“De Zwijmelende Zandloper”

“De Zwijmelende Zandloper”
In een stoffige antiekwinkel in Sevilla, waar de zon als een gouden deken door de gebarsten ramen viel, stond hij. Tussen een zwevend schemerlampje uit 1843 en een fluitende theepot met bindingsangst: Zorro, de zandloper.
Zorro was niet zomaar een zandloper. Hij had gevoel. Hij voelde elke korrel die door hem gleed alsof het poëzie was. En elke keer als iemand hem omdraaide, zuchtte hij diep van melancholie. “Waarom altijd terug naar het begin?” mompelde hij dan dramatisch.
Op een dag wandelde Fay, een jonge vrouw met een roze paraplu en een onbedwingbare liefde voor rare dingen, de winkel binnen. Ze keek rond, snoof diep (een beetje muf, maar ook… nostalgisch?) en toen viel haar oog op hem.
“Wat ben jij… verdrietig mooi,” fluisterde ze.
Zorro beefde van binnen. Iemand zag hem! Eindelijk! Hij voelde hoe zijn zand sneller begon te stromen. Letterlijk. Hij was zó nerveus dat hij zichzelf bijna leeg liet lopen.
Fay nam hem mee naar huis. Ze zette hem op haar vensterbank, waar de zon op hem viel als een warme kus. Elke ochtend draaide ze hem om met een glimlach. En elke avond vertelde ze hem verhalen over haar dag.
Ze werden onafscheidelijk. Zorro leerde lachen. Fay leerde de tijd een beetje los te laten.
Maar op een dag viel er een brief op de mat. Fay had een baan aangeboden gekregen in IJsland. En Zorro… die was van glas.
Wat moest ze doen?
Ze keek naar hem. Hij had zichzelf vast laten lopen. Geen zand bewoog meer.
“Ik neem je mee,” fluisterde ze. “We reizen samen. Zelfs als je bevriest van de kou.”
En dus gingen ze. Een vrouw en haar zandloper. Op reis door tijd, sneeuw, en het soort liefde dat zelfs geen klok kan meten.