Alleen in de regen

Nina liep door de straten, het was donker, de regen kwam druilerig uit de lucht. Ze sloeg haar kraag wat dichter om haar hals, het was kil en guur, de wind trok aan haar jas. Ze streek het haar uit haar gezicht, slierterig en nat door de regen. Helemaal alleen, in die straten, diep in de nacht liep ze daar, verlaten en zo eenzaam voelde het aan. Een snik welde op uit haar keel, ze slikte hem in, wederom zoals zovele tranen ingeslikt werden onder het mom van, we zijn zo sterk en kunnen alles aan, ze wist dat ze het deed, maar wat moest ze anders? Ze kuchte een brok weg in haar keel. Een zwarte kat liep plots voor haar voeten, hij rende richting de straat kant, en stak snel over, verdrietig keek ze hem na, zelfs die kat zag haar niet staan. Toen voelde ze de tranen komen, die lang opgesloten waren geweest in haar binnenste, opgesloten omdat ze laten gaan, betekende, dat ze het opgaf om altijd maar sterk te zijn, enkel armen om haar heen brachten tranen teweeg, want alleen kon ze niet eens huilen omdat ze hard was voor zichzelf. En ze snikte hardop op straat in die donkere druilerige nacht, wolken kolkten langs de hemel, waar de maan verdween, telkens achter een wolk die voortgedreven door de wind ervoor schoof, zo leek het donkerder, en zo weer even niet. Net zoals haar leven was. Nina huilde, hete tranen liepen over haar gezicht, ze voelde ze gaan alsof het lava was op haar wangen en omdat de regen eveneens meehuilde op haar gezicht. Hard schreeuwde de pijn in haar ziel, hamerde om eruit te kunnen komen, eindelijk bevrijd te worden van jarenlange onderdrukking.
Pijn…zoveel pijn, door hoop eens vervolgen, nooit gekregen en ook nooit eens mazzel, op welk vlak dan ook, ze was moe, moe van het leven, moe van het altijd maar weer vechten, tegen wat? En waarvoor, sommigen hadden geluk in hun leven, sommigen, gewoon pech en zij hoorde bij die pechvogels. En ze huilde, huilde haar hart, haar verdriet, haar zorgen, angsten en hoop op niets weg, bevrijdend werkte het niet, daarvoor zat het er al te lang. En hij wist niet. Wist niets van dat al in haar hij leefde zijn leven zoals hij het goed vond en zij? Ach? Wie was zij nu eenmaal? Een niets , maar een vrouw. En heel alleen in die nacht, wist ze, dat ze verloren had, de strijd tegen het leven in het huwelijk dat zij sloot in naïviteit. Ze dacht aan de vrijheid van haar ziel, van haar geest, van dit ondermaanse land.
Ze besloot om bij hem weg te gaan, te stoppen met hem die haar telkens weer belazerde. Het deed teveel pijn, om hem keer op keer te vergeven. Ja, dat zou ze doen, hem eens zeggen wat ze van hem vond en hem nooit meer geloven, haar vertrouwen had een deuk gehad, telkens weer. Al die vrouwen die hij had, van zijn werk, kantoor, zijn leugens, zijn bedrog en ze had hem vaak genoeg doorzien maar had het hem maar niet eens meer gezegd om ruzie te voorkomen. Zo liep ze daar natgeregend door hemelse tranen en wetende dat als ze straks thuis kwam het over moest, het voorbij moest…de laatste keer. Ze zou haar koffers pakken en vertrekken waarheen? Deed het er toe, gewoon weg van die bron van pijn en ellende. Ze voelde die kracht in haar die groeide en groeide, ze gaf nooit op weet je nog? Ze was sterk genoeg om het alleen te redden ze kon het, ja dat wist ze allemaal wel. En in die nacht kwam ze tot een besluit dat haar leven zou veranderen eindelijk eens haar leven zou worden, haar vrijheid, haar zelf hervinden in het leven, want was zij soms geboren voor hem? Nee voor zichzelf, ze wist en de tranen stroomden, want afscheid nemen doet zeer, doet vreselijk zeer, maar wat moest ze dan? Wachten? Op hem tot hij tot bezinning kwam? Nee niet meer, en ze schreeuwde het uit op straat, midden in de nacht, en ze liep door, hoorde en raam open en dicht gaan, ze glimlachte door haar tranen heen, daar had ze gewoon zin in gehad en dat deed ze vanaf nu, alles waar zij zin in had, alles, wat zij wilde en als ze weg ging zou ze gaan genieten. Langs haar liep een man tegen haar op. “ Oh sorry”, mompelde hij. Ze glimlachte naar hem, die vreemdeling in de regen in de nacht, op dat tijdstip. En ze keken elkaar aan in een herkenning, daar midden in de nacht. Hij keek naar haar tranen in haar ogen en op haar gezicht en zij zag de glinstering van hetzelfde in de zijne. ‘’Ook alleen vannacht’’, vroeg hij schor? ‘’Ja, zei ze zacht en plots sloeg hij zijn armen om haar heen, en zo stonden ze daar in de regen die nacht. Het voelde goed, hij voelde goed, niet eng, niet beangstigend en vele nachten en dagen volgden…want zielsherkenning vind je maar eenmalig in je leven, wees er dan zuinig op, heel zuinig want je vind dat nooit weer. Nergens. En je zult je, je leven lang afvragen, als je er niet aan toegeeft, waarom, en hoe…. wees zuinig op datgene je pad kruist.

Lees dit ook eens:  Frederico

Related posts