Voorbij


Ze keek door haar wimpers naar het kleine gezichtje voor haar. Dat wezentje, haar zo lief.
Zo klein en hulpeloos.
Waar handjes fladderden in de lucht en kleine kreetjes de lucht vervulden…
Waar grote ogen met lange zwarte wimpers verbaasd de wereld inkeken.
De mooie, glanzende krulletjes rondom het kleine poppengezichtje.
Oh ja, ze had haar zó lief, haar dochtertje Aïscha.
Tranen vulden haar ogen. Zo klein nog — en de wereld zo wreed.
De mensheid leek wel gek geworden. Wat was er in hen gevaren?
Het verdriet sneed in haar ziel.
Haar hart leek soms even te stoppen met kloppen, omdat het zo vol angsten zat.
Elke dag opnieuw.
En zíj droeg de verantwoording voor alles dat haar het liefste was in de hele wereld: haar kleine, mooie Aïscha.
Zou zij groot worden? Een mooie vrouw? Zou dat mogen?
Of zouden ze getroffen worden door een bom…
Niemand wist wanneer het einde kwam.
Ze moesten daar weg — maar hoe? En waarheen?
Omar was druk bezig familie in het buitenland om hulp te vragen.
Maar hij was elke dag ook bang dat het mis zou gaan. En dan?
Er was geen voedsel meer, en het water raakte op.
Haar borsten verdroogden.
En als zij Aïscha geen melk meer kon geven, dan zou zij sterven.
Een kreet ontsnapte uit haar mond, haar ogen vulden zich opnieuw met tranen.
Ze pakte de kleine vingertjes vast van Aïscha.
Haar mooie kind.
Waarom was zij geboren, als zij sterven moest na zo’n korte tijd?
Wat was dan de reden?
Voor al dit verdriet?
Ze wist het niet.
Haar moederhart was in nood. Haar ziel. Haar alles.
De onmenselijke pijn die hen werd aangedaan, door leiders —
zogenaamde leiders —
die besloten dat mensen gedood mochten worden.
Waarvoor?
Wie gaf hen dat recht?!
Ze hoorde hem aankomen…
Een gesuis dat steeds harder werd.
En toen — een harde klap.
En dan…
dan is alles voorbij.
Gewoon zomaar. Zinloos.
De lijdensweg.