De zon kwam op over het kamp Biestervelde. Het was stil en saai sedert enige jaren. Men groette elkaar niet eens meer. Praten? Men...

The Silent Heart by Sulamith Wulfing

De zon kwam op over het kamp Biestervelde.
Het was stil en saai sedert enige jaren.
Men groette elkaar niet eens meer.
Praten? Men keek wel uit tegenwoordig.

De oude Janna keek uit over het kamp, met een flinke mok oploskoffie in haar magere handen.
Haar voddige haren fladderden om haar oude kop, de rimpels konden de koffie wel in zich opzuigen, maar oude Janna was een wijf, waar veel mannen hun vingers bij aflikten!
Ja,… zelfs nu nog…want dat was me er eentje geweest. Pittig en bazig, en daar hielden ze wel van die kamperse mannen.
Nee, bij Janna jatte niemand het kaas van d’r brood.
Haar oude grijze ogen keken misnoegd over het kamp, dat ooit zo speels was en helder, direct, met mensen die vlotter waren in doen dan in praten.
Het zinde haar niks.
Ze dacht na over haar jeugd, hoe gezellig het altijd was geweest. De kampers onderling, één voor allen en allen voor één.
Toen haar ouders nog leefden… een druppel traanvocht gleed zo haar bakkie nepkoffie in.
Ach kon haar dat schelen.
Ze slokte de mok in 1 x leeg.
Vandaag was het klaar met al dat geleuter.
Nu was het afgelopen.
Janna trok een oude ochtendjas aan, nog van de zeeman, badstof, goede kwaliteit wel, die maakten ze niet meer zo tegenwoordig.
Janna stoffelde naar buiten.
In het midden van het kamp begon ze met haar tirade. Vol bewondering kwam men naar buiten, want Janna opende na jaren eindelijk eens haar mond.
Of het nou niet eens klaar was ”Goddomme nog eens aan toe”!
Of ze soms halfgaar waren en van de pot gerukt en door de ratten besnuffeld?
”Godverredomme”… schreeuwde ze uit.
Stelletje labbekakken dat jullie zijn, zijn jullie onze nazaten!
Schaam jullie.
En met haar wild fladderende geel geverfde haren, (goedkoop was vaak goed, maar nu dus net even niet) stond ze daar als een messias…
De wind wakkerde aan op het kamp…alsof de duivel speelde met de nepblonde lokken van Janna. Haar ogen leken plots donker en duivels, alsof ze bezeten was geraakt.
Vanaf nu! Ja vandaag! Is het allemaal klaar.
Wij gaan weer onszelf zijn en worden.
Wij mogen weer schelden en discrimineren en lullig doen!
We trekken ons niets nog aan van die debiele wetten gemaakt door onzinnige mensen, die veel verdienen maar er weinig voor doen!
Janna stak haar magere vuist in de lucht.
Iedereen hield de adem in,… Wij mogen weer schelden!
Hoeraaaaaa!
Voldaan blikte de oude Janna over het kamp.
Een applaus ontstond, ja, wat een wijze woorden.
Weer gewoon lekker jezelf mogen zijn.
Lekker schelden omdat het mocht.
Wie was die regering nou!?
Dat lieten ze zich toch niet ontnemen!?

Janna had gelijk, jarenlange onderdrukking van hun cultuur en kijk wat ervan was gekomen.
Men omhelsde elkaar met de tranen in de ogen, was het zo simpel!?
Ja,… zo simpel was het allemaal.
Mens eigen, zeuren, schelden en klagen.
Vanaf die dag voelde men zich weer bevrijd, gelukkig en gaf men weer lucht aan het hart.
Wat was er nu beter dan dat.
En een gele vogel was een gele vogel en als dat een kloten vogel was, dan was het een kloten vogel, whatever.

Het leven op het kamp Biestervelde werd weer als vanouds, men lachte weer en zong weer en schold weer en maakte ruzie en maakte het daarna weer goed.
Het bloed kroop toch waar het gaan moest en dit was hun aard. Wild en ruig en onbesuisd… dat mocht niemand beknotten, zeker niet door iemand achter een bureau, want daar hadden ze een broertje dood aan.