De Betovering van de Schaduwprinses

De Betovering van de Schaduwprinses

Mijn verteller uit de duistere wereld is er weer eens.
De deur opende geruisloos, en een kille windvlaag komt mij tegemoet. Ik wil opstaan om de cv hoger te zetten, maar dan houdt zijn koude hand mij tegen.
Ademloos en geschokt zeg ik: ‘Je bent er weer!
Waar was je al die tijd’?
‘Excuseer dat ik zo lang niet meer kwam, ik had het druk in het geestenrijk, maar ik heb je veel te vertellen. Heel veel.
Begin maar te schrijven’. Een glimlach speelt om zijn mooie mond…
~*~
De maan hing laag en loom boven de verlaten steeg, haar zilveren gloed spiegelde zich in de plassen op de keien. Het was een avond doordrenkt met iets ongrijpbaars, alsof de lucht trilde van onzichtbare energie. De winkels waren nog geopend op koopavond in de oude stad.
Hij zag haar voor het eerst bij de antiekwinkel op de hoek van de straat. Ze stond daar dichtbij een lantaarnpaal, half verscholen in de schaduw, haar lange donkere haren bewogen mee met de wind. Haar huid was zo bleek, dat het leek alsof ze in het maanlicht zelf was gesmeed. Haar ogen—gitzwart en ondoorgrondelijk—leken hem moeiteloos vast te pinnen op zijn plek. Haar lippen, een tikkeltje te vol, te rood, gaven haar een bijna demonische schoonheid.
Hij wist niet waarom, maar hij móést haar volgen. Iets leek zijn ziel te roepen.
Ze liep de winkel binnen, geruisloos, bijna zwevend. Hij aarzelde, maar iets in hem—iets diepers dan nieuwsgierigheid—dreef hem achter haar aan. Binnen rook het naar oud leer, vergeelde boeken en een vleugje van iets zoets… jasmijn misschien, patchouli? Of was het iets anders, iets onbekends wat hij niet kon benoemen?
Ze liet haar vingers over een stoffig boek glijden. Een dagboek, zo te zien. Zonder hem een blik waardig te gunnen, draaide ze zich om en liep naar de deur. Haar jurk—fluweelachtig, diepzwart—streek als droog papier langs zijn arm toen ze hem passeerde. Een elektrische schok schoot door zijn lijf.
‘Wie ben jij in vredesnaam?’ vroeg hij zich af, zonder te beseffen dat hij het hardop zei.
Ze stopte, slechts een paar centimeter van hem vandaan. Haar stem was zo zacht dat het amper geluid leek te maken, en toch voelde hij haar woorden diep in zijn borstkas.
‘Ik ben degene die je al zo lang zoekt.’
Zijn hart sloeg over. Hoe kon ze dat weten? Hoe kon ze weten dat hij al zijn hele leven het gevoel had dat er iets ontbrak, iets dat hij nooit kon benoemen? Dat hij zocht naar zijn innig geliefde die hij verloren leek te zijn op aarde, alsof hij weet had van een intense liefde ooit. Wist van een verloren geheugen in een tijd die hij ooit had doorgebracht met haar, de liefde, van zijn ziel.
Ze strekte haar hand uit, haar lange vingers klemden zich om de zijne. Haar huid was koud, te koud voor een levend wezen. Maar hij trok zich niet terug.
‘Kom,’ fluisterde ze.
Buiten leek de stad inmiddels veranderd. De steeg was donkerder, de lichten van de lantaarns flakkerden onrustig. Hij wist dat hij met haar mee moest gaan, wist ook dat hij misschien nooit meer terug zou keren. Maar op dat moment… op dat ene moment… kon hij niets anders doen dan haar volgen, de duisternis in.
De deur sloeg snel achter hen dicht. Alsof de antiekwinkel blij was verlost te zijn van dit duister, het stille duister van de nacht.
De avond omhulde hen buiten als een zijden sluier, het geluid van zijn eigen ademhaling leek luider dan de voetstappen die hij zette. De stad om hem heen voelde plotseling vervreemdend, alsof de straten die hij zo goed kende zich in een andere dimensie bevonden.
Haar slanke hand in de zijne voelde ijzig koud, maar hij trok zich niet terug. De grip was sterk, dwingend, maar niet pijnlijk. Hij wist dat hij op het punt stond een grens over te gaan, een grens tussen wat hij kende en iets wat zijn verstand te boven ging.
‘Waar breng je me naartoe?’ vroeg hij. Zijn stem klonk hees, bijna schor.
Ze draaide haar hoofd langzaam naar hem toe, haar ogen fonkelden als zwarte sterren. ‘Naar een plek waar je altijd al hoorde te zijn.’
Zijn maag trok samen van een mengeling van opwinding en angst. ‘Maar ik ken je niet eens.’
Ze stopte. Langzaam liet ze zijn hand los, en hij voelde meteen de kilte van haar afwezigheid. Ze keek hem aan met een uitdrukking die tegelijk intens en melancholisch was.
‘Isaac…’ fluisterde ze plots.
Zijn hart sloeg over.
‘Hoe weet je mijn naam?’
Een vage glimlach speelde om haar bloedrode lippen. ‘Ik ken je al eeuwen.’
Hij kon geen adem halen. ‘Dat is onmogelijk.’
‘Is het dat?’ Haar stem was als een echo van iets wat hij vergeten was, iets wat ooit van hem was geweest. ‘Of is het mogelijk dat sommige zielen elkaar altijd weer vinden, leven na leven?’
De wereld leek even stil te staan. De steeg, de winkels, de straatlampen—alles vervaagde. Het enige wat nog overbleef, was zij.
‘Wie… wát ben je?’ vroeg hij, bijna ademloos.
Ze legde haar hand op zijn borst. Zijn hartslag versnelde onder haar koude vingers. ‘Ik ben degene die jou altijd heeft gezocht… zoals jij mij hebt gezocht in meerdere aardse levens.’
Hij voelde zich dronken van haar nabijheid, haar geur die een mengeling was van zware Jasmijn, vochtige aarde en iets ondefinieerbaar verslavends. Zijn lippen openden zich om iets te zeggen, maar voordat hij kon spreken, boog ze zich voorover en kuste hem.
De wereld explodeerde.
Zijn lichaam werd overspoeld met een golf van hitte en kou tegelijk, alsof hij tegelijk werd verbrand en bevroor. De lucht werd zwaar, zijn hoofd duizelde, en zijn knieën begaven het bijna.
Ze trok zich terug, haar ogen intens. ‘Nu herinner je het je, nietwaar?’
En plotseling… deed hij dat.
Herinneringen—vage, verwrongen flarden van een ander leven, een ander lichaam, een ander tijdperk—stroomden door zijn geest. Een middeleeuwse balzaal, de geur van kaarsvet en rozen, een verboden kus in een verduisterde hoek… Een brandstapel, het geschreeuw van menigten… Haar gehuil. Zijn naam, gegild in de stormwind.
Hij hapte naar adem en viel bijna voorover.
‘Jij… Jij was…’
Ze knikte langzaam. ‘Ja.’
De waarheid sloeg in als bliksem.
Hij had van haar gehouden. Hij had haar verloren.
En nu… was ze terug.
Maar wat was ze nu? Menselijk? Of iets anders?
‘Als je met me meegaat,’ fluisterde ze, ‘zul je het allemaal begrijpen, en hoeven wij elkaar nooit meer te zoeken.’
De steeg leek eindeloos donker achter haar.
Isaac keek naar de ingang van de straat, naar de lichten van de stad, de normale wereld die hij kende. En toen keek hij naar haar—haar onwerkelijke schoonheid, haar ogen die hem gevangen hielden, de onmiskenbare band die hij voelde.
Hij slikte.
‘Breng me naar huis,’ zei hij uiteindelijk.
Een duistere glimlach krulde om haar lippen.
‘Dat zal ik.’
Isaac voelde zijn lichaam tintelen, alsof hij op de rand van een afgrond stond en de wind hem zachtjes duwde, fluisterend dat hij moest springen. Haar hand gleed weer in de zijne, koud en vastberaden.
Ze trok hem mee de duisternis in.
Het voelde alsof de stad achter hem verdween, alsof de wereld zoals hij die kende oploste in schaduwen en nevel. De straatlantaarns doofden één voor één, de geluiden van verkeer en voetstappen vervaagden tot een oorverdovende stilte.
Ze stopten voor een oud gebouw, verscholen in de schaduw van een smalle steeg. De deur kraakte toen ze hem openduwde, en een golf van bedwelmende, vreemde geuren sloeg hem tegemoet. Wierook, wijn, rozen… en iets vaag metaalachtigs.
‘Kom binnen,’ fluisterde ze.
Zijn voeten bewogen zonder dat hij het bewust besloot. De deur sloot achter hen met een doffe klap.
Binnen was het schemerig, enkel verlicht door kaarsen die flakkerden op een oud houten bureau, langs de muren, bij een paars fluwelen chaise longue.
Zij stond voor hem, het licht van de kaarsen weerspiegelde in haar ogen. Haar haren leken vloeibaar donker, haar huid glansde als porselein. Ze keek hem aan met een honger die hij op een vreemde manier herkende—alsof hij diezelfde honger in zichzelf voelde ontwaken.
Hij wilde haar. Hij wilde haar meer dan hij ooit iemand had gewild.
Zonder woorden trok ze hem dichterbij. Hun lippen vonden elkaar opnieuw, de wereld kantelde. Haar handen gleden over zijn rug, zijn nek, nagels iets te scherp, adem iets te koel. Haar kus was diep, verslavend, en hij wilde zich verliezen in haar.
Zijn handen verkenden haar lichaam, de zachte rondingen, de gespannen spieren. Ze duwde hem achterover op de chaise longue en grijnsde boven hem, haar lippen rood en opgezwollen van hun kus.
‘Ben je bang?’ vroeg ze, haar stem een ademtocht tegen zijn hals.
‘Nee,’ fluisterde hij, en hij meende het.
Zij glimlachte… en toen voelde hij het.
Twee scherpe tanden, even zacht als een streling, zetten zich tegen zijn huid. Een schokgolf van extase schoot door zijn lichaam toen ze beet, een sensatie die evenveel genot als pijn was. Zijn geest explodeerde in duizend kleuren, zijn lichaam werd warm en koud tegelijk. Zijn adem stokte, zijn hart sloeg sneller, trager, en toen—
Toen stopte het.
Alles.
Zijn hart bonkte niet meer.
Hij ademde niet meer.
Maar hij leefde.
Langzaam opende hij zijn ogen.
De wereld leek scherper, helderder. Hij hoorde het ritme van de nacht, de hartslagen van de mensen buiten, het kraken van hout in de wanden. Hij rook alles—de geur van kaarsen, stof, vocht, het bloed in haar aderen.
Zij zat op haar knieën naast hem, haar ogen glanzend van voldoening.
‘Welkom thuis,’ fluisterde ze.
Isaac haalde diep adem—een nieuwe, andere ademhaling. Hij voelde het. Zijn lichaam was veranderd. Zijn bloed was verdwenen, vervangen door een eindeloze, zoete dorst.
Hij keek haar aan, zijn lippen krulden in een grijns.
‘Ik ben er klaar voor.’
Ze pakte zijn hand, trok hem overeind. In de verte schreeuwde iemand op straat, onwetend van wat zich hier had afgespeeld.
Ze wisselden een blik.
De jacht was begonnen.
Einde… of het begin van een eeuwige eindeloze nacht?