“De Schimmen van Ravenstein”

“De Schimmen van Ravenstein”

De avond viel als een fluwelen schemerachtige grijze sluier over het dorp Ravenstein. De straten lagen er stil en verlaten bij, alsof de wereld het dorpje hier vergeten was. In het midden van het dorp stond een oud, vervallen herenhuis met hoge torens die zich als klauwen naar de hemel uitstrekten. Niemand waagde zich hier na zonsondergang. Niemand… behalve Helena.
Ze was hier nooit eerder geweest, en toch voelde het alsof iets haar aantrok. Het begon een tijdje geleden met dromen – met vage beelden van het huis, een deur die op een kier stond, een stem die haar naam fluisterde in de nacht. Ze kon het uiteindelijk niet negeren.
Die avond stond ze tijdens een wandeling plots toch voor het huis. De ramen leken als zwarte ogen op haar neer te kijken, de wind ruiste door de oude bomen, en een enkele lantaarn flakkerde onheilspellend. Haar hart bonsde. Het leek of het huis haar uitnodigde om binnen te komen.
Ze voelde dat ze naar binnen moest om antwoord te krijgen op haar dromen en vragen. Durfde ze dit aan? Er woonde niemand meer zei men. Het werd al aardig donker, de schemering was al ingetreden. Zou ze durven?
Met een luid gekraak duwde ze toch de zware deur open. Heel even snel kijken kon geen kwaad, ze ging niet het hele huis door natuurlijk.
Stof danste in de lucht. De zaklantaarn die ze had meegenomen knipte ze aan.
De geur van oud hout en vergeten tijden omhulde haar. Overal zag ze nog oude vervallen meubels staan met oude witte lakens om hen heen gedrapeerd als oude mensen uit een ver verleden.
In de hal hing een grote spiegel, maar… iets klopte niet. Terwijl ze langsliep en in de spiegel staarde zag zij dat haar spiegelbeeld niet haar spiegelbeeld was. Het was een vrouw, een doorzichtige schim, een wezen dat haar aankeek met ogen die haar ziel doorboorden. Helena gilde.
Ze wilde zich omdraaien en vluchten, maar haar voeten leken vastgenageld aan de grond. De schim glimlachte en hief haar hand op. “Je bent eindelijk gekomen,” fluisterde ze.
Een ijskoude rilling gleed over Helena’s ruggengraat. “Wat… wie ben jij?”
De schim stapte naar voren, uit de spiegel, en ineens besefte Helena de waarheid. Dit was geen vreemde. Dit was zij zelf. Een andere versie van haar, gevangen in de spiegelwereld.
De hand greep de hare. Het voelde kil, maar vertrouwd. “We waren altijd al één,” fluisterde de schim. “En nu wisselen we van plaats.”
Voor Helena kon schreeuwen, werd ze de spiegel ingetrokken. Haar eigen lichaam, haar eigen wezen, werd vervangen door de ander. Ze zag zichzelf glimlachen, omdraaien en de deur uitlopen.
Helena sloeg tegen het glas. “Nee! Laat me eruit!”
Maar niemand hoorde haar.
Buiten verdween de nieuwe Helena in de nacht, terwijl de oude gevangen bleef… voor altijd.