Kom niet aan zijn kippen!

Kom niet aan zijn kippen!

Kom niet aan zijn kippen!

Geert zat in zijn oude boerderij voor de oude brandkachel.
De sneeuwbloemen zaten op de ramen, het was ijzig koud die winter, er was bijna geen hout meer om de kachel aan te steken.
Geert kroop tegen zijn warme hond aan, ”kom jonguh, lekker bij baasje”.
Zo warmden zij zich aan elkaar die winter, baas en hond.
De oorlog duurde maar voort.
Overal hongerige mensen, holle angstige ogen, kinderhandjes vuil van het wroeten in de aarde, naar bloembollen.
Geert had bijna al zijn kippen al de nek om gedraait.
Geert was nooit getrouwd, daar was hij te boers voor.
Dat vrouwvolk leek hem ook maar niks, gekwetter aan je kop.
Hij wou rust gewoon.
Zijn beide ouders waren al jaren voor de oorlog vertrokken naar het hiernamaals en Geert was alleen.
Alleen, samen met zijn hond.
Balthazar, een grote herdershond, die steeds magerder werd in de strijd tegen de Duitsers.
Geert was het dan net zoals de rest van de Nederlandse bevolking dan ook spuugzat inmiddels.
Hij kon die Duitsers niet meer aanhoren, klossend over de straatstenen, zingend en zg zo blij.
Het was rond februari 1944 dat jaar, toen Geert op een morgen in zijn kippenhok enkele eieren wilde zoeken.
Toen hij daar een soldaat vond van Duitse origine.
De man was in slaap gevallen, naast hem een fles rum, en in zijn ene hand een dooie kip.
Blijkbaar zo dronken dat hij in slaap was gevallen tijdens het plunderen van een kippenhok.

En wat moet jij hier, bulderde Geert!
De Duitser schrok zich lam, vanuit vage dromen en keek in de ogen van de boer.
Grijze koude ogen.
Ich, hier!
Stamelde de Duitser geschokt.
Ein Huhn, glimlachte hij toen en gaf de kip aan Geert.
Godverduld, mopperde Geert.
Maar ach, het was ook maar een mens.
Geert nodigde de Duitser uit in zijn koude stee.
Kom binnen, hij wees naar de gang.
Kom!
De Duitser liep achter Geert aan, hij legte zijn geweer aan de kant en deed zijn rugtas af.
Die zat vol, zo liet hij zien.Du würstchen?
Vriendelijk lachend gaf de Duitser een pakket met worstjes aan Geert.
Dat zag er goed uit.
De Duitser klopte Balthazar op zijn rug.
Guter Hund!
Balthazar likte om zijn bek, bij het ruiken van de worstjes.
Geert knikte naar de Duitser.
Dank je!
Bedankt!
Ist gut, zei de Duitser nogmaals vriendelijk.
Hij haalde nog een fles rum uit de rugzak.
En zette deze op de tafel.
Die nacht zong de Duitser het hoogste lied.
Geert bekeek hem met lodderige blik.
De rum smaakte goed.
De rugzak zat vol, het geweer, alles was in orde.
Geert gaf de bank aan de Duitser.
Slapen du, hier! Zei hij vriendelijk.
Danke, zei de Duitser.

Het was nog kouder die morgen dan afgelopen nachten.
Geert sleepte met de rugzak naar zijn schuur.
Hij leegde de inhoud, veel eten en drinken, zelfs rookwaar, goed voor de zwarte markt.
Geert keek omhoog naar de Hanebalk, daaraan hing de Duitser te bungelen aan een koetouw.
Geert wist hoe hij een koe moest slachten dus dit was ook geen probleem.
Vol haat begon hij aan zijn snijwerk.
De biefstuk hield hij apart.
Die avond at Geert weer eens lekker, hij deed net of het een Duitse koe was die hij geslacht had.
Gewoon niet aan denken!
Tot mei dat jaar hield hij het uit met zijn herdershond Balthazar.
Toen de Amerikanen kwamen, stond Geert als Hollands welvaren aan de kant van de weg, samen met zijn dikke herdershond.
Hij stak de hand op naar de Amerikanen.
Niemand die aan zijn kippen kwam!
© AngelWings

Over de Schrijfster

Gerelateerde Berichten