In een klein tuintje stond Harm-Jan te schoffelen. De zon schemerde waterig door de wolken op zijn kalende kruin. Het tuintje was zo klein,...

In een klein tuintje stond Harm-Jan te schoffelen. De zon schemerde waterig door de wolken op zijn kalende kruin. Het tuintje was zo klein, het leek wel een postzegel gezien vanaf een hoogte van 3000 kilometer hoogte richting de aarde. Voor Harm-Jan was dit voldoende voor zijn ontspanning. Hij woonde alleen in een klein huisje onderaan de dijk.
Het was eigenlijk een huisje dat stond op grond van de gemeente, maar gelukkig zat er een stukje grond bij in begrepen.
De zon verdween achter de wolken en Harm-Jan ging naar binnen, klopte zijn klompen af bij de achterdeur, deed ze uit, zette ze netjes naast elkaar onder de kapstok en liep naar binnen op zijn kousenvoeten. In de magnetron was zijn dagelijkse maaltijd snel klaar.

Harm-Jan nam het plastic pakket uit de magnetron en liep naar zijn grote leunstoel en ging daarop zitten met een vork in de hand en het pakket in de andere en begon te eten. Onderwijl kijkend naar de televisie. Het behang was oud en vergeeld, de meubelen waren ouderwets. Het nieuws kijken, nog een programma van het één of ander om klokslag negen uur schonk Harm-Jan een glaasje jonge jenever in en dronk deze met smaak op. Toen de houten koekoeksklok tien uur sloeg, was het bedtijd. Harm-Jan ruimde op in zijn keukentje. Waste zijn gezicht bij de wasbak in de badkamer en poetste zijn tanden.
Op zijn bed lag de pyjama netjes gevouwen voor hem klaar. Harm-Jan vouwde elke ochtend zijn pyjama netjes op, om hem voor de nacht weer aan te trekken. De wekker werd gezet, de lamp ging uit en Harm-Jan legde zijn hoofd op het kussen neer en was al in een diepe slaap vertrokken.

Geen vrouw in huize Harm-Jan, ook geen dieren, Harm-Jan vond dat alles maar lastig.
Hij was gesteld op zijn rust. Om zeven uur in de ochtend ging de wekker af en Harm-Jan rekte zich eens uit. Klom uit zijn bed en nam een verkwikkende douche.
Hierna schoot hij zijn werkkleding aan, hij smeerde een boterham of acht, twee voor nu, en zes voor op zijn werk. Op zijn oude brommertje vertrok Harm-Jan naar de fabriek. Een hele dag werken achter een machine, een pauze, wat collega’s, wat grappen en toen was het tijd om naar huis te gaan.
Een boodschap halen misschien. En dan weer eten uit de magnetron, de tv, de jonge jenever en het bed.
En zo ging dat maar door, herhaling op herhaling. Dag in dag uit, jaar in jaar uit.
En Harm-Jan voelde zich tevreden. Hij had niet het gevoel iets te missen in zijn leven. Contact met anderen vond hij niet belangrijk. Gewoon zijn eigen gangetje, niemand die zeurde, niemand die wat zei. En als de zon scheen en de temperatuur dat toeliet dan ging Harm-Jan in zijn tuintje zitten, luisterde naar de fluitende vogels, en keek naar voorbijvarende boten en dat was het dan.
Dat was het leven van Harm-Jan. Geen kind nog kraai, en hij vond het goed.
Hij was op zijn manier gelukkig in het leven en zo is het goed.