Home Mysterie Pagina 2

Mysterie

Engelen verliefd of?

Engelen verliefd of?

De kaars flikkert vervaarlijk, ik kijk op, en zie, hij is er weer. Mijn vriend de geest, die mij verhalen komt vertellen uit de duistere werelden.

Je bent er weer fluister ik, op mijn arm krijg ik weer kippevel, de rilling loopt me over mijn rug als een koude hand mijn wang streelt als antwoord op mijn vraag.

~*~

Smachtend keek ze naar hem, vanuit de verre verten herkende ze hem al. Met zijn nette pak, zijn gedistingeerde uiterlijk. Hij liep als een heer door de mensen in de supermarkt. Zijn haren zwart en glad achterover, zijn ogen scherp als een havik. En weer ruste zijn blik op haar, zoals altijd. Hij wist en zij wist. Ze wisten het, en toch? Onbereikbaar ver weg. Hij was getrouwd, zij was getrouwd. Beiden hadden ze kinderen en…toch genoot ze als ze hem zag. En hij van haar, hun dromen waren vervuld van elkaar en toch wisten ze dit niet van elkaar. Want ze hadden elkaar nooit gesproken.

Toch was het gevoel zo sterk dat het leek of ze elkaar konden verstaan als ze naar elkaar keken, er heerste een vage waas tussen hen in, zelfs mensen die hen zagen lopen viel het op. Ook al wisten zij dit niet, het waren mooie mensen, bijzondere mensen, anders dan anderen.

Mensen met een bijzonder brein, een speciale geest. En men zag het.

Langs de winkelpaden waar zij liepen, leek het energie veld anders dan normaal.

De weg die zij baanden in een simpel dagelijks gebeuren, scheen opeens op te lichten voor vele mensen. Alsof zij, engelen waren op aarde die gewoon dagelijks hun ding deden omdat dit moest. Maar alsnog, men zag en voelde het op afstand.

Ooit stonden ze achter elkaar bij de kassa, en raakte hij met zijn hand de hare aan, vluchtig, liefdevol en warm, en zij was zo diep geraakt dat zij een week nodig had om bij te komen. Bij te komen van de diepe liefde die zij samen deelden voor elkaar. Begrijpen kon zij het niet, hij ook niet.

Hun fantasie en gedachten raakten de hemel en zoveel verder, zo ver dat geen mens dit kon begrijpen zelfs, en zij wisten dit niet van elkaar maar toch wisten ze dat het waar was, het gevoel ging zo diep namelijk.

Ze zag het in zijn ogen als hij haar aankeek, hij zag het in de hare als haar pupillen verwijden als ze hem zag, het maakte hem dol, het maakte haar dol en begrijpen konden zij dit niet.

Beiden begonnen weg te kwijnen bij het niet kunnen en mogen laven aan de liefde van hun leven, te laat, te dichtbij soms, te ver weg ook.

Steeds bleker, met donkere wallen onder hun ogen, hij zag het en zij zag het ook.

Zij misten een wezenlijk deel van zichzelf en elke keer als ze elkaar weer zagen, ook al zeiden ze niets, werd het erger, dat gemis. Het weten dat ze elkaar misten, En toch konden ze er niets tegen beginnen want, ze waren getrouwd immers.

Als zij hem zag, kon ze niet meer spreken zo leek het, als hij haar zag snoerde zijn keel dicht. Hun stemmen leken verstomd. Hun ziel opende des te heftiger. Hun harten stormden op elkaar af. En het enige dat bleef was pijn, een diepe pijn van verlorenheid en eenzaamheid op zielsniveau.

Niemand wist hiervan, hij sprak niet en zij sprak niet met anderen over dit vreemde fenomeen. Vandaag ging alles anders, het was tegen sluitingstijd, hij nam de boodschappentas in zijn sterke armen en zij liep langs hem, met haar tas, bij de parkeergarage stond zijn auto bij toeval naast de hare.

Ze liepen naast elkaar voort, en de hitte was zo tastbaar, ze wisten niet dat anderen zagen hoe er een energieveld aan kleur tussen hen hing, verbaast keken mensen hen na. Wat was dat nou?

Bij de auto’s aangekomen, zette hij de tas in zijn auto, en stond opeens naast haar.

Hij rook aan haar haar, snoof de geuren diep in zich, en omvatte haar middel met zijn armen, Mijn god wat hou ik van jou.

Zij viel in zijn armen draaide zich om en keek hem aan. Ik hou ook zoveel van jou!

Ze keek hem aan in zijn mooie ogen, hij keek terug in de hare, alles leek spiegelingsgewijs te passeren. Wat hij, wat zij, dat hij, dat zij, alles was synchroon. Ik snap het niet, fluisterde hij gesmoord, ik ook niet zei ze. Met grote ogen keek ze hem aan. Al jaren….zei zij, denk ik aan jou, zei hij..

Ik, zei zij, ben bang, vulde hij aan..

Kom..hij trok haar mee aan zijn hand, kom…hij duwde haar naast zich in de auto en stapte hierna zelf in en reed weg, weg van die parkeerplaats.

Zomaar ergens heen, ergens naartoe.

Heerlijk was het, het leek of zij opgingen in een intens orgastisch moment van diepgang…van liefde, de perfectie compleet. In een bos nabij stopte hij de auto, en draaide zich om naar haar en keek haar aan. Zij keek naar hem. Zelfde timing, zelfde moment alles was zo in harmonie..

Beiden raakten elkaars handen aan, intiem moment zo lang verwacht, zo liefdevol. Zo onaards, ze begrepen het niet deze mensen kinderen, waarom hen dit overkwam. Hun aardse verplichtingen waren te serieus om te negeren maar dit, dit was iets dat hun ziel voorbijvloog.

Toen zijn lippen de hare raakten leek het of ze vlogen, in een ver heelal kwamen zij tot elkander alsof zij altijd al bij elkaar hadden behoord.

Snikkend voegde zij zich tegen zijn borst en hoorde zijn hart kloppen als was het gelijk aan de hare.

Zwijgend streelden zij elkaar, genoten zij. Geen woorden waren nodig bij deze liefde, want dat wat is dat is.

Ze ontkleden elkaar, kusten elkaar, vergingen in diepte, verlorenheid, liefde, zo intens dat er bijna brand had kunnen ontstaan!

Het toppunt barste uit in een intens weten dat zij voor elkaar geschapen waren.

Dat zij bij elkaar hoorden al eeuwen en eeuwen lang, wie kon dit nu begrijpen?

Wie kon dit als mens nu bevatten?

Niemand, nog niet tenminste. In haar buik plantte hij zijn zaad, en dit kwam op, en toen zij later, elkaar weer zagen, met een glimlach en weten, wisten zij, waren ze blij, zo zonder woorden dat het kind dat komen zou. Van hen samen was en, een kind was van de engelen zo schoon.

Haar buik groeide, zijn liefde al zo groot nog groter als hij trots haar zag gaan, met haar buik. In de supermarkt bij hun dagelijkse dingen die zij moesten doen als zijnde een menselijk wezen.

Vele malen zagen zij elkander, in de parkeer garage en genoten zij van hun diepgaande liefde voor elkaar en hun weten, van hetgeen tussen hen was.

Na negen maanden toen zij bevallen ging van het kind, lag er een brief klaar.

Deze ging naar de vrouw van haar geliefde. Op deze dag, zij heenging, en het bijzonder mooie kind, in de armen werd gelegd van een vader die het niet was. En zelfs hij ademloos keek naar de pasgeborene. En de tranen die over zijn gezicht stroomden omdat zijn lieve vrouw het leven had gelaten.

En hij nog niets wist. Zo ook de vrouw van de geliefde, op de dag dat het kind geboren werd, het bericht ontving dat haar man, bij een ernstig ongeluk om het leven was gekomen. Op het zelfde tijdstip dat zijn intens geliefde engel stierf. Zij beiden de weg vonden naar het paradijs.

En de man en de vrouw op aarde, samen besloten het bijzondere kind op te voeden met hun kroost.

Als tweelingzielen elkaar hervinden op het aardse is de kracht zo intens dat zij kunnen sterven aan hun liefde voor elkaar.

De liefde is ongekend intens, diepgaand dat het alles zal verstoren op het aardse vlak. En wat er ook gebeurd vergeten kunnen zij elkaar nooit…

~*~

Een beetje zwak glimlach ik naar mijn verhalenverteller. Waarom vertel je mij dit?

Hij glimlacht en kust mijn wang, zomaar…en hij verdwijnt weer…

De weduwe

De nacht verscheen,

de maan verduisterde, en de deur ging open. Hij kwam binnen, een windvlaag meenemend. Kil, ik rilde onwillekeurig.

Je bent er weer, fluisterde ik. Een streling langs mijn gezicht was zijn antwoord. Ik stak een kaars aan, voor mij op mijn pc. In concentratie, hoorde ik zijn stem, er kwam weer een verhaal.

Ik ben benieuwd zei ik. Hopenlijk beter dan de vorige keer, hij glimlachte en zei wacht maar af jij.

~*~

Ze was al jaren alleen, weduwe Roos Martens, toch nog in de bloei van haar leven, met haar blozende wangen en haar mooie blauwe ogen.

Wat mollig inmiddels, maar toch was haar leven nog lang niet voorbij. Doch het vinden van een man viel niet mee op haar leeftijd.

En ok ze had inmiddels genoeg aanzoeken gehad, zeker wel. Maar niet één die het haalde bij haar Kees, niemand die ook maar een tikkeltje op hem leek.

Zelfs geen fractie, en dat vond ze nu juist zo belangrijk. Ze miste hem vreselijk nml. Zonder hem was alles zo zinloos leek het wel.

En ze deed haar dingen wel, hield het huis aan kant, ging naar uitnodigingen toe van vriendinnen, samen winkelen vond ze ook erg gezellig maar toch. Soms een arm om je schouder was toch zo fijn.

Liefde maakte zoveel goed in het leven, waarom moest haar dit toch overkomen? Ze wist het niet, begreep het ook niet.

Zonder haar man, ach…

Het gemis werd zelfs niet minder maar alleen maar erger, en als ze sávonds bij haar tv zat, dan soms als ze bijna indommelde dan leek het net of Kees weer even naast haar zat en zijn arm om haar schouder sloeg, en zijn ene been over de hare legde, net als toen. Maar vaak schoot ze weer terug in de werkelijke wereld en dan, ja dan miste ze hem nog meer dan ervoor.

Ze ging naar bed, alleen, in die slaapkamer en dan huilde ze zichzelf vaak in slaap. Zo zonder Kees, met een arm om haar schouder om haar te troosten. Het viel werkelijk niet mee.

Op een dag ging ze naar een medium, om te vragen of zij misschien iets kon vertellen over haar man Kees.

Aangekomen bij de dame met de grote glittercape om en met een grote glazen bol voor haar op tafel, schoot ze dan toch vol. Of ze iets door kon krijgen van Kees haar man?

Het medium deed enorm haar best, maar het leek werkelijk nergens naar, waar sloeg het op wat ze allemaal zei? Wat een oplichtster moest dat wel niet zijn?

Boos verliet zij het medium na een uur, ondanks dat ze wel betaalde maar niet tevreden was. En onderweg naar de bus, liep er opeens een man naast haar, hij zag er leuk uit, op zijn hoofd een gleufhoed, en net in het pak.

Hij stelde zich aan haar voor, vriendelijk pratend gingen ze in de bus zitten, hij moest toevallig ook die kant op nml.

Gezellig kletsend in de bus over van alles en nog wat, viel het haar wel op dat mensen vreemd naar hen keken. En hij zag er misschien wat oudbollig oud qua kleding maar het was toch zo’n charmante man!

Ze was helemaal in de wolken, want hij had best veel weg van haar Kees. Toen ze uitstapten, vroeg ze of hij misschien zin had in een bakje, en dat vond hij prima.

Gezellig pratend kwamen ze aan bij haar huis, en ze stak de sleutel in het slot. En terwijl ze zich omdraaide om de deur te openen, voelde ze ineens dat hij weg was, en ze draaide zich om en waarempel hij was er niet meer.

Roos keek verbaast om haar heen en snapte niet waar hij gebleven was. Ze liep de tuin in om te zien of hij misschien daar ergens…maar nee daar was hij ook niet.

Bevreemd ging ze haar huis binnen en maakte een sterke bak koffie, wat een vreemde belevenis was dit zeg? Vond ze eindelijk eens een echt leuke man en hij was zomaar ineens vertrokken. Zonder iets te zeggen?

Onbegrijpelijk,… schudde ze haar blonde hoofd, waarbij haar krullen heen en weer schudden. Jammer, moest haar weer overkomen.

Die avond toen ze ging slapen, hoorde ze de voordeur open en dichtgaan, ze schrok, maar er was niets te zien. Toen ze in haar bed lag, hoorde ze de slaapkamerdeur opengaan, maar weer was er niemand. Roos lag rillend van angst in haar bed. Ze liet het beddelampje maar aan die nacht, bah wat een nare belevenissen toch zo. Eerst die man die opeens verdwenen was en nu dit.

Roos viel niet prettig in slaap die nacht, woelend lag ze in haar bed. Om het uur wel even wakker. Tegen de morgen toen het al begon te schemeren, ontwaakte ze uit een verwarrende slaap en voelde hoe er iemand tegen haar aan ging liggen. Met een kreet draaide Roos zich om in bed maar zag niemand? Hhooe, hoe kan dit nou, stamelde ze. Angstig keek ze naast haar in bed, maar er was echt niets en toch voelde ze een warm lijf tegen haar aan, ze voelde, en ja, echt het was een lichaam van iets of iemand. Ben je onzichtbaar, vroeg Roos ongelovig. Ze bevoelde het gezicht, en voelde stoppels op zijn wangen, en een neus en een mond en zijn glimlach.

Ze gleed omlaag met haar handen, langs zijn hals, zijn borst, en voelde borstharen zowaar!

Lichtelijk hijgend ging de weduw Roos verder met haar zoektocht, en onder de dekens raakte zij zijn mannelijkheid aan die toch stevig rechtop stond. Zowaar, dit was een schok voor Roos, maar ach?

Hoeee K kann dit nou, stamelde Roos weer en een mannenstem antwoorde, dat hij de geest was die zij smiddags gesproken had.

De man met de hoed? Vroeg Roos ongelovig… Ja die ben ik lachte de stem. Oh…zei Roos ademloos,…Je zocht een man, en aangezien je hem niet kon vinden? En ik vond je zo mooi toen ik je daar zag, bij het medium.

Oohh…verzuchtte Roos. Ze schoof wat heen en weer in het bed. En nu ga je hier blijven? Jazeker, zei de mannenstem, ik blijf bij jou Roosje. Ik laat je niet alleen.

Roos giegelde toen hij haar borst omvatte, wat ongemakkelijk schoof ze achterover. En nu eh, kunnen wij de liefde ook bedrijven, vroeg Roos verlegen. Ja zeker dat ga ik ook doen Roosje lief.

Roos giegelde weer, tegen haar onzichtbare nieuwe vriend, dit was best wel spannend vond ze. Waarom kan ik je niet zien? Dan moet je het licht uit doen Roos, dan zie je mij wel.

En Roos knipte hierop razendsnel het bedlampje uit. En in een wazig geheel zag zij hem liggen, met zijn mooie glimlach, haar hart bonkte in haar lijf.

Ow zei ze ademloos, en likte langs haar volle lippen, en nu…eh..

Hij kwam bovenop haar liggen…

Roos was niet langer alleen, maar de buren tikten tegen hun voorhoofd als ze Roos in haar kamer geanimeerd zagen praten tegen iemand, maar er was niemand te zien. Ze had ze allemaal vast niet meer op een rijtje zei men.

Maar wij weten wel beter…

~*~

Glimlachend kijk ik op van het verhaal, bedankt zeg ik, deze is leuker.

Het is wel goed antwoord, de geest. Vlinderlicht voel ik een kus op mijn wang, de deur gaat weer open en dicht, tot een volgend keer fluisterd hij, voor weer een nieuw verhaaltje.

Ik blaas de kaars uit.

In het duister van de geestelijke werelden

In het duister van de geestelijke werelden

In het duister van de geestelijke werelden, wonen zielen die de overgang naar het Goddelijke paradijs nog niet gemaakt hebben.

Zij zijn de dwalenden op aarde. Diegenen die ons bezielen bij het schrijven van verhalen bv. Diegenen die ons iets influisteren.

Soms heb je er ook goeden bij, de goede dolenden die nog geen afscheid konden nemen van de aarde. Vanavond, zei hij fluisterend tegen mij, dan kom ik je een verhaal vertellen.

Ik heb gewacht, naast mij een glaasje wijn, en de kaarsen branden alvast.

Ik wacht, op hem die komen zal. Ik hoor de deur dichtklappen in de gang, en een koude windvlaag om mijn benen heen. Hij is er! Ben je er weer? Vraag ik. Ja ik ben er, gekomen om jou een verhaal te vertellen.

Toch geen eng verhaal? huiver ik. Hij streelt mij langs mijn wang, een lichte streling maar, kort maar voelbaar.

Misschien wel, misschien niet, zegt hij zacht.

Ik wacht wel af, mompel ik.

~*~

De wind waait, donkere wolken kolkend door de nachtelijke hemel, de regen kletterde op de daken neer, daken die glanzen in de maneschijn gelijk gladde vissen.

Ratten duiken weg in het riool, piepend achter elkaar aanrennend. Op een hoek van de Parrélwijk staat een groot oud herenhuis. De luiken klapperen op en neer in de wind.

Het huis staat al jaren leeg, niemand die daar nog wil wonen, het is nml. een spookhuis.

Iedereen liep er met een grote boog omheen. Iedereen wist dat er s’avonds vreemde dingen gebeurden. Men zag er vaak een vrouwenfiguur staan, voor het raam op de bovenste verdieping. En dan scheen er een vaag licht. Niemand ging er naartoe. Maar deze avond, dankzij een weddenschap,werd het huis bezocht door drie jongemannen.

Ben, Menno en Eric, jongens in de leeftijd van 17 en 18 jaar oud, gingen door de oude voordeur, die kraakte en half in de sponning hing. De lichten van de zaklantaarns toverden spookachtige schaduwen in de hal van het grote herenhuis. Ben struikelde bij binnenkomst al over een oude stoel die daar al jaren omgevallen op de grond lag. Zijn zaklamp viel op de grond en het licht ging uit. Verdomd, vloekte hij. Stond weer op en bukte graaiend op de oude vloer zoekend naar zijn zaklamp, Menno scheen hem bij. Hij greep de lamp en probeerde deze weer aan te klikken maar dit mislukte, hij was kapot.

Kom laten we naar boven gaan, riep Eric die al bij de oude trap stond. Is dat wel veilig? vroeg Menno. Geen idee, lachte Eric en hij liep de trap al op, richting bovenverdieping. Spookachtig toverde de zaklamp op de muren vage figuren, die heen en weer gingen. Zo is er geen kunst aan, lachte Eric, het is met deze lampen hier al spookachtig genoeg. En pas op hier, riep Eric, één tree is hier kapot. Hij wees met zijn ene voet naar een tree, lichtte bij met zijn zaklamp en liep voorzichtig verder naar boven. De anderen volgden hem. De wind waaide om het huis, alles kraakte, en door de kapotte ruiten scheen af en toe de maan tussen de wolken door.

Muizen renden weg in hoeken, misschien ook wel ratten, Ben rilde. Hij vond het enger dan hij wilde toegeven, maar zei niets.

Boven gekomen stak Eric een sigaret aan, en met dat kleine brandende puntje in het donker, leek hij het onheil aan te trekken, want beneden sloeg er een luik met een harde klap dicht.

Ben sidderde, en wreef over zijn armen. Whahahaha, het begint al, zei Eric, met een lach in zijn stem, hij geloofde nooit in deze flauwekul. Kom zeg, geesten bestonden nml niet.

Menno glimlachte wat witjes, ook hij was geschrokken nml. Ze stonden daar op de bovenverdieping en keken wat rond in de donkere kamers waar al jaren niemand was geweest.

Veel stond er niet meer in, maar er wapperden wel kapotte gordijnen spookachtig voor de kapotte ramen, wapperend in de wind die nacht…heen en weer. We moeten nog hoger jongens zei Eric. Hij nam het voortouw want de weddenschap was dat zij eenmaal boven met de zaklamp zouden seinen naar beneden in de tuin van het herenhuis, waar hun andere vrienden en enkele vriendinnen stonden te wachten. Missie mislukt, was, als zij eerder het huis verlieten en ze niet de bovenverdieping haalden, waar de spookvrouw altijd gezien werd, en in die kamer moesten zij zijn.

Ben veegde het zweet van zijn voorhoofd, het voelde zo kil in dit huis, en op zich logisch met al die kapotte ramen en deuren maar, dit was een andere kou, dan kou die door openstaande ramen en deuren naar binnen kwam. En het rook er zo vreemd naar een oude vage bloemengeur. Terwijl zij de oude trap naar de zolder volgden, kreeg Ben het te kwaad, hij meende iemand achter zich te voelen. De adrenaline spoot door zijn lichaam heen, en als verlamd bleef hij daar staan op de trap. Ik durf niet meer verder jongens, kreet hij zacht uit. Ik kan niet meer!

Eric lachte hard: Heey schijtlijster! Van jou had ik dit niet verwacht jongen! Wacht maar tot we beneden zijn, Hahaha, hij lachte weer zo hard en de lach echode door het huis.

E..e..errr stond iemandddd achterrr mij, stotterde Ben. Hij was lijkwit. Menno scheen met zijn zaklamp achter Ben, en hij glimlachte, ik zie niks hoor…

Maar net dat hij dat zei, ziet hij een schim onderaan de trap staan, en het zweet breekt ook hem ter plekke uit. Eh Eric? Klappertandde Menno, euh er is daar echt iets hoor?

Menno kijkt naar hen en mompelt weer iets, als schijtlijsters, en, gaan jullie maar terug, ik ga wel alleen! Ben en Menno kijken naar beneden, en durven bijna niet meer die trap af te gaan.

Als Menno weer naar beneden schijnt, rijzen hun haren hen te berge, want ze schijnen in de ogen van een vrouwelijk schimachtig wezen, niet zomaar ogen, nee felle vlammende donkere ogen, die griezelig naar hen kijkt, met een blik, die het bloed doet stollen in de aderen.

Aargh Eric we gaan hier weg! En stommelend rennen beiden schreeuwend de trappen af langs het schimmige wezen dat daar staat. Op het moment dat ze langs het wezen gaan, krijgt Menno een flinke duw en hij komt struikelend ten val, Oh moederrrrrrrrrrrrrr, roept hij uit, bijna jankend van angst krabbelt hij op en rent de andere trap af, waarbij hij vergeet dat de ene tree kapot is, hij komt knel te zitten met een voet, en valt de halve trap af naar beneden. Hij schreeuwt het uit van de pijn.

Eric die boven is,lacht het uit, heel hard klinkt zijn lach, spookachtig door het grote herenhuis. Helemaal alleen,is hij nu, daar boven met dat schimmige wezen. En hij beseft het niet. Menno ligt jankend van de pijn onderaan de trap, en Ben tilt hem snel omhoog, Menno zijn enkel lijkt wel gebroken te zijn. Jankend strompelen ze samen het huis uit. Snel het gazon over, het verwilderde, onverzorgde gazon. In het donker van de stormachtige nacht, rennen ze zo goed als het kan, terug naar hun vrienden die daar in het donker staan te wachten. Eric blijft in het oude huis, en loopt naar boven, de deur van de kamer waar de geest zich zou bevinden staat open. Hij loopt voorzichtig over de krakende planken, en schijnt met zijn zaklantaarn over de vloer, hij glimlacht, zie je wel niets te zien aan spoken en dergelijke. Voor het raam schijnt hij enkele malen naar buiten, daar waar hij zijn vrienden weet. “Heey, ik ben er hoor, schijterds”!!! schreeuwt hij naar buiten. Lachend draait hij zich om, terwijl de glimlach om zijn mond besterft, kijkt hij in het gezicht van een ijzingwekkend wezen die hem aanstaart met haat in de ogen. Spierwit is het gezicht, zwart het lange haar, dat om haar lichaam heen lijkt te krullen.

Haar slanke lichaam, blauwig oplichtend in zijn zaklantaarn. Eric spert zijn ogen wijd open en slaakt een gil, zo hard, zo ijzingwekkend angstaanjagend… Hij valt in zwijm.

De vrienden staan buiten en horen zijn gil, in paniek ditmaal, want Ben en Menno hebben verteld wat zij wel zagen en Eric niet. Nu staan ze daar als aan de grond genageld. Wat moeten we nu doen, ik ga daar voor geen goud meer naar binnen roept Menno uit. We moeten de politie bellen, roept Ayla, en pakt haar mobieltje al uit haar tas. Nee, nee wacht! Wacht, roept Stella, kijk, en ze zien hoe er een lamp flikkerend door het huis gaat, verdieping na verdieping, langzaam naar beneden. Wat is dat? Is dat Eric zelf? vraagt Stella ongelovig, ze rent naar de deur van het oude huis, en de anderen komen ook met haar mee.

Eric!!! ERIC!?? Schreeuwen ze. Voor de deur ligt Eric op de grond, lijkbleek, met zijn mond nog open als in een schreeuw die hij slaakte.

Langzaam komt Eric weer bij zijn positieven. Vergeten zal hij deze avond nooit meer. Hij de stoere Eric, zal nooit meer de oude zijn na dit gebeuren. Spot nooit met geesten. En nooit, maar dan ook nooit weer, bezoeken zij nog dit huis. Nooit meer.

~*~

Hm glimlach ik, dit verhaal had beter gekund of niet?

De geest glimlacht en fluistert in mijn oor dat, dat nog wel gaat komen. Maar nu, nu moet hij weg.

De chip

De chip

Het kind rende door de struiken, weg van het rumoer, ver weg van al die ellende.

Haar mooie donkere krullen bleven vastzitten aan takken, en verwoed trok ze aan haar krullenbos om los te komen, op weg naar een vrijheid die niet langer was.

Enkele haren werden pijnlijk uitgetrokken door de brutale takken, die het kind wilden tegenhouden zo leek het wel.

De tranen biggelden over haar wangen, en uit haar prachtige lichtbruine ogen.

Grote druppels hingen een seconde te wachten aan de lange wimpers om dan verloren hun weg te vinden naar de aarde, onder haar voeten, die renden, renden, tot ze niet meer kon.

En uiteindelijk terwijl de nacht zijn sterren liet fonkelen over de donkere aarde, viel zij neer op de koude grond.

Uitgeput en gedeprimeerd door alles wat zij gezien had.

Er was geen vluchten mogelijk, voor mensen zoals zij, mensen die altijd al achtervolgt waren op deze aarde, haar volk, haar mensen, haar familie, vrienden, en het allerergste haar ouders en haar zusje Hannah.

Verloren, kreet het in haar nog zo jonge hart.

Verloren en alleen op deze wereld. Waar kon zij heen?

Er was geen weg meer vrij op deze hele wereld, waar zij nog vrij kon leven. De satelliet volgde haar, dankzij de chip in haar hand, ze keek vol walging naar haar linkerhand waar in de chip geplaatst was, toen ze nog maar net 1 uur op deze aarde aangekomen was, vanuit haar moeders warme en veilige buik. Er was geen veiligheid meer, de koning was opgestaan, de antichrist, het was te laat, dat begreep ze nu wel met haar 14 jaren leeftijd.

Alle joden moesten wederom vernietigd worden, en dit maal was er geen enkele mogelijkheid om onderdak te krijgen, want mensen die hen onderdak gaven werden meteen opgespoord en gedood tezamen met de joden die zij onderdak gaven. Sarah hoorde nog de kreten van haar ouders en haar zusje, toen ze meegesleurd werden naar de onderaardse gangen, waar zij een gewisse dood tegemoet gingen. Iedereen wist dat dit gebeurd maar niemand kon nog iets doen, Die chip in de mensen hand had het leven van alle vrijheid beroofd. Men wist wat je oorsprong was, je woonplaats, waar je, je bevond, wat je deed want in de chip zaten zoveel magnifieke mogelijkheden dat men zelfs als men dit wilde, je kon afluisteren, op zeer grote afstanden. Sarah wist het ook niet meer, ze had wel eens gehoord van de ”zeven gebergte” bewoners, waar men in een vreemdsoortige vrijheid leefde, omdat men zichzelf verminkte en de linkerhand afhakte. Deze mensen waren de vrijheidsdenkers, de pioniers, de rebellen. Daar moest ze naartoe maar hoe? Zelfs nu wist ze dat ze haar konden traceren, ze wist dat als men haar pakte ze haar dood tegemoet ging. Gelijk vee werden ze opgejaagd, en vermoord om een zinloze reden, een reden bedacht door enkele mensen, een krankzinnige reden nml. Het waarom begreep niemand. Ze stond op en ging op zoek, vastberaden in het duister zocht zij naar een uitweg, Hoe kwam zij bij het “zeven gebergte”? Ze wist dat het Zuidelijk lag, een neef van haar scheen daar ook zijn weg gevonden te hebben. Als ze daar kon aankomen dan zou ze hem vast terug zien. Verlangend keek ze naar de lucht en de sterren, die vriendelijk twinkelden in de nacht alsof zij knipoogden naar haar. Ook had ze iets gehoord inzake de chip in haar hand, daarom bond ze haar haar elastiekje om haar linkerhand zodat deze minder bloedtoevoer kreeg, hoe minder warmte de chip kreeg hoe meer kans op ontsnapping. Ze moest snel zijn en slim. Dat kon zij wel. Enkele nachten ging ze op weg, op zoek naar het “Zeven gebergte”, want in de nacht had ze meer kans ongezien weg te komen, haar linkerhand zag inmiddels blauw en werd gevoelloos. Ze zag de spionage vliegtuigen wel cirkelen rondom haar verblijfplaats, maar ze was als jong meisje nog niet zo belangrijk, dus zouden ze haar misschien nog even met rust laten. Ze was niet de enige die zou vluchten voor de terreur. Ze had een honger, gruwelijk haar maag knoopte ineen, en ze moest eten vinden. Ze moest gewoon, daarom sloop ze langs een oude verwekkingsfabriek. Het ding leek leeg te staan maar toch liepen er dieren rond, ook ratten, en hagedissen die wegschoten in hoeken en gaten zodra ze haar stille voetstap hoorden. Sarah vond enkele embryo flessen, waarin nog overblijfselen zaten van ongeboren mislukte klonen. Sommige flessen waren stukgeslagen tegen de grond en waren opgegeten door de dieren die er rondliepen. Ze zag een opwekkingsmodule die zijn langste tijd al gehad moest hebben, want het zag er erg ouderwets uit. In de broedcabine vond ze tevens ouderwetse broedmachines voor embryo’s.

Uiteindelijk kwam ze bij een operatiekamer waar de meeste spullen verspreid lagen over de vloer, operatie tafels die half op de grond lagen, messen, spuiten, je zou denken dat men overhaast gevlucht was, of misschien was dit wel een gebouw geweest van joden, dacht zij vluchtig.

Ja dat moest het wel zijn. Ze vond een fles met verdoving materiaal.

In een kast enkele steriele gaasjes, en watten, en doeken, alles nog net verpakt. Ze aarzelde niet langer. Ze moest het doen.dan maar alleen. Maar ze wilde nog lang niet sterven.

Bijgelicht door een batterijlamp, verdoofde ze vakkundig haar linkerhand.

Toen alles gevoelloos genoeg was, stak ze erin met een mes, ze voelde niets meer dat was goed zo, dacht ze. Ze aarzelde geen seconde, ze moest!!! Ze sneed snel door het vlees heen, en toen pakte ze een vlijmscherp operatie zaag, waarmee ze begon te zagen in haar pols. Ze keek de andere kant op. Ze kon het niet aanzien maar de wil was zo krachtig.

De wens naar vrijheid zo belangrijk, dat ze geen keus had.

Na anderhalf uur, was het dan eindelijk zover, haar linkerhand was gescheiden van haar lichaam.

De tranen rolden over haar wangen, maar vakkundig steriliseerde ze haar pols en met een speciaal operatie middeltje kon ze de huid inclusief aders dichtkitten zodat er geen bloed meer vloeide.

Haar linkerhand stak zij in brand, inclusief chip.

Ze keek er nog even naar en rende toen hard weg, de duisternis in, op weg naar vrijheid.

Ze zag hoe er gezocht werd naar haar, want men merkte uiteraard op dat er ergens een chip verbrandde, misschien dachten ze straks wel dat ze dood was!

Het gebouw ging tevens in vlammen op, daar had zij wel voor gezorgd, als een soort erkentelijkheid aan het feit dat de oprichters ook joden waren, was zij dit wel verplicht aan hen.

Sarah rende maar door, richting het zuiden en overdag ruste ze uit in een of andere schuilplaats die zij gevonden had. Ze kwam niemand tegen gelukkig en, na een lange tijd, een hele lange tijd, als je veertien jaar bent zonder familie of vrienden. Dan is de tijd lang. Kwam ze uiteindelijk aan

bij het “Zeven gebergte”, waar zij al zwaaiend met haar linkerarm binnengehaald werd onder groot gejuich. Ze hervond haar neef daar, en vrienden, andersdenkenden.

Maar ze was veilig zolang het duurde dat wist zij maar al te goed, tenzij, tenzij,

Zij het kwaad uit de wereld konden helpen, waar mensen ooit de mensheid voor waarschuwden, de chip! De chip het gevaar voor de mensheid.

En iedereen had er toen laconiek over gedaan het maar geslikt, en geaccepteerd, en zij.

Ondanks Hitler toen, waren wederom slachtoffer geworden van het kwaad, dat altijd in deze wereld rondwaart.

Al viel er nu nauwelijks nog te ontsnappen aan dit kwaad, tenzij men zichzelf verminkte.

Moerasheks

Moerasheks

De hitte toverde golven op het wegdek, alsof er water over de weg stroomde.

Jonathan veegde het zweet van zijn voorhoofd. Daar stond hij dan, pech met zijn motor, in niemandsland, zo leek het tenminste.

Er kwam niemand langs en zijn mobiel was ook nog eens zo leeg als het flesje spa dat hij had meegenomen voor onderweg.

Hij trok zijn motorpak maar uit want het was niet te harden in die hitte.

Vloekend rukte hij het pak van zijn plakkende lijf.

Om zijn wilde lokken bond hij een rode zakdoek, tegen de felle zon.

Hij trok ook zijn shirt uit, het zweet gutste hem langs zijn lijf.

Hij kon gaan lopen naar een dichtst bijzijnd benzinestation maar dat leek hem even geen goed plan.

Het was te heet nml.

Hij ging even zitten aan de kant in de berm, en trok een graspriet uit, en stak deze in zijn mond en begon te kauwen.

De zon blikkerde fel op hem neer, en na enige tijd sprong hij op, om op zoek te gaan naar een dichtst bijzijnd station of huis, want hij had een vreselijke dorst. Jonathan koos een bospad, waar er verkoeling was voor de intense hitte, en zo liep hij een tijdje door het bos.

Het was er doods stil, huiverend wreef hij even over zijn bovenlijf.

Het was er bijna ijzig koud, onvoorstelbaar, dacht hij nog.

Af en toe flikkerde de zon zijn stralen door de boomtoppen naar de bosgrond, die begroeid was met veel mos en wilde varens.

Plots trapte hij op een zachte grondmassa, en geschrokken maaide hij met zijn armen in het rond, en voelde hoe de drassige grond zijn voeten opzoog de diepte in.

Help, riep hij uit.

HELP!

Maar niemand die hem kon horen, immers.

Zijn hart klopte hem wild in zijn borstkas, hij probeerde een tak vast te grijpen maar kon deze net niet raken.

Tot aan zijn middel zat hij al vast in de drek, het moeras zoog aan hem, zoog zo hard dat hij voelde hoe zijn broek langzaam maar zeker uitgezogen werd door de modder.

Jonathan bad hardop, Oh God help mij hier uit alstublieft.

Ik zal nooit meer slechte dingen doen, ik beloof u plechtig als ik hier uit kom dat ik mijn leven zal beteren.

En ondanks de kou en kilte van het bos brak het zweet hem weer uit aan alle kanten.

Hij voelde opeens hoe zijn voeten vaste grond onder zich kregen en opgelucht haalde hij adem, pffffffff.

Opgelucht probeerde hij om zich ergens aan vast te grijpen, maar er was geen enkel houvast geen tak geen boomstronk of wat dan ook.

Het kriebelde bij zijn benen, hij hield zijn adem in, wat was dat?

Een of ander beest in dit moeras?

Oh God toch geen slang oid. Hij schreeuwde het uit.

Oh wat was dat hijgde hij uit. Iets greep hem rond zijn middel.

En zijn broek zoog ineens weg van zijn onderlijf. Hij was naakt vanaf zijn middel in het moeras, en iets, iets,.maar wat wist hij niet.

Hij gruwde, hij voelde een ijskoude hand, dat langs zijn lijf streelde, door de modder heen.

Jonathan werd lijkbleek, wat was dat verdomme!

En ondanks het griezelige van dit alles, voelde hij hoe zijn geslacht in omvang toenam. Dit kon niet waar zijn, nee dit overkwam hem toch niet?

De hand greep zijn geslacht beet en begon hem heftig en vakkundig te masseren. Oh wat een genot, Jonathan sloot zijn ogen, en genoot ondanks de vreemde situatie. Man, zo lekker, had nog nooit iemand hem daar aangeraakt.

Het was hemels, het tintelde hem door zijn onderlijf heen.

Het leek wel of de tijd verdwenen was in dit vreemde bos, en hij had werkelijk geen enkel idee meer van tijd.

Hij voelde alleen die hemelse aanraking van die ijskoude hand.

Wat of wie het was deed er niet meer toe.

Hij genoot zoals nooit tevoren. Hij snikte het uit zo fijn was het voor hem. En toen hij bijna het hoogtepunt zou bereiken, voelde hij hoe een zacht, vochtig geslachtsdeel dat aandeed als dat van vrouwen zich sloot rondom zijn geslacht.

Het vreemde was wel, het was tevens ijzig koud maar niet minder lekker.

Hij voelde hoe er twee koude benen om zijn heupen sloten en zich bewogen tot hij zich niet meer in kon houden en hij kwam in de onbekende onzichtbare schoot en schokkend kwam hij klaar, sidderend en trillend op zijn benen, met trekkingen rondom zijn mond, keek hij verwilderd naar de modder onder zich en wilde voelen wat hetgeen was dat hij, die hem…

En hij greep en trok aan natte modderige haren, en trok het omhoog, een log en zwaar lijf.

Versuft staarde hij naar het lijk van een al lang geleden overleden vrouw, zo dood als een pier.

Vol afschuw gooide hij het van zich af, en wist niet hoe snel hij uit de modder moest komen.

Waar hij de kracht vandaan haalde wist hij niet. Maar hij bereikte de kant en trok zich uit het moeras, en keek snel achterom.

Waar hij vol walging keek naar het dode lichaam, van een ooit verdwenen vrouw, een vrouw vermist in het moeras.

Hoelang geleden wist hij niet maar ze lag er als zolang waarschijnlijk.

Hij rilde en begreep niets van wat hem was overkomen.

Hij rende weg langs het bospad waar langs hij gekomen was, hij voelde zich ziek van ellende, wat was hem toch overkomen?

Hij voelde zich smerig, en wilde water, om zijn dorst te lessen en om zich te wassen.

Had hij seks gehad met een lijk?

Hij rende alsof de duivel hem op de hielen zat, langs de berm richting zijn motor.

Waar net een tractor langskwam rijden, hij riep de boer op de tractor om te stoppen.

Wacht help me, help me, hijgde hij.

De boer stopte en stapte van de tractor.

Rustig aan jongen, zei hij goedmoedig en stak zijn hand uit naar Jonathan. Kalm aan maar! Jonathan kon wel huilen. Hij voelde zich zo vreemd. Hij vertelde stotterend zijn verhaal. Over het bos en de kilte en het moeras. Over zijn ervaring in het moeras vertelde hij niet.

Hiervoor schaamde hij zich nml. te zeer.

De boer glimlachte geheimzinnig, dat is onze moerasheks jongen, heeft ze je te pakken gehad? Lachte de boer.

Ja vast wel dat doet ze met mooie jonge mannen.

Hoe bedoelt u? Vroeg Jonathan met een blos.

Oh dat is de dochter van een herbergier, een eeuw geleden bracht zij de klanten plezier als je snapt wat ik bedoel.

Maar op een nacht kwam er een vreemdeling, iemand die niet van hier kwam, hij nam haar mee naar het bos en ze hebben haar nooit meer gezien. Men dacht dat ze er vandoor was gegaan met hem, maar schijnbaar heeft hij haar omgebracht bij het moeras en het lijk gedumpt.

Sinds die tijd, als er mannen in de omgeving zijn, schijnt ze ze aan te trekken om door dat bospad te gaan lopen. En altijd komen ze terecht in het moeras, en dan begint de pret.

Jahaa de boer lachte.

Ook ik was eens haar minnaar.

Sommige mannen uit ons dorp gaan er wel eens expres naartoe hoor, ff de broek uit pootje baaien in het moeras. En Mary heeft weer het geluk een man in haar moeras te kunnen bevredigen.

De boer lachte hardop, en even later had Jonathan weer benzine in zijn tank.

Hij wist niet hoe snel hij moest vertrekken van die plek.

Hij reed als een duivel, ver weg van dat bos.

Doch jaren later, droomde hij nog steeds over die geheimzinnige Mary in het moeras. En het echte genot zoals toen heeft hij nooit weer gevonden.

Liefdesnacht

Liefdesnacht

Hij liep met grote passen over het strandgele bospad.

De wind waaide door de takken van de bomen en de lucht werd langzaamaan duister en grauw.

Terry was een beetje laat op pad gegaan. Hij riep zijn hond, een labrador, die in geen velden of wegen te bekennen was. ‘Zeker weer op konijnenjacht,’ dacht Terry.

Hij liep rustig door tot iets zijn aandacht trok.

Iets verderop zag hij een gebouwtje staan. In dit gedeelte van het bos was hij nog nooit geweest en het fascineerde hem mateloos. Hij werd nieuwsgierig en liep het pad op naar het grijze gebouwtje. Het was een klein bouwvallig huis, overal lagen stenen op de grond en hij zag een deur die half verrot, open stond. Hij wilde een kijkje gaan nemen en stapte over het bemoste paadje richting de deur. Hij schrok op van een kat die rakelings langs hem heen schoot. ‘Zwart’, dacht Terry glimlachend.

Hij was wel geschrokken dat wel. Hij opende de deur die plankjes losliet en toen hij eraan trok, knierpte deze in zijn scharnieren, oud en roestig. Terry liep naar binnen, het was er wat schemerig. Hij kon nauwelijks iets onderscheiden, maar schrok zich wezenloos toen hij in een hoek iemand zag staan. Langzaam wenden zijn ogen aan het duister en hij keek scherp naar die figuur daar in die hoek. Was het een mens of niet?

‘Hallo’, riep hij.

Hij hoorde geschuifel. De figuur liep naar een tafel en ontstak een licht.

Terry schrok wederom, want voor hem stond het mooiste wezen dat hij ooit had gezien

Een vrouw zo mooi als een duistere engel. Haar lange zwarte haar golfde over haar rug en in haar ogen was een blik van zinderende kou.

‘Mooie ogen’, dacht Terry, maar de kilte sloeg hem tegemoet.

Terry huiverde en zei nogmaals: ‘hallo, ik had niet gedacht dat hier nog iemand woonde.’

Ze keek hem alleen maar aan en glimlachte. Terry was betoverd door haar. Wat een prachtig figuur had zij en haar mond was als een pas ontloken bloem.

Ze liep naar hem toe, waarbij haar jurk ruiste in het voorbijgaan. Terry kreeg kippenvel toen hij de koele windvlaag voelde die hem tegemoet kwam.

‘Fris hè’, zei hij als om zich een houding te geven.

Ze glimlachte weer.

Ze was magnifiek en waanzinnig mooi. Hij kon haar geur ruiken die hem bereikte, mos en een kruiderig iets, de heerlijke geur van een vrouw. Terry werd het vreemd te moede.

Hij keek haar aan en zag in die staalblauwe ogen een blik die niets verried. Alleen haar mond lachte sensueel. Ze drong zich aan hem op, haar mooie lichaam tegen het zijne. Zijn hart bonkte hem in zijn keel, hij kreeg bijna geen adem meer. Sissend liet hij zijn adem tussen zijn tanden ontsnappen, langzaam alsof het een droom was waar hij in beland was.

Ze kronkelde tegen zijn lijf, alsof ze een krolse kat was en raakte met haar slanke hand zijn gezicht aan. Die hand was koel als marmer, maar liet wel een brandend spoor na. Het was onwerkelijk, hier in dit huisje in het bos. Ze sloeg haar armen om zijn hals en blikte naar zijn lippen. Hij staarde naar haar mond en zag dat ze half geopend lag en ertussen zag hij een glinstering van haar witte tanden. Terry zuchtte diep en zette alles op nul in zijn gedachten. Dit was een buitenkans, die hij nooit weer zou krijgen. Ze proefde zachtjes van zijn mond en hij van de hare. Ze trok hem dichter naar haar toe en hij kreeg het benauwd alsof een ijzeren band om zijn borst klemde. Vreemd, deze opwinding kende hij niet, dit was onwerkelijk en niet normaal. Ze likte met haar tong in zijn mond, langs zijn tanden en gehemelte. En alles wat ze bij hem deed, liet een spoor van vuur na. ‘Niet te geloven’, dacht Terry half beneveld in zijn brein. Ze kuste hem nu vol op zijn mond.

Terry voelde een intense kou door zijn lichaam trekken. Het leek of zij steeds meer uit zijn lichaam trok.

Hij was hemels, alsof hij stoned was van een of andere drug. Ze opende zijn blouse en streelde zijn borst.

Kou en hitte liet ze nasporen en Terry werd bijna gek van verlangen om dit mooie wezen te bezitten. Hij stak zijn handen uit naar haar mooie forse borsten, voelde en woog ze in zijn handen. Ze waren perfect.

Zij gromde. Een kreun als van een dier kwam uit haar mond die de zijne bleef kussen, Ademloos, was hij. Hij voelde die zachte borsten met stijve knoppen, streelde ze en kneep er zachtjes in. Ze gromde wederom. Onverzadigbaar leek ze. Had ze als een geile stoeipoes op hem gewacht? Wie was zij?

Lang kon hij hierover niet nadenken. Hij voelde hoe ze zijn kleding uittrok, tergend langzaam.

Keihard spande hij tegen zijn rits om eruit gelaten te worden. Ze streek hem langs zijn kruis en knikte goedkeurend toen ze zijn geslacht voelde.

Hij werd opgewonden als een dier en begon te schokken toen ze hem tergend met haar nagels over zijn buik begon te krassen.

‘Wat een kat’, flitste het door hem heen.

‘Echt een kat en nog even en ze zegt miauw’, dacht Terry droog.

Maar dat deed ze niet, hoewel ze wel kon spinnen, merkte hij.

Zij maakte zijn broek los en greep met haar hand in zijn short. Ze duwde hem tegen de deurpost van het oude verlaten huis, dat niet zo verlaten bleek als hij dacht. Ze kreunde, gromde en grauwde als een wilde kat. Terry had het niet meer. Ruw duwde hij haar weg en ze sprong lenig op zij.

Liggend op haar ene heup gleed haar tong likkend langs haar lippen. Steunden op een arm zag hij haar prachtige borsten. Hij ging naast haar liggen en begon ze te kussen, met zijn tanden zachtjes op haar knoppen bijtend en knabbelend. Ze gooide haar hoofd in haar nek, grauwde wild en bewoog haar hoofd als een bezetene. Terry schrok van haar heftigheid. Stel dat ze een waanzinnige was? Wat dan?

Hij keek om zich heen en zag dat het buiten aardedonker was. Zijn hond was nog niet teug, vreemd!

Maar alles was al vreemd, maar Terry dacht nergens meer aan. Ze duwde hem nu weg, op de grond voor haar en tilde haar rok omhoog. Hij zag dat ze geen broekje droeg .’Wat opwindende vrouw’, dacht hij

Hij zag haar driehoek. Ze ging op hem liggen Zalig was het, hij genoot zoals hij nog nooit had genoten. Hij pakte haar zwarte lange haar beet, en trok eraan. Ze gromde tegen hem alsof ze het niet fijn vond en ze beet hem ineens in zijn arm. Dat deed zeer.

Het bloed liep er uit en hij wilde haar wegduwen, maar ze leek ijzersterk te zijn. De sex was intens zo intens dat hij bijna geen adem kreeg. Hij werd duizelig en snakte naar adem. Ze lachte, een hoge schrille lach. Terry huiverde , wilde wegkomen.

Hij spartelde maar niets hielp. Een demonische zwaartekracht hield hem gevangen onder deze fragiele vrouw. Bovenaards, nu wist hij een woord om haar te benoemen.

Ze gilde in de donkere nacht en lachte, een schrille kille lach… Terry dacht nergens anders meer aan dan aan dat duffe gevoel in zijn kop. Ze deed het fantastisch en gunde hem inmiddels weer wat lucht. Ze lachte weer en toen zag hij pas haar scherpe puntige tandjes. Hij schrok en was bang dat ze hem er mee zou bijten.

Vuur sloeg van hem af en hij dacht even rook te zien.

Met bovenmenselijke inspanningen duwde hij haar op haar rug.

Zij grauwde en klauwde met haar nagels in zijn rug.

Ze huiverde en gilde……..en toen zij kwam, kwam ook hij en weg was de wereld, erg ver weg

Het was weergaloos, hij zag niets dan sterren, duisternis en een gloed van vuur in zijn gedachten.

Hij kreunde en schreeuwde want er kwam geen eind aan zijn orgasme. Hij leek wel verdoofd.

Hij bleef maar komen, een orgasme als dit had hij nooit eerder meegemaakt.

Terry voelde zich wegzakken in een donkerte en hoorde hij nog haar lach scherp en kreunend.

De volgende morgen werd hij gevonden door een boswachter op zijn ronde. Terry lag nog op de grond en de kaars op tafel was opgebrand.

De boswachter keek hem bevreemd aan.

‘Is deze hond misschien van u?’ vroeg hij ‘terwijl hij naar zijn hond wees die bij de deuropening stond te wachten.

‘Hij liep gisteren in mijn tuin en ik dacht ik hou hem maar vast want …’

Hij keek nog eens naar Terry. ‘Is er iets gebeurd?’ vroeg hij.

‘Waar is die vrouw die hier woont?’

De boswachter keek hem niet begrijpend aan. ‘Er woont hier geen vrouw.’

‘Jawel want gister…’

Terry wreef over zijn hoofd en dacht na. Had hij alles gedroomd? Maar hij zag de beetwond op zijn arm en…..

Later hoorde hij in zijn stamcafé over de vrouw die hier gewoond had .Ooit een beeldschone vrouw die vermoord was door haar man, omdat ze overspel had gepleegd.

En er werd gefluisterd dat ze wel eens rondspookte daar in het donker en mannen besprong.

Terry zei niets maar dacht er het zijne van.

Een liefdesnacht met een geest?

Zinloosheid

Zinloosheid

Charlotte kijkt uit over de binnenplaats van het kasteel, en ziet bij de stallen de staljongen naar haar zwaaien.

Ze glimlacht, haar man is net vertrokken naar de stad met zijn koets, en ze vliegt de trappen af naar beneden…Snel naar het bos, waar hij op haar wacht. Haar paard staat al gezadeld, dat heeft hij voor haar gedaan. Ook hij, zag haar man vertrekken en dan is het eindelijk weer tijd om samen te zijn.

In het bos, in het groene gras.

Eindelijk samen.

Op hun afgesproken plaats, ontmoet zij hem, en hij vangt haar op als ze van haar paard glijdt.

In zijn armen, eindelijk weer. Het geluk doorstroomt haar, de warmte, die ze niet krijgt van haar stugge wrede echtgenoot.

Ze is nog te jong om ongelukkig te zijn, te energierijk om te accepteren dat, dat haar lot zal zijn.

Hij kust haar lippen zachtjes, liefdevol, en ze kijkt in zijn stralende ogen, die blijk geven van die liefde voor haar.

Ze blikt hem evenzo terug.

Ze omvat zijn hoofd in haar handen en duwt haar voorhoofd tegen het zijne. Zijn handen verstrengelen zich in haar zwarte lange haren en ze liefkozen elkaar.

Op het groene gras, lachen zij samen, zoals wel vaker dat afgelopen jaar, en er is een uitbundigheid van geluk, dat om hen heen hangt.

Charlotte moest trouwen met haar echtgenoot voor het geld en de landgoederen die nu tesaam een nog groter landgoed vormden, maar er was geen sprake van liefde, voor de nog zo jonge Charlotte en toen Donovan bij hen kwam werken als stalknecht kon zij vanaf het eerste ogenblik haar ogen niet van hem afhouden.

En hij evenmin van haar!

Na verloop van tijd gingen zij elkander ontmoeten, in het geniep, als haar man weg ging, voor een langere tijd.

Dan was de kust veilig.

Zonder Donovan was zij niet gelukkig geweest, hij maakte dat de zon weer scheen in haar jonge leven.

Dat ze weer kon lachen

Zo ook die dag, zij de liefde bedreven, vuriger en inniger dan ooit tevoren! Diepe innige liefde, zo intens, zo versmeltend in liefde, zoals liefde behoort te zijn tussen twee mensen.

Even later lagen zij in elkaars armen, elkaar strelend, en genieten van elkaars aanwezigheid.

De zon scheen en het gras kriebelde op hun nog naakte huid, de zon streelde tevens hun huid, die nog nagloeide van hun liefdesspel.

Ze sloten hun ogen om in een diepe warme slaap te vallen.

De krekels sjirpten, de vogels floten, het gras ruiste, evenzo de bomen.

Opeens hinnikte een paard, en verschrikt werden zij wakker, tegenover hen stond de man van Charlotte, razend van woede, de vernedering dat zijn jonge vrouw hem ontrouw was.

Hij sleurde haar mee naar zijn koets, waar hij haar inschopte.

Donovan bleef achter, in grote angst.

Charlotte mocht het huis niet meer verlaten, haar man al stil van nature werd nog stugger en zei geen woord meer tot haar.

De winter kwam en de stalknecht was al lange tijd vertrokken van hun kasteel, zij had hem niet meer gezien.

Het leven was een grauwe somberheid voor Charlotte in dat koude kille kasteel en zeker zonder haar zo geliefde Donovan.

Ze kwijnde weg, werd bleek en mager.

Op een dag was het genoeg voor haar, ze sloop stiekem weg, en ging naar het dorp op zoek naar informatie over Donovan.

Ze vernam dat hij niet eens zover weg was gegaan van haar, maar zich nog nauwelijks liet zien in het dorp.

Ze rende naar hem toe, naar het huisje bij de dijk, haar haren dansten achter haar figuurtje aan, buiten adem kwam ze aan.

En klopte op de deur, die hij opende en ze lagen eindelijk weer in elkaars armen.

Tranen stroomden over haar gezicht, en ook zijn ogen waren vochtig van de tranen. Ze kusten elkaar, beminden elkaar als nooit tevoren en besloten weg te gaan samen van deze plek.

Het kon Charlotte niets meer schelen.

Kasteel en geld hadden geen waarde tegenover liefde.

Toen ze naar buiten gingen stonden daar dorpsbewoners en haar man, die een goede betrekking had in hun dorp, en aanzien, en hij beval, dat zij gehangen zou worden voor haar daden.

Ze rukte zich los van de mannen die haar vasthielden, maar dit mocht niet baten.

Het regende, het gras was minachtend felgroen die dag, en op een groene heuvel werd zij gehangen aan een boom. Ze keek naar haar echtgenoot met een trotse houding, hij schaamde zich ergens wel voor zijn daad.

Maar zijn trots kon het niet verkroppen dat zijn vrouw met een ander geluk gevonden had.

Hij zou haar straffen!

Donovan brulde van verdriet en werd tegengehouden door dorpelingen, hij kon niets doen tegen dit alles.

Hij lag op zijn knieën en snikte..en balde zijn vuisten.

Charlotte zag dit alles rustig aan vanaf de heuvel met het touw om haar hals, haar natgeregende haren plakten tegen haar lijfje, van haar fluweelgroene japon.

Haar mooie ogen schitterden fel, naar alle mensen die daar aanwezig waren, maar het leek of zij gedragen werd door de liefde die zij gekend had, die zij had mogen kennen.

Ze werd gehangen, ze hing daar aan die boom, op die groene heuvel en het regende nat.

De mensen vertrokken langzaam aan van dit trieste schouwspel, en Charlotte ziel bleef nog even achter bij haar lichaam, en zag hoe zinloos haar dood was, dat jonge gezonde lichaam dat nu, dood was gemaakt door mensen, door die ene man.

Die niet voor haar bestemd was geweest van tijden voorheen, en Donovan, nog op zijn knieën liggend, keek hij vol ongeloof naar haar, haar lichaam dat daar zo levenloos hing.

Zijn haren nat, zijn wangen nat van tranen.

Hij tilde haar op en maakte haar lichaam los van het touw, en begroef haar onder de boom op die groene heuvel..

En Charlotte voelde zijn intense pijnen, en verdriet aan, probeerde hem te troosten doch dit lukte niet, hij wist niet dat zij nog bij hem was.

Het was al donker eer het alles gedaan was en Donovan snikkend in slaap viel op haar graf, de hele nacht bleef zij bij hem.

Wakend, naast hem die zij zo lief had, doch de volgende morgen die aanbrak was een nieuwe dag, en ze werd gewenkt door de engelen Gods, zij moest gaan.

Ooit ontmoeten zij elkander weder wist zij, zij wist dit!

Rowena

Rowena

In een dorpje uit een heel ver verleden, lagen zonnestralen verscholen achter een horizon.

Takken van de bomen, in het bos, dropen nog na van de pasgevallen regen.

Moddersporen op het bospad, leiden naar een kleine hut.

Klein maar geriefelijk, was de inhoud beter dan de buitenkant.

In het hutje woonde een oude vrouw met haar kleindochter.

Rowena, de kleindochter was een bijzonder mooi meisje, met prachtige vuurrode lokken, die golfden tot op haar rug.

Haar ogen waren groot en omkranst met dikke lange donkere wimpers, als in schril kontrast met haar vuurrode lokken.

Doch het vreemde was, niemand kon haar in de ogen blikken, zonder een intens vreemd gevoel te krijgen.

De ogen hadden nml geen kleur, ze waren zo goed als wit!

Nooit had iemand dat gezien bij een ander menselijk wezen.

Mensen ontweken Rowena, als ze in het dorpje kwam, kinderen renden weg.

Men noemde haar ook wel eens een heks.

Een nog zeer jonge heks, dat wel.

Rowena haar ouders waren jaren geleden gestorven tijdens een pokken epidemie.

Rowena was weer genezen en grootmoeder ach die verging niet, dat was net onkruid.

Grootmoeder maakte altijd kruidendrankjes en genezende pleisters voor de dorpelingen.

Rowena leerde dit alles spelenderwijs mee, en op een dag zou zij de dorpelingen voorzien van geneeskrachtige zaken.

Maar zover was Rowena nog lang niet.

Naar school gaan deed zij niet, grootmoeder had haar nodig in huis omdat zij leed aan reumatiek.

En grootmoeder was een wijze vrouw die haar kleindochter alles zelf kon onderwijzen.Omdat Rowena gemeden werd, maar toch zo vreselijk mooi was, waren vele mannelijke dorpelingen stiekem wel een beetje bezig met die mooie meid, in hun dromen en fantasieën als moeders de vrouw te bed ging.

Of de zonen die soms toch wel erg dicht bij het hutje kwamen om een glimp op te vangen van Rowena..

Op een dag kwam Serben de zoon van de rijkste boer uit het dorp langs het hutje met zijn paard en wagen, hij was net terug van het land.Bezweet en vermoeid liep hij naast het paard, die de kar trok door de moddersporen op het bospad.

Het was al schemerig, en terwijl hij daar zo liep, zag hij plots Rowena staan, achter het hutje, bezig met takkenbossen bij elkaar binden.

Haar lange rok wapperde om haar benen, en haar lokken dansten om haar fijne gezichtje.

Ademloos keek Serben toe.

Maande het paard tot stilstand, en verborg zich wat achter enkele struiken, stiekem keek hij naar de jonge vrouw.

Lange tijd, tot bijna het duister kwam, keek hij naar haar, hij was helemaal in de ban van haar.

Het leek alsof hij betoverd was.

Het paard dat langdurig had lopen grazen een eindje verderop maakte opeens een snuivend geluid en Rowena schrok op.

Ze voelde zich ergens al een tijdje bespied maar dacht dat dit kwajongens waren uit het dorp.

Ze veegde een lok uit haar ogen en keek om haar heen, om plots oog in oog te staan met Serben, die tevoorschijn was gekomen.

Hij keek in haar ogen, die werkelijk bijna wit waren, zoals men had verteld.

Nog nooit zag Serben zo een schone vrouw, nog nooit had zijn hart zo gebonkt in zijn borstkas, voor een vrouw.

Hij snakte naar adem, en strekte zijn hand uit naar haar, en Rowena keek naar hem als een geschrokken hinde, en ook haar ademhaling sloeg op hol.

Want zo dichtbij, had zij nog nooit een man gezien, een nog wel zo’n knappe man..

Verlegen keek zij weg, en Serben trok het meisje tegen zich aan in een opwelling, en sleepte haar mee in zijn val naar de aarde, naar de zijkanten van het bospad.

Hij sloeg zijn hand voor haar zachte mond dat wilde schreeuwen doch, zijn hand voorkwam dat er enig geluid uitkwam.

Daar zolang te staan kijken naar zo een mooie meid was Serben naar de kop gestegen, hij dacht niet langer na, hij wilde haar nu bezitten.

En zo ook kwam het dat zij even later op de grond lag, met ontblote bovenbenen, met haar rok omhoog en haar blouse half open. De witte borsten als witte lelies in het schemerduister oplichtend als een spottende lach.

Uit haar ogen drupten tranen, en Serben, liep snel weg, naar de kar en het paard, onderwijl zijn broek optrekkend, en zonder een woord gezegd te hebben vertrok hij.

Haar achterlatend in het duister, op de koude kille natte grond.Het bloed klopte hem in de kop, en hij wilde snel weg van die duivelse vrouwe!

Hij joeg het paard op tot grote snelheid, hij wilde zo snel mogelijk weg uit dit heksenbos.

“Wat had hij gedaan?”

Ze had hem behekst! Dat was hem wel duidelijk.Rowena schikte zo goed en kwaad als het ging haar kleding en ging zich wassen bij de pomp.

Tegen haar grootmoeder zei ze niets, ze wilde de oude vrouw niet ongerust maken of verdrietig zien.

En elke dag vanaf die dag, was er weemoed in het hart van Rowena, naar iets dat zij gesmaakt had, maar nooit meer zou proeven, zo zij voorvoelde.

Meedogenloos en bruut had hij haar genomen, edoch, voelde zij een verbondenheid met hem, die zij niet kon verklaren.

Zij kon hem ergens vergeven voor zijn daad, alsof zij deze instinctief begrijpen kon.

Alsof ze zijn ziel liefhad maar zijn wezen in het aardse zijn niet.

Twee maanden later was het dan zover, elke morgen scheen zij misselijk bij het opstaan en grootmoeder die alles wist over zwangere vrouwen, maakte haar kleindochter hier attent op.

Rowena zette grote ogen op, en vertelde toen het verhaal, van die avond in het bos, en van de man met zijn paard en wagen.

De man met zijn donkere felle ogen en zijn ravenzwarte haren.

Grootmoeder wist wie deze jongeman zijn moest en glimlachte tegen haar kleindochter.

Het kind heeft gegoede voorouders, alleen als men dit te weten komt, zal het duister zich voltrekken.

Laat dit een geheim blijven mijn kind!

Grootmoeder staarde voor zich uit in de vlammen van de haard, en knikte hierbij bedachtzaam.

Zij kende de Hereboeren wel.

En zo zwegen de twee vrouwen in dat hutje in het bos over het kleine wondertje dat zich ging voldragen in de buik van de jonge vrouw.

In het dorp lag er een elke nacht te woelen en te draaien, kon de slaap niet langer vatten, na zijn daad in het bos..

Hij leek te zijn bezeten door de duivel zelf.

De ouders zagen met lede ogen aan hoe hun zoon zich ging misdragen in het dorpscafé waar bij veel te veel ging drinken.

Daar moest de pastoor aan te pas komen, want ook zij wisten het niet meer.

En met de pastoor kwam een goed gesprek op gang, over de heks in het bos die hem de kop gek had staan maken in het schemerduister.

Hoe ze naar hem gelonkt had, zei hij, terwijl het schaamrood hem naar de kaken steeg.

En ze hem verleide toen ze haar boezem ontbloot had, en hij onder haar bekoring raakte.

Het is een heks meneer pastoor!

Zo vergoelijkte hij zijn daden en moffelde hij een enig schuldgevoel, zo hij deze had weg onder een tapijt van rijkdom en aanzien in het dorp.

Iedereen was het er over eens, dat de mooie Rowena een heks was, net als haar grootmoeder en eenieder wist wel iets te vertellen.

Vergeten waren zij de goede giften van de oude vrouw, de behulpzaamheid van de oude dame, die immer voor anderen klaar had gestaan.

Nee daar had men het niet meer over.

De kippen van Lena waren van de leg of men dit al wist?

De koe van boer Kamps gaf geen melk meer, en de vrouw van de slager had een kind met 5 vingers gebaart en dit kwam omdat de oude vrouw vlak voor de bevalling in de winkel was geweest voor een pond spek.

Maar het mooiste verhaal kwam van een stel opgeschoten kwajongens die hadden staan loeren bij het hutje in het bos, nml dat de jonge vrouw een kind moest krijgen!

Nou men had de mond ervan vol, van wie dat nu zou wezen?

Vast van de duivel zelf, want had Jantien, de jonge vrouw met volle maan niet zien vliegen op een bezemsteel? Boven de boomtoppen uit!?

Precies ja!

Er was onrust in het dorpje gekomen

En daar hielden zij niet van, de dorpelingen.

Dat was niet goed dat was duivels werk.

En de maanden vorderden gestaag, de herfst ging over in de winter en de winter in de lente..en toen de zomer aanbrak, werd er in het hutje een kind geboren.

Grootmoeder tilde het wichtje tegen haar aan en zegde het geluk toe op deze wereld, terwijl Rowena vermoeid in een diepe slaap viel, bakerde grootmoeder het kind.Na vele beschuldigingen van de dorpelingen, kwam er na een jaar een climax, Serben ergens toch wel nieuwsgierig naar het kind, was eens langs het hutje gekuierd,

En had daar wederom een tijdje staan kijken, en wat hij zag dat gaf hem een heftige schok.

Het kleine wichtje was zo wonderschoon, met gitzwarte krullen om haar mooie fijne gezichtje, en een rood pruilmondje, en prachtige lichte ogen, niet zo licht als van de moeder maar toch..

Serben had het er moeilijk mee, dat was zijn kind.

En hij wist dit ook.

Vanaf die dag legde hij stiekem geld neer bij de achterdeur van het hutje, dit deed hij diep in de nacht als alles in rust was.

Rowena wist niet van wie de goede gaven kwamen maar ze waren er heel erg blij mee. Want zo ruim hadden zij het niet.

Ze kocht zelfs op een dag een jurkje voor haar kindje.

Een prachtig wit kanten jurkje, dat mocht het kindje aan op de zondag.

Ook al gingen zij dan niet naar de kerk maar toch, op zondag was het de dag van God en dan moest zij er net uitzien, zoals het hoorde bij de rijke mensen.

Grootmoeder werd ernstig ziek, en lag te bed, Rowena zorgde voor alles in het hutje en voor de haar zo geliefde personen.

De enige die zij had op deze hele wereld.

Op een dag moest zij eten halen uit het dorp en nu kwam zij daar al nauwelijks, meestal ging grootmoeder, nog altijd goed ter been, erop uit om eten te halen.

Doch ditmaal ging zij alleen en liet het wichtje achter bij grootmoeder.In het dorp aangekomen, bekeek men haar met argusogen en niemand sprak tegen haar, bij de slager aangekomen, gooide een kwajongen een appel tegen haar aan, Rowena schrok van de vijandigheid die zij voelde van de dorpelingen en alsof, dit het startschot was geweest, dromden er opeens vele mensen om haar heen.

Ze duwden haar en zeiden dat zij een heks was.

Dat ze op de brandstapel thuishoorde en met de duivel een kind had.Rowena was bang, en ze begon te rennen, en iedereen rende haar na.

Ze werd opgejaagd, met stokken en honden, alsof zij een hert was dat gevangen moest worden.

Het hart klopte in haar keel en haar vuurrode haren leken vlammen te zijn achter haar rennende figuurtje.

Serben zag dit aan van een afstand en riep dat ze moesten stoppen, doch niemand luisterde , men was bezeten van het feit dat deze heks de oorzaak was van alle ellende die de dorpelingen overkomen waren.

Ze renden en sloegen naar haar, de tranen vielen uit haar mooie ogen.

Blindelings in paniek rende ze maar door.

Ze kon geen woord nog uitbrengen.

Ze rende maar door..tot ze uitkwam bij het moeras.

En ze ineens voelde dat de grond onder haar plotsklaps week.

En zij gezogen werd, naar diepten waaruit geen mens ooit meer komen zou.

Ze gilde het uit, toen wel, en de mensen stonden daar toe te kijken, hoe zij zichzelf vrij wilde vechten van een onnodige dood.

Niemand hielp haar, niemand stak een hand uit.

Men was vergeten, wat zij en haar grootmoeder gedaan hadden aan goede daden, men dacht alleen aan schuldenaren.

Langzaam verdween de schone Rowena in het moeras, het laatste dat men zag was het vuurrode haar dat boven dreef, en men draaide zich toen pas om.

Ondertussen hadden kwajongens in het dorp het hutje in het bos in de brand gestoken.

Felle vlammen likten aan de donkere hemel die nacht.

Grootmoeder stikte in de vlammen, en niemand hoorde een kind schreien.

Het kind was door de duivel zeker al gered?

Zo dacht men in dat primitieve dorp in die dagen.Doch in het bos rende een man met een kindje op zijn armen in het wilde weg door de struiken.

Thuisgekomen zette hij het kind bij zijn moeder op schoot en riep dat hij geld nodig had en spullen.

Hij ging ervandoor zei hij.

De moeder verbaast vroeg hem wat er aan de hand was en van wie dat wichtje was?

Dat mooie kleine wichtje met haar schattige witte kanten jurkje, dat op haar schoot zat te kijken met wonderlijke ogen.

Hoe heet dit meisje dan vroeg de moeder weer.

Rowena riep Serben uit in paniek de tranen zaten hem in de keel dwars, en hij pakte snel alles wat hij nodig kon hebben voor een nieuw leven.

Hij kuste zijn moeder vaarwel en vertrok zonder pardon uit dat dorp.

In de donkere nacht reed hij met paard en wagen en keek nog eenmaal achterom.

Het bos stond in lichterlaaie, vlammen likten de hemel, alsof de duivel God wilde raken..

En zo ging hij heen met zijn kind.

Het kind dat zoveel van de ouders had.

In het dorp keerde de rust weder, na lange, lange tijd en niemand sprak nog over de heksen in het bos.

Waar het hutje had gestaan was nu enkel nog as.

En in de zijbermen bloeide een witte lelie, een beetje spottend glanzend wit stond zij daar..

Een beetje eigenwijs wel.

En in een ver land hier vandaan, stapte een vader met zijn dochter van een schip.

Eindelijk vast land onder de voeten.

Een nieuw begin, nieuw karma, door te zorgen voor het kind,

Dat was hij wel verplicht na al zijn schuldenaren.

Passie

Passie

Shalina lag in haar bed te woelen….

ze gooide haar dekens af en kon de slaap niet vatten…

Ze draaide zich op haar zij en opende haar ogen.

Ze veerde omhoog en keek hem in zijn ogen.

Wie was dat?

Ze wilde gillen van angst, ·maar in het donker zelfs zag ze in de schemering. Zijn vriendelijke maar doordringende ogen.

Wie ben jij?

Fluisterde ze ademloos…

Maar hij legde zijn vinger op haar lippen en knikte haar toe als teken niets te zeggen.

Ze knikte terug en…werd als was in zijn aanwezigheid…

Vreemde situatie dacht Shalina. Maar er ging iets heel rustgevends van hem uit…zijn ogen flikkerden op in de nacht..en om zijn mond lag een geamuseerde trek…hij was mooi vond ze…en hij legde zijn ene hand op haar schouder…

En duwde tegen de zachte stof om het zo wat naar beneden te duwen zodat haar schouder bloot kwam…Hij trok cirkels langs haar vrijgekomen schouder en bezorgde haar prikkelingen op haar huid een zalige sensatie…

Shalina zuchtte en.

Begon zich te ontspannen…

De man duwde haar achterover op bed…en begon haar sensueel te strelen….

Over haar benen. Van haar kuiten tot aan haar dijen. En weer terug. Shalina zuchtte…

Hmmmmmm…heerlijk zoals hij het deed dacht ze nog half slaperig…

Wie hij was kon haar geest niet meer bevatten. Loom als ze was…en in feite maakte het haar vreemd genoeg niets uit….

NU dan wel een leukerd dacht ze nog. En liet hem begaan.

De man…kuste haar hals..met vlinderlichte aanrakingen….en zij zuchtte…en liet het over der heen komen…

Ze voelde elektrische schokjes in haar buik..toen hij langs haar halslijn naar beneden gleed met zijn lippen…

Hij gleed met zijn handen onder haar nachthemd…en koesterde haar borsten in de palmen van zijn hand…zachtjes raakte hij haar borsten aan en het gaf haar rillingen en kippevel………

Hoe heet je vroeg ze opeens.

in een opwelling om de stilte te verbreken..

Maar het enige wat hij zei of gaf was een glimlach en meer niet. Shalina werd een beetje gefrustreerd. Door de opgelopen spanning…

Die hij haar bezorgde…

en zijn zwijgzaamheid.

Wie ben je…

vroeg ze nogmaals dwingender…

Ze keek in zijn ogen die in het donker…erg glinsterden…van plezier…meende ze…

Ze wilde zijn machtige schouders aanraken. Zijn geur ruiken.

Maar hij duwde haar weg.

Waarom niet vroeg ze nogmaals. Maar hij legde wederom zijn vingers op haar lippen…

Shalina probeerde hem toch aan te raken. Maar hij ontweek haar handig door weg te deinzen voor haar aanraking…

shalina…was verbaast over het gedrag van hem…maar ?

Alles was raar..de maan scheen door haar raam naar binnen…langs de reetjes van haar gordijn..en daar zag ze lijnen van zijn gespierde armen. Die ontbloot waren zag ze.

Ze snoof eens in de lucht om toch iets op te vangen van deze man en ze rook tabak…

En een geur van frisse waspoeder,

iets van een aftershave…een lekkere aftershave wel

shalina snoof nogmaals..en zuchtte..het was een vertrouwde geur…

heerlijk….

en hij raakte haar tepels aan..en ze rilde bij deze aanraking…

Zuchtend kronkelde ze onder hem

en liet hem begaan.

Hij ging over haar heen liggen ze voelde zijn gewicht op haar lichaam…

shalina sloot haar ogen….

heerlijk zijn lippen vlinderden langs haar hals omhoog naar haar mond die smachtend open stond..op zoek hongerig naar meer..van hem?

Wie was hij klonk er vaag door haar hoofd. Wie is deze man?

Maakte het uit het was heerlijk wat hij deed. Het spel van zijn tong die haar tanden langs ging.En haar mond verkende…

Zijn mond smaakte zoet…en licht naar tabak…mannelijk vond ze…en ongezond maar wel prettig.

En toen zijn ene hand richting haar navel ging. En lager en lager stokte de adem in haar keel.

Ze kreunde zacht en schokte haar heupen omhoog. Tegen zijn hand aan…

Hij lachte binnensmond. De macht van hem over haar lichaam die macht van hem over haar lichaam, was haar teveel. En ze vloog op tegen hem aan…verdomme. Zei ze wie ben je.?

Vloekend. Verdomme?

En ze probeerde het licht aan te doen. Om ineens naar beneden getrokken te worden door hem…Hij werd boos. Merkte ze,wild..en passioneel. Hij rukte haar slipje af.En nam plaats tussen haar dijen. Shalina’s adem schokte…hij nam haar..wild en vurig.

Ze schokte tegen zijn borst aan..en kwam in een moment van angst en verbazing. Het was hemels.

En…hij……….hij schokte eveneens..en ze voelde zijn adem stokken…….Shalina lag tegen hem aan. Warm en vertrouwd. Wie was hij wilde ze weten…

Wie?

En hij leek in slaap gevallen naast haar….

Shalina richtte zich op, op een arm..en reek naar haar lamp naast haar bed…..

KNIP.. het licht was aan..verwachtingsvol en ademloos keek ze naast haar…

Ze schrok.

Er was helemaal niemand?

Het bos

Het bos

 loop walk woods GIF

In het woud liep een jonge man, zijn wandelschoenen waren doorweekt door de plassen water die overal verspreid lagen door de heftige regenval van de afgelopen nacht…

Hij keek om zich heen en zuchtte want hij was hopeloos verdwaald…

Uren liep hij hier al rond en hij kon geen enkele weg herkennen, het werd hem wat vreemd te moede.

Alle bomen leken op elkaar en waar hij ook keek het leek eindeloos en uitzichtloos.

Het werd al schemerig en, hij vloekte binnensmonds…

Dit was toch te gek?

Maar opeens vond hij toch een pad dat afweek van hetgeen hij de afgelopen uren had gezien…en hij stapte dapper door….

De bomen werden minder vol en hij kon al wat door de bomen heenkijken…

Er groeide groen gras, zo groen dat het bijna pijn deed aan je ogen.

Het leek wel mossig……en drassig.

Hij liep voort en kon geen weg herkennen.

Moedeloos ging hij op een gegeven moment zitten tegen de stam van een boom en.

Hij nam wat te drinken uit zijn flacon die hij altijd bij zich droeg in zijn borstzak.

Whisky deed hem goed…hij voelde de branderige smaak door zijn slokdarm naar beneden glijden…

Dom van hem om zo weg te gaan, hij dacht dat hij maar een uur of wat weg zou zijn, maar gezien de tijd op zijn horloge bleken het al uren te zijn.

Sebastiaan keek eens goed om zich heen en bespeurde ene verandering in de atmosfeer…

, een eind verderop groeiden opeens allerlei lupines. Vreemd…en onder een wirrelwar van klimop leek een oude muur te staan, misschien ..een ruïne?Sebastiaan keek en zag de

Prachtige lupines. In allerlei kleuren op verschillende hoogtes, en de bijen zoemden eromheen.

Sebastiaan stond op en liep erheen…om eens polshoogte te nemen…

Verbazingwekkend!

Er lag een stuk muur als van een oud kasteel…?

Oude brokken steen grijzig en groen beslagen, lagen daar de bouwwerken van eeuwen terug. Sebastiaan liep eromheen en vond aan de achterkant een soort binnenplaatsje.

Een glimlach lag om zijn mannelijke mond…en zijn ogen glommen door zijn ontdekking, misschien wist niemand dat dit hier lag?En was hij de enige op de hele wereld.

Hij huiverde opeens. De enige op de hele wereld…

De enige in dit bos leek het wel…

Hij merkte opeens op dat hij geen vogel meer hoorde fluiten. Geen dier meer hoorde ritselen in het struikgewas of gebladerte…

Stilte…zelfs geen zuchtje wind…was hoorbaar….

Hij greep naar zijn oren en was bijna bang dat hij plots doof was geworden. Want dit was heel erg vreemd…

Hij begon te lachen van een soort schrik…

Die hem plots beving…

Zijn lach schalde door de stilte heen….en ook dat was angstverwekkend.

Niets maar dan ook niets echode zijn lach….en het werd hem wederom zwaar te moede.

Hij wilde naar huis. En keek om zich heen in een soort van wilde paniek. Hij liep snel langs het plaatsje achter de muur…en vond ineens een soort van prieeltje…..

Jezus!Dacht hij….hoe is dit mogelijk. Het was van mooi smeedijzer…

Maar erg verroest. Sierlijk krullend smeetijzer. En erboven een puntig dakje…

Eveneens hier groeide de klimop welig om de stalen puntjes en stangen heen.

Hij zag dat het ooit goudkleurig was beschilderd.

Verbaast was hij en ging erin staan en keek aan de achterkant ervan uit over een kleine vijver.

Hij greep door zijn blonde kuif en…kon even zijn ogen niet geloven….Want daar midden in het bos stond bij die vijver een wonderschone vrouw.

Haar lange donkere haar gleed af langs haar tere schouders en langs haar witte gewaad droeg zij een gouden koord.

Hij keek naar haar gebiologeerd en. Zijn adem sneed hem af toen ze naar hem keek.

Wonderschone ogen staarden hem aan…en het was alsof hij nog nooit een dergelijk mooie vrouw had aanschouwd in zijn hele leven niet…

Ze was bovenaards mooi.

Haar gezicht omlijst door het zwarte haar en die ogen groot in een wit albasten gezicht.

Haar kleine mond was rood als bloed en.

Haar blik zo koud als ijs…hij kreeg de rillingen over zijn rug maar kon zijn blik toen hij de hare ontmoete niet meer losmaken…

Ze kwam langzaam op hem toe en het leek of ze niet liep maar eerder danste.

Vreemd. Hij voelde zich duizelig worden.

Alsof al het bloed uit zijn hoofd trok en zij hem uitzoog vanuit een afstand van nog maar vier meter…

Hij hervond zijn evenwicht opeens. En keek even de andere kant op.

Toen hij weer naar haar wilde kijken.

Was ze weg.!Verdwenen!

Sebastiaan greep naar zijn flacon Whisky en dronk hem in een teug leeg..dit was toch te gek, en zijn hart ging als een razende tekeer…

En..Hij wist niet meer hoe hij het had.

Hij zocht steun bij de stangen van het kleine prieeltje.

En dacht dat hij het zich alles verbeeld had…

Hij keek de omgeving af en zag dat er echt niemand daar was.

Niks niemendal. Alleen hij, verdwaald in een bos…

Hij ging een kijkje nemen bij de vijver en zag wat afgeknapt Engels gras bij de rand van de vijver.

Dus iemand had hier wel gelopen bedacht hij verward.

Sebastiaan wist niet meer hoe hij het had. En hij keek een ogenblik in de vijver en zag.

Mijn God!Stiet hij uit, de adem barste uit zijn maag omhoog. En zijn borst ging als een razende op en neer.

Oh mijn God!Riep hij weer.

In het water lag een lijk. Een oud lijk. Het geraamte hing tussen de rietkraag en lang zwart haar dreef op het licht golvende water.

Mijn God, riep Sebastiaan weer uit.

En opeens zette hij het op een lopen.

hij rende alsof zijn leven ervan af hing en…hij rende door de struiken de takken rakelings langs zijn gezicht en…hij schramde zijn armen open aan bramenstruiken en terug zwiepende takken….waarlangs hij rende..

Alsof de duivel hem op de hielen zat.

Hij schramde zijn wang ernstig aan een struik met scherpe doorns en hij veegde met zijn hand het bloed weg.

Zag dat het erg bloede…en..

Hij bleef opeens stil staan.

Jezusssssssssss……..!!!!!

Dacht hij…keek om zich heen………..waar was hij toch?

Verdomme vloekte hij hardop…

Verdomme……help me god……..!!!!!

Hij schreeuwde inmiddels…….

en er klonk geen enkele echo uit het bos…

niets…..dan stilte..en die stilte was dreigender dan wat dan ook…….

Angst bonsde in zijn borstkas.

Sebastiaan voelde zich verloren…eenzaam en alleen in dat grote woud……….waarin hij een speld was in een hooiberg,…niemand zou hem hier vinden……Niemand.

Het was al donker en Sebastiaan zeeg neer langs een boom.

En sloot zijn ogen.

Het was al nacht toen hij zijn ogen weer opende en het maanlicht dor de bomen scheen.

Sebastiaan…wreef in zijn ogen en herinnerde zich opeens weer waar hij was….

Zijn hart begon weer te bonzen…en..hij hoorde iets naast zich………

Hij keek en in afgrijzen zag hij de mooie vrouw naast hem zitten.

Ze keek hem aan met die donkere ogen onpeilbaar diep. Onpeilbare diepten.

Ze ademde zwaar. En keek hongerig naar hem.

Sebastiaan wilde iets zeggen maar zijn stembanden weigerden dienst. God wat was ze toch mooi.

Dacht hij en…hij zag haar lippen waartussen haar tanden flitsten..wit als parels…en..scherp………

Ze nam zijn mond met haar lippen. En hij voelde de kou stromen uit haar dode lippen.

Ze greep in zijn blonde haar en woelde erdoorheen.

Hij kuste haar terug in een verzengend vuur. Dat hij nooit had ervaren.

Haar handen leken klauwen toen ze hem ontklede. Zijn shirt van zijn gespierde body scheurde.

Hij hoorde het scheuren van zijn shirt nagalmen. In het stille bos…

Ze ademde kou tegen zijn lippen. En het vuur waarmee ze hem verslond was niet van hier.

Dat was…dat was…

Zijn hersens weigerden dienst. En toen hij zover was dat hij in haar goddelijke lichaam drong. Was ook dat koud. Maar met een ijzingwekkend vuur in zijn lendenen. Bereed hij haar. Alsof het het laatste was dat hij doen zou. In dit leven. Hij was waanzinnig van genot…en lust…en zij klauwde met haar nagels over zijn lichaam bloedsporen achterlatend. Zij beet hem overal. Niet pijnlijk maar toch hard genoeg. Om hem tot waanzin te drijven.

Haar puntige borsten staken kil tegen zijn borst aan…en leken op scherpe naalden..die hem doorboorden….

maar in zijn sekshonger naar deze bloedmooie vrouw…..en de angst die hij had ervaren…bemerkte hij dat niet eens meer. En toen hij tesaam met haar het hoogtepunt bereikte…was het

zijn geest die het af liet weten en het dierlijke in de mens die hem tot het hoogste genot dreef dat een menselijk wezen maar zou kunnen bereiken. Het was nacht en het was koud. De maan verscheen vanachter wolken en bescheen de man die omarmd door klimop onder een boom lag. Zijn ogen keken angstig voor zich uit. Zijn mond verstomd in een schreeuw. Die de wereld nooit meer bereikte. En in zijn hals twee puntige gaatjes. Waar nog bloeddruppels uitdrupten. Hij was niet meer.