeg Roodhoofddoekje een tweeling, een jongen en een meisje, en ze noemde hen Hans en Grietje. De kindertjes groeiden op in grote armoede, want Aso de Wolf wilde niet werken, daar was hij te lui voor, en Roodhoofddoekjurkje idem dito, die keek liever soaps op tv de hele dag.
Dus soms was er te weinig eten in huis of wilde papa Aso niet naar de snackbar in het dorp voor een puut patat.
Dus op een dag waren die ouders het zat. In die tijd had je nog geen instanties of iets dergelijks die zich op de nek van ouders vastbeten, dus moesten ze er zelf wel iets aan doen.
”Vrouw,” zei Aso op een dag, ”we gaan de kinderen naar het bos brengen. Ik heb geen zin meer om elke keer patat te halen bij de snackbar en jij doet ook niks in de huishouding, behalve neuken, dus eh… weg termee, kssj…”
”Ja, is goed man,” mompelde Roodhoofddoekje.
Tjah, wat moest ze? Ze was depri van het leven met die Aso, en de kindertjes, ja heel schattig enzo, maar al die zorgen altijd. Nee, daar moest verandering in komen. Wie weet liep ze dan wel weg bij Aso?
Dus zo gezegd, zo gedaan. De kinderen werden verlaten in het bos en zij vonden een klein leuk huisje en daar woonde een hele oude vrouw. Gelukkig was dat hun oma en omdat ze oma zo lief hielpen altijd, leefden ze nog een lange tijd fijn samen.
En hun vader en moeder hebben ze nooit meer gezien. Van horen zeggen zat hun vader aso te zijn in een asowijk, en was hun moeder gevlucht naar Turkije en had ze een fijne man gevonden die dol was op rode hoofddoekjurkjes en had ze nu wel tien kinderen.
Maar dat kon hun niets schelen, hoor, want van oma kregen ze fijn beiden een iPad en een iPhone.
©AngelWings