Angel-WingsKorte Verhalen

Snoopy, Silky & de Rattenrevolutie

Featured Image

Snoopy, Silky & de Rattenrevolutie

 

In een piepklein studentenkamertje, twee hoog achter, woonde ik samen met mijn twee glanzend donkerbruine tamme ratjes: Snoopy de donkerbruine en Silky de zwart met witte -kont- rattenkind. Ze waren zachtaardig, slim, en als ze konden koken hadden ze het vast gedaan — zo huiselijk voelde het. Ik hield zielsveel van die twee. Ze piepten zacht als ik thuiskwam, lieten zich gewillig aaien en kropen ’s avonds tegen elkaar aan in een grote lege bruine glazen pot van Completa koffiemelkpoeder inclu pleepampier, alsof ze samen geheimen fluisterden over het leven in de kooi.

Maar op een dag begon het te kriebelen: ja bij mij en het waren geen luizen of vlooien, maar ik wilde baby’s. Nog niet van mijzelf, neen ik wilde Rattenbaby’s, om precies te zijn. Want wie ooit zo’n mini-ratje heeft zien rondspringen als een lentegeitje op cafeïne, die snapt waarom. Dat is so very cute nml.

Ik leende dus een gecultiveerde rattenheer van een vriend — een ware Casanova met snorharen — en hups: dat ging rap van Billy, een gerampestamp in het hok van de een naar de ander en er was totaal geen sprake van enigerlei jaloezie oid, nee hoor en binnen korte tijd lagen er twee nestjes in het hok verstopt in papier zakdoekjes die vakkundig verkleind waren in duizenden fijne snippertjes om een superzacht bedje te creëren voor het kleine grut. Dertig stuks. Dertig!

Op een zonnige lentedag zwiepte ik mijn balkonkamerdeur open. Tijd voor de Grote Schoonmaak. In een opwelling zette ik de kooi met de moederdieren even buiten. De zon scheen wel, maar het was nog fris, dacht ik. Een kwartiertje hooguit. Wat kon er gebeuren?

Alles, bleek.

Toen ik de kooi weer naar binnen haalde, lagen Snoopy en Silky uitgeput op hun zij. De zon had hun zwakke lichamen uitgeput, leeggezogen door het moederschap, was de lentezon hen teveel geworden. Binnen het uur overleden ze. Dood. Mijn hart brak, mijn ogen huilden tranen met tuiten. Ik snotterde de muren eronder. En er zat niets anders op dan ze zelf te begraven. Een huisgenoot die mijn liefde voor dat ongedierte totaal niet begreep wilde dan wel mee naar het parkje nabij.
De ratjes in een doosje met papieren zakdoekjes in fijne snippertjes, zodat ze nog lekker zacht konden slapen – voor eeuwig dan. En een schepje in de fietstas togen wij aan op het parkje nabij.

Bij de eerste brug in het park, tussen de struiken, groef ik huilend twee kleine kuiltjes met een oud schepje. Daar, in de aarde, rustten ze samen, mijn eerste twee lievelingszieltjes. De huisgenote trok haar neus wel wat op tijdens het graven in de gruwelijk droge aarde. Wat een gedoe zal ze gedacht hebben. Maar ze deed het dan toch maar.
Misschien was ik wel zo het water ingeraakt na al dat gesnotter _ en die brug!

Mijn  kamer voelde na thuiskomst  ineens akelig leeg, ondanks het piepen van de 30  wezen baby’s.

Er was nog geen internet toen. Geen Google, geen forums, geen snelle tips. Dus belde ik dierenartsen in alle hoeken in de omgeving. “Wat moet ik doen met rattenbaby’s zonder moeder?” Ondertussen speelde ik nachtzuster in mijn studentenkamer: elke drie uur eruit, pipetje in de aanslag, met kitten melk die ik op temperatuur maakte voor het kleine grut.

Voor de warmte van de kleintjes had ik  een oude theepot vol warm water, gewikkeld in een oude theedoek die naar vroeger rook.

En rattenbaby’s zijn megaklein. Klein genoeg om tussen doek en theepot te kruipen, want ze  misten hun mama’s natuurlijk en — ik weet niet wat ze dachten, maar ze wilden blijkbaar — harakiri plegen. Tien van hen haalden het niet. Elke keer opnieuw een traan. Maar ik had geen tijd om lang te treuren, want de rest had me nodig.

En toen kwam het telefoontje. Een dierenwinkel, een stadje verderop, had een moederrat. Net klaar met haar eigen nest. Voor tien gulden mocht ik haar komen halen. “Probeer maar of ze, ze accepteert,” zei de man. Ik wist niet hoe snel ik haar op moest halen na enkele gebroken nachten.

En wonder boven wonder — moederliefde is blijkbaar universeel — nam ze, ze aan alsof het haar eigen kinderen waren. Twintig mega kleintjes groeiden op tot gezonde jonge ratten, met energie voor tien en oortjes als satijn. De geitenbreiers fase brak aan en 20 kleintjes die leken op hun moeders, hupten het hok door alsof het niets was. De hele dag door.

Ik heb ze allemaal een goed thuis gegeven. Sommigen gingen naar vrienden, anderen naar liefhebbers. En zo werd mijn kamer, waar eens verdriet had gehangen als vochtige was, weer een plek vol leven, vol gesnuf en getrippel.

Twintig ratjes. Eén ervaring die ik nooit zal vergeten.

En Snoopy en Silky? Die leven voort. In een generatie stuiterende nakomelingen — én in mijn hart.

Back to top button