Hoe een vakantie

Sarah keek naar het meisje naast haar in de klas. Het meisje dat tegenover hen woonde in de straat, was enkele maanden ervoor nog op vakantie geweest in Mexico, ze had het heel erg leuk gehad. Ze had in geuren en kleuren verteld over haar vakantie en wat ze allemaal hadden gedaan.
Roos, was haar naam, haar steile blonde haartjes vielen sluik langs haar smalle wangen, en haar bleekblauwe ogen keken onschuldig de wereld in. Maar zo onschuldig was zij helemaal niet vond Sarah. Sarah keek haar doordringend aan, het zat haar behoorlijk dwars dit alles.
Zou ze het zeggen? Kon Roos er iets aan doen?
Jazeker, het was de schuld van Roos geweest! Haar vader had het zelf gezegd. En ook was het de schuld geweest van de school, want toen Roos terug kwam uit Mexico had ze de mexicaanse griep meegenomen, en ook haar ouders hadden die griep bij zich gehad. En de school wilde niet dichtgaan,omdat alle ouders werkten en de kinderen niet zomaar thuis konden houden natuurlijk. Niemand kon de kinderen opvangen, die ziek zouden worden. Dus die griep was de hele school rondgegaan. En toen had Sarah de griep ook gekregen! En hierna haar moeder, en haar vader en haar broertjes. Gelukkig waren ze er op tijd bijgeweest, en hadden ze antivirale middelen gekregen. Gelukkig was dit alles goed gegaan dat wel maar… het was niet eerlijk gewoon. Het was gewoon niet eerlijk!!! Boos keek Sarah naar Roos. Roos lachte tegen een meisje, dat haar een pen gaf. Sarah’s ogen spoten vuur.Ze was zo boos op Roos.
Door haar, door haar schuld, was.. Sarah kon er en wilde er ook niet meer aan denken.
De tranen sprongen in haar bruine ogen, verwoed veegde ze de tranen weg. Verdriet overmande haar nog zo jonge ziel. Waarom moest dit gebeuren? Waarom? En een antwoord kreeg Sarah niet op haar vragen. Ik haat haar, dacht ze. Ik mag haar niet. Ondanks dat ze toch vele maanden bevriend waren geweest dat wel, maar nu niet meer. NOOIT MEER! Sarah wist het heel erg zeker.
Ze wilde nooit meer met Roos spelen, want het was Roos haar schuld.
Tijdens de lessen, was Sarah afwezig en tekende bloemen in haar schrift. Ze hoorde niets, ze was ver weg in gedachten. De juf wist het wel wat er scheelde en liet Sarah maar even begaan.
En toen het vrijdagmiddag was en zij eindelijk weekend hadden, schopte Sarah keihard tegen Roos haar fiets en rende hard weg. Roos wist niet wat er scheelde maar fietste even later naar huis, haar schouders optrekkend.
Huilend stoof Sarah de keuken binnen waar haar moeder zat, samen met haar tweelingbroertjes. Sarah huilde het uit, met gierende ademhaling, huilde ze tot ze niet meer kon.
Het is haar schuld mama, het is haar schuld, mompelde ze de hele tijd. En haar moeder streelde verdrietig haar haren, en kuste haar wang.
Die zondag gingen ze weer naar het graf van oma zoetje, oma had een bijnaam omdat ze altijd zoveel zoets in huis had en zelf ook een zoete lieve vrouw was geweest.
Snikkend stond Sarah bij het graf, in haar hand een rode roos voor Oma.
En toen vader en moeder even niet keken, knakte Sarah de roos die ze voor oma had meegenomen. En ze mompelde, Oma ik krijg haar nog wel. En Sarah gooide de roos op de grond en zette haar voeten er op. Fijngestampt lag daar de roos naast oma’s graf, die de griep niet overleefd had.