In het duister van de geestelijke werelden

In het duister van de geestelijke werelden, wonen zielen die de overgang naar het Goddelijke paradijs nog niet gemaakt hebben.

Zij zijn de dwalenden op aarde. Diegenen die ons bezielen bij het schrijven van verhalen bv. Diegenen die ons iets influisteren.

Soms heb je er ook goeden bij, de goede dolenden die nog geen afscheid konden nemen van de aarde. Vanavond, zei hij fluisterend tegen mij, dan kom ik je een verhaal vertellen.

Ik heb gewacht, naast mij een glaasje wijn, en de kaarsen branden alvast.

Ik wacht, op hem die komen zal. Ik hoor de deur dichtklappen in de gang, en een koude windvlaag om mijn benen heen. Hij is er! Ben je er weer? Vraag ik. Ja ik ben er, gekomen om jou een verhaal te vertellen.

Toch geen eng verhaal? huiver ik. Hij streelt mij langs mijn wang, een lichte streling maar, kort maar voelbaar.

Misschien wel, misschien niet, zegt hij zacht.

Ik wacht wel af, mompel ik.

~*~

De wind waait, donkere wolken kolkend door de nachtelijke hemel, de regen kletterde op de daken neer, daken die glanzen in de maneschijn gelijk gladde vissen.

Ratten duiken weg in het riool, piepend achter elkaar aanrennend. Op een hoek van de Parrélwijk staat een groot oud herenhuis. De luiken klapperen op en neer in de wind.

Het huis staat al jaren leeg, niemand die daar nog wil wonen, het is nml. een spookhuis.

Iedereen liep er met een grote boog omheen. Iedereen wist dat er s’avonds vreemde dingen gebeurden. Men zag er vaak een vrouwenfiguur staan, voor het raam op de bovenste verdieping. En dan scheen er een vaag licht. Niemand ging er naartoe. Maar deze avond, dankzij een weddenschap,werd het huis bezocht door drie jongemannen.

Ben, Menno en Eric, jongens in de leeftijd van 17 en 18 jaar oud, gingen door de oude voordeur, die kraakte en half in de sponning hing. De lichten van de zaklantaarns toverden spookachtige schaduwen in de hal van het grote herenhuis. Ben struikelde bij binnenkomst al over een oude stoel die daar al jaren omgevallen op de grond lag. Zijn zaklamp viel op de grond en het licht ging uit. Verdomd, vloekte hij. Stond weer op en bukte graaiend op de oude vloer zoekend naar zijn zaklamp, Menno scheen hem bij. Hij greep de lamp en probeerde deze weer aan te klikken maar dit mislukte, hij was kapot.

Kom laten we naar boven gaan, riep Eric die al bij de oude trap stond. Is dat wel veilig? vroeg Menno. Geen idee, lachte Eric en hij liep de trap al op, richting bovenverdieping. Spookachtig toverde de zaklamp op de muren vage figuren, die heen en weer gingen. Zo is er geen kunst aan, lachte Eric, het is met deze lampen hier al spookachtig genoeg. En pas op hier, riep Eric, één tree is hier kapot. Hij wees met zijn ene voet naar een tree, lichtte bij met zijn zaklamp en liep voorzichtig verder naar boven. De anderen volgden hem. De wind waaide om het huis, alles kraakte, en door de kapotte ruiten scheen af en toe de maan tussen de wolken door.

Muizen renden weg in hoeken, misschien ook wel ratten, Ben rilde. Hij vond het enger dan hij wilde toegeven, maar zei niets.

Boven gekomen stak Eric een sigaret aan, en met dat kleine brandende puntje in het donker, leek hij het onheil aan te trekken, want beneden sloeg er een luik met een harde klap dicht.

Ben sidderde, en wreef over zijn armen. Whahahaha, het begint al, zei Eric, met een lach in zijn stem, hij geloofde nooit in deze flauwekul. Kom zeg, geesten bestonden nml niet.

Menno glimlachte wat witjes, ook hij was geschrokken nml. Ze stonden daar op de bovenverdieping en keken wat rond in de donkere kamers waar al jaren niemand was geweest.

Veel stond er niet meer in, maar er wapperden wel kapotte gordijnen spookachtig voor de kapotte ramen, wapperend in de wind die nacht…heen en weer. We moeten nog hoger jongens zei Eric. Hij nam het voortouw want de weddenschap was dat zij eenmaal boven met de zaklamp zouden seinen naar beneden in de tuin van het herenhuis, waar hun andere vrienden en enkele vriendinnen stonden te wachten. Missie mislukt, was, als zij eerder het huis verlieten en ze niet de bovenverdieping haalden, waar de spookvrouw altijd gezien werd, en in die kamer moesten zij zijn.

Ben veegde het zweet van zijn voorhoofd, het voelde zo kil in dit huis, en op zich logisch met al die kapotte ramen en deuren maar, dit was een andere kou, dan kou die door openstaande ramen en deuren naar binnen kwam. En het rook er zo vreemd naar een oude vage bloemengeur. Terwijl zij de oude trap naar de zolder volgden, kreeg Ben het te kwaad, hij meende iemand achter zich te voelen. De adrenaline spoot door zijn lichaam heen, en als verlamd bleef hij daar staan op de trap. Ik durf niet meer verder jongens, kreet hij zacht uit. Ik kan niet meer!

Eric lachte hard: Heey schijtlijster! Van jou had ik dit niet verwacht jongen! Wacht maar tot we beneden zijn, Hahaha, hij lachte weer zo hard en de lach echode door het huis.

E..e..errr stond iemandddd achterrr mij, stotterde Ben. Hij was lijkwit. Menno scheen met zijn zaklamp achter Ben, en hij glimlachte, ik zie niks hoor…

Maar net dat hij dat zei, ziet hij een schim onderaan de trap staan, en het zweet breekt ook hem ter plekke uit. Eh Eric? Klappertandde Menno, euh er is daar echt iets hoor?

Menno kijkt naar hen en mompelt weer iets, als schijtlijsters, en, gaan jullie maar terug, ik ga wel alleen! Ben en Menno kijken naar beneden, en durven bijna niet meer die trap af te gaan.

Als Menno weer naar beneden schijnt, rijzen hun haren hen te berge, want ze schijnen in de ogen van een vrouwelijk schimachtig wezen, niet zomaar ogen, nee felle vlammende donkere ogen, die griezelig naar hen kijkt, met een blik, die het bloed doet stollen in de aderen.

Aargh Eric we gaan hier weg! En stommelend rennen beiden schreeuwend de trappen af langs het schimmige wezen dat daar staat. Op het moment dat ze langs het wezen gaan, krijgt Menno een flinke duw en hij komt struikelend ten val, Oh moederrrrrrrrrrrrrr, roept hij uit, bijna jankend van angst krabbelt hij op en rent de andere trap af, waarbij hij vergeet dat de ene tree kapot is, hij komt knel te zitten met een voet, en valt de halve trap af naar beneden. Hij schreeuwt het uit van de pijn.

Eric die boven is,lacht het uit, heel hard klinkt zijn lach, spookachtig door het grote herenhuis. Helemaal alleen,is hij nu, daar boven met dat schimmige wezen. En hij beseft het niet. Menno ligt jankend van de pijn onderaan de trap, en Ben tilt hem snel omhoog, Menno zijn enkel lijkt wel gebroken te zijn. Jankend strompelen ze samen het huis uit. Snel het gazon over, het verwilderde, onverzorgde gazon. In het donker van de stormachtige nacht, rennen ze zo goed als het kan, terug naar hun vrienden die daar in het donker staan te wachten. Eric blijft in het oude huis, en loopt naar boven, de deur van de kamer waar de geest zich zou bevinden staat open. Hij loopt voorzichtig over de krakende planken, en schijnt met zijn zaklantaarn over de vloer, hij glimlacht, zie je wel niets te zien aan spoken en dergelijke. Voor het raam schijnt hij enkele malen naar buiten, daar waar hij zijn vrienden weet. “Heey, ik ben er hoor, schijterds”!!! schreeuwt hij naar buiten. Lachend draait hij zich om, terwijl de glimlach om zijn mond besterft, kijkt hij in het gezicht van een ijzingwekkend wezen die hem aanstaart met haat in de ogen. Spierwit is het gezicht, zwart het lange haar, dat om haar lichaam heen lijkt te krullen.

Haar slanke lichaam, blauwig oplichtend in zijn zaklantaarn. Eric spert zijn ogen wijd open en slaakt een gil, zo hard, zo ijzingwekkend angstaanjagend… Hij valt in zwijm.

De vrienden staan buiten en horen zijn gil, in paniek ditmaal, want Ben en Menno hebben verteld wat zij wel zagen en Eric niet. Nu staan ze daar als aan de grond genageld. Wat moeten we nu doen, ik ga daar voor geen goud meer naar binnen roept Menno uit. We moeten de politie bellen, roept Ayla, en pakt haar mobieltje al uit haar tas. Nee, nee wacht! Wacht, roept Stella, kijk, en ze zien hoe er een lamp flikkerend door het huis gaat, verdieping na verdieping, langzaam naar beneden. Wat is dat? Is dat Eric zelf? vraagt Stella ongelovig, ze rent naar de deur van het oude huis, en de anderen komen ook met haar mee.

Eric!!! ERIC!?? Schreeuwen ze. Voor de deur ligt Eric op de grond, lijkbleek, met zijn mond nog open als in een schreeuw die hij slaakte.

Langzaam komt Eric weer bij zijn positieven. Vergeten zal hij deze avond nooit meer. Hij de stoere Eric, zal nooit meer de oude zijn na dit gebeuren. Spot nooit met geesten. En nooit, maar dan ook nooit weer, bezoeken zij nog dit huis. Nooit meer.

~*~

Hm glimlach ik, dit verhaal had beter gekund of niet?

De geest glimlacht en fluistert in mijn oor dat, dat nog wel gaat komen. Maar nu, nu moet hij weg.