Categorie: Volwassen Sprookjes

Hans en Grietje met Kerst

Hans en Grietje met Kerst

 

Hans en Grietje waren een tweeling en ze woonden in een armoedig huisje in het grote bos.

Hans keek naar buiten door het kleine raampje. Kijk Grietje, het sneeuwt bijna de ballen uit de lucht.
Wauw wat een pak sneeuw, zei Grietje opgetogen. Ze klauterde naast hem op het houten bankje en drukte haar neusje tegen het raam.
Zullen we buiten gaan spelen Hans? Ze keek hem aan met haar helblauwe oogjes haar sproetenneusje krulde grappig wat op.
Neh, zei Hans,  we moeten eerst nog de boel stofzuigen van ons moeder. Schurfie de hond blafte tegen hen en wilde met hen spelen maar dat moest nog maar even wachten.
Kom, als we dat nu snel doen, dan zijn we zo klaar en kunnen we nog gaan spelen in de sneeuw. Ze klommen van het houten bankje af en Hans pakte de stofzuiger en Grietje sjokte achter haar broertje aan.
Zo snel ze konden maakten ze de boel aan kant en uiteindelijk was alles klaar.
Moeders zou zo wel thuiskomen, maar omdat ze er nog niet was, hoefden ze het niet te vragen dus gingen ze buiten spelen.
Ze maakten een sneeuwpop met een takje als neus, en twee stenen als ogen, en een mond van oude dorre bladeren.
Ze gleden op het pad en pakten een slee uit de schuur.En Schurfie speelde met hen mee als een dolle hond.
Het werd al bijna donker. En daar kwam moeders aan op haar oude fiets, slingerend en wel.
Hans en Grietje! Riep ze uit. Hebben jullie wel schoongemaakt zoals ik jullie had opgedragen?

Hun moeder had de hele dag in de coffeeshop zitten blowen, want dat was ook erg modern tegenwoordig en ja met een tweeling is het wel eens wat afzien, qua drukte e.d. Dus moeders vond dat zij dat kon maken.  Alleenstaande moeders en tweelingen, nou,… ze vond dat ze haar best wel had gedaan inmiddels. Me dunkt ze waren al zeven jaar oud inmiddels. We blijven niet aan de gang dacht moeders.
Moeders ging het huisje binnen en begon al te tieren wat er allemaal niet goed was, de vloer was niet goed genoeg schoongemaakt, en waarom stond het eten nog niet klaar voor de magnetron!?
De kinderen doken in elkaar bij de boze toon van hun moeder en Grietje ging al bijna huilen.
Snel pakte zij goedkope pizzadozen uit de vriezer en zette ze één voor één in de magnetron.
Moeders draaide alweer een flinke jonko en zat op haar dikke reet op de bank in de woonkamer.
Zo Jaap komt zo ook nog, eerst maar eens even wat eten, zei ze tevreden de jonko aangestoken in haar mond.
Een kattenbaklucht kwam de kinderen voorbij waaien. Zo rook dat spul nml.
En ze werden er zo sloom van als wat.
Er was geen toetje na het eten, want daar deed moeders niet aan. Ik kan niet aan de gang blijven met jullie hoor.
Even later terwijl Hans en Grietje de afwasmachine vulden kwam toeterend ome Jaap eraan met zijn oud barrel. Doen jullie ff open, riep moeders op de bank.
Hans deed wel weer open.
Soow kiddo, zei ome Jaap en wreef Hans door zijn mm kuif.
Hij stommelde naar binnen met in zijn hand een sixpack bier.
En nou maar eens naar bed kinders, riep moeders wellustig uit.
Ze greep ome Jaap maar eens in zijn kruis, gelukkig snapten de kinderen daar nog niets van en dat ontlokte bij beide volwassenen een salvo aan gelach.
De kindertjes wensten de volwassenen een welterusten toe en ze liepen naar boven naar hun slaapkamertje met Schurfie op de hielen.
Het was er ijzig koud.
De sterren stonden aan de hemel te fonkelen en beiden keken nog even een tijdje naar buiten om naar al dat moois te kijken.
Zou dat de ster van ons vaders zijn, vroeg Grietje met betraande oogjes aan haar broertje.
Kijk die grote daar, ze wees met haar vingertje naar de grootste ster.
Vast wel, zei Hans. Kom we gaan slapen.
Ze kropen bij elkaar in het tweepersoons bed, want toevallig had moeders besloten maar een tweedehands tweepersoons bed voor de kids te kopen, dat scheelde weer extra rommel en verwarmingskosten en wat maakte het toch uit allemaal.
Ze hadden het saam wel lekker warm in bed. Vooral met Schurfie die onder de dekens mocht.
Grietje viel al snel in slaap maar Hans hoorde hoe de volwassenen beneden ruzie maakten en dat ging van kwaad tot erger.
Hij besloot te gaan luisteren op de trap, daar kon je alles namelijk erg goed horen.
Grietje bewoog wat onrustig in haar slaap toen Hans het bed verliet maar sliep door.
Brr wat was het koud dacht Hans toen hij met zijn blote voeten op de overloop liep.
Oei wat schreeuwden ze tegen elkaar.
Je doet maar wat ik zeg, snauwde ome Jaap tegen moeders.
Het is nu wel klaar, ik ga niet werken voor jou en die twee koters van je!
Ik heb zelf al nauwelijks genoeg en die kids vreten me de oren van mijn kop!
Oh ja wie gaat er dan opruimen enzo in huis, snotterde moeders.
Jij zeker?
Ome Jaap lachte smalend, nee jijzelf natuurlijk mens!
Mens!? Mens????? Noem je mij zo tegenwoordig.
Ja dat ben je toch ook een mens.

We brengen ze morgen naar het bos. En die schurfthond erbij!
In die koude? Snikte moeders uit.
Je kleedt ze gewoon netjes aan! Lekker warm en geef ze een tas mee met wat extra’s dat overleven ze heus.
Met zijn tweetjes zijn we vast veel gelukkiger, zei ome Jaap nog.
Even later hoorde Hans wat gehijg en gekreun en hij vond het maar weer eens tijd om naar bed te gaan.
Hij kon de slaap niet meer vatten en die hele nacht lag hij wakker.

De volgende ochtend pakte moeders een rugtas in voor beide kinderen.
Waarom doet u dat moeders, vroeg Hans…
Gewoon tis koud, niet zeike nou hé, zei moeders met roodomrande ogen.

We gaan naar het bos om een kerstboom uit te kiezen…
Hoeraaaaaaaa riep Grietje blij uit, een kerstboom!

Hans wilde zijn knikkers zoeken om uit te strooien, maar ome Jaap stak daar een stokje voor.
Nee, Hans geen knikkers dit keer, nu gaat het anders!
Ome Jaap leek soms wel paranormaal ofzo, Hans schrok van die felle ogen in ome Jaap zijn kop.
Toen ze uiteindelijk in het bos waren, mochten de kinderen dus een kerstboom uitzoeken.
Zoek maar een mooie uit kinderen, zei moeders poeslief.
De kinderen liepen wat rond en rond en ineens waren ze moeders en ome Jaap kwijt, die alweer op weg waren naar huis natuurlijk in ome Jaap zijn oude barrel.

Schurfie snuffelde op zoek naar het baasje, maar ook hij kon hen natuurlijk niet meer vinden, bij de bandensporen in de sneeuw was duidelijk dat zij vertrokken waren.
Grietje begon te huilen en Hans vertelde haar wat ome Jaap had gezegd die nacht tegen moeders.
Hoe kon moeders ons dat aandoen Hans?
Ik weet het niet Grietje, maar we gaan gewoon op zoek naar nieuwe ouders, want dit is niks zo.

Ze liepen uren in de koude sneeuw door het grote bos en hoorden af en toe wat knallen. Plots rende een hert hen voorbij.
Oh Hans kijk dan wat mooi een hert, riep Grietje uit.
Ja, zei Hans. Dat zagen ze ook niet elke dag.
Maar daar kwam de jager al aan, met zijn geweer.
Grietje gilde het uit.

Nee, niet dat hert schieten! Ze rende naar het hert toe dat angstig hijgend stilstond op het pad en de jager aankeek.
Grietje ging voor het hert staan, en Hans schopte de jager tegen zijn schenen.
Schurfie ging grommend voor de jager staan.
De jager koos eieren voor zijn geld en zei goedgemutst, het is goed kinderen.
Het hert sprong het bos weer in en de jager sprak met de kinderen wat zij daar nog deden op dat uur van de dag zo diep in het bos.
De kinderen vertelden wat er gebeurd was. Nou, nou mompelde de jager, het is me wat!
Kom maar met mij mee naar huis, mijn vrouw bakt appeltaart en we eten vanavond hertenbiefstuk.
Maar dat is best lekker hoor, zei hij glimlachend tegen Grietje die hem met grote ogen aankeek.
Appeltaart hadden ze al tijden niet meer gegeten en een honger hadden ze zeker wel.

Ze kwamen aan bij een mooi huis in het bos dat helemaal van hout gemaakt was.
Binnen knapperde een gezellig haardvuur en er stond een prachtige  kerstboom en een gezellige dikke mevrouw omhelsde de beide kinderen en liet Schurfie zelfs voor de open haard liggen.
De jager vertelde zijn vrouw wat er gebeurd was met de kinderen.
Och, och die arme kindertjes riep ze maar uit.
Ze gaf de kinderen een lekker stuk nog warme appeltaart met slagroom.
En daarna mochten ze even tv kijken en dan in bad samen met Schurfie dus dat was wel lachen.
Hierna werden ze in bed gelegd en las de jager een verhaal uit een mooi boek voor.
Mogen we hier blijven zei Grietje slaperig tegen de jagersvrouw die naast het bed zat en de hand van Grietje vasthield terwijl haar man voorlas.
Tuurlijk zei de jagersvrouw, van mij zeker en ook van mijn man, we hebben zelf geen kinderen en we wachten al jaren opdat er kinderen komen.
Jullie zijn gekomen uiteindelijk, riep ze blij!
Haar man knikte goedmoedig en blij.
De kinderen vielen in een diepe rustige slaap.
En de jager en zijn vrouw liepen de trap af naar beneden.
Wat een wonder hé zei de jagersvrouw met tranen in haar ogen.
Ja zei de jager en hij hield haar handen vast.
Wat een geluk!
Jazeker zei hij.
En dat op kerstavond verzuchte zijn vrouw nog.

De kinderen werden geadopteerd door de jager en zijn vrouw.
De moeder mocht hen nooit meer zien en werd uit de ouderlijke macht gezet.
Kinderen achterlaten in een bos, dat was verboden!
Gelukkig waren er mensen die wel van kinderen hielden en voor hen konden zorgen.

En ze leefden nog lang en gelukkig!

 

Morgen weer…
Morgen weer…

Kissing in the rain. When you live in Seattle, there are lots of opportunities for this, provided you can find someone who wants to kiss you.

De regen sloeg traag, hard en heftig neer, de straat was verlaten. De lantaarns straalden hun kille koude licht.
Het donker was al vroeg ingetreden, als een te vroege nacht. De vooravond van de winter. Hij duwde zijn inmiddels al  natte lokken naar achteren en wilde zijn fiets pakken. Plots had hij het gevoel dat iets hem in de gaten hield. Hij voelde iets achter zich, iemand? Hij keek snel om zich heen maar zag niets. Hij had het zich vast verbeeld.

Hij wilde opstappen, maar plots lag er een hand op zijn stuur. Een slanke hand.

”Wacht”,  zei ze fluisterend, ”wacht op mij”.

De situatie van het moment, deed hem humoristischer antwoorden, dan hij zich voelde, een huivering trok door zijn lichaam. “Wat wil je dan met mij”, vroeg hij zacht, schor. Ergens hoopvol. Haar  donkere ogen, die prachtige volle mond. Hij kende haar zo goed. Al zo lang. Ze knikte, waarbij spetters regendruppels uit haar lange vochtige haren spetterden op zijn handen aan het stuur. Hoelang had zij daar al gestaan, in het donker, wachtend op hem?

Hoopvol, ergens, voelde hij emoties, die hij liever niet wilde ervaren.  Hij woonde samen, thuis wachtte zij op hem, met een maaltijd.
Hoe kon hij, met haar… én haar bedriegen. Maar haar lippen zo nabij, bevochtigd met regendruppels, haar witte tanden die voorbij flitsten, in een glimlach,  dankzij het licht van een lantaarnpaal. Haar handen nu plots op zijn inmiddels vochtige  jas, hij voelde haar warme zijn, eindelijk.
Hoe vaak had hij niet heimelijk gedroomd over haar, zo vaak, te vaak en toch. Het mocht nooit zo zijn, hij had een relatie immers. Hij was eerlijk en trouw.

Hij mocht dit niet doen. Hij moest zich beheersen,… terwijl hij zich al jaren beheerste.
En nu was zij van ver ineens zo nabij. Te nabij. Ze had haar handen op zijn schouders,  haar mond zo gevaarlijk dichtbij.
In het donker was zij nog mooier, bijna onaards.
”Ik wil jou, jou alleen”, murmelde ze. Ze sloot haar ogen en tuitte haar lippen, en hij.., kon niet anders dan antwoorden op de verleiding die in hen beiden was geslopen.
Terwijl hun lippen zich aaneensloten en de regen langs hun gelaat stroomde, voelde de warmte en energie tussen hen aan als een noodlottige blikseminslag.
Een keus, zo ongewenst, gewenst. En toch zo noodzakelijk. Alsof, als zij elkaar niet hadden in dit leven, zij hun leven lang spijt zouden houden, voor het  bewandelen van het gangbare pad.
Zijn fiets viel om, tussen hen in, als een waarschuwing, dat de weg naar huis geen weg terug  meer was. Hij vond het niet erg. Hij had dit gewenst immers in dromen en fantasieën sinds lange tijd. Hij rook haar verleidelijke geur, zacht, warm, goddelijk, zij. Eindelijk de zo ongewenste gewenste vrouw, eindelijk in zijn armen, ze omhelsden elkaar.
A kiss in the rain...♥ I like those. But not the stupid cold rain, or heavy rain. Nice warm rain...Kusten zij elkaar uitgehongerd, alsof hun laatste uur geslagen had, in een moment van een wirwar van gevoelens zonder  verstand.
Vurige passie vlamde in hen op. In het duister stonden zij daar, in die heftige regenbui die blijkbaar nog lang  geen einde kende.
Verhit vroeg hij: ”Waarheen”?
”Hier”, zei ze, en ze trok hem richting het bos dichtbij, en in dat duister, van natte boombladeren en takken, kusten zij elkaar.  Hij opende haar jas en niet veel later haar blouse en streelde haar mooie borsten. Verdiept en verloren was hij in zijn passie. Jammer dat het nu zo snel moest gaan. Ze rommelden aan elkaars kleding. Zijn rits, zijn broekknoop, haar hand, zijn boxershort, haar rok, omhoog. Hij duwde haar tegen een boomstam. Ze kuste zijn hals. Hij tilde haar op, eindelijk, nu was het zover.  Maar plots. Hij hoorde iemand zijn naam roepen.
Verwilderd schrok hij op, de stem van zijn Greetje. Greetje hier? ”Oh god”, riep hij uit.
“Mijn vriendin is hier”, snel trok hij zich terug uit de innige omhelzing met de vrouw van zijn dromen, keek langs het donkere pad en zag zijn vriendin lopen met een paraplu. Zoekend. Ze riep zijn naam meerdere malen. Ze had natuurlijk zijn fiets gevonden, die daar nog lag bij het fietsenrek. Wat stom van hem om de fiets niet even rechtop te zetten. Wat zou ze nu wel niet denken? Zijn droomvrouw knoopte haar blouse snel dicht, deed haar rok omlaag en ze glimlachte, ”tot morgen dan maar”, zei ze nog, met een kus op zijn mond”, vol beloften, ”zelfde tijd dan maar?”, hij knikte en ze gooide haar natte haren over haar schouders en liep snel door het donkere bos terug, naar waar zij waarschijnlijk ook vandaan was gekomen.
Verhit stond hij daar als een verdwaalde kleine jongen. Tussen de bosjes door, kwam Greetje naar hem toe.”Waar was jij?”, vroeg ze geschrokken. De paraplu bleef haken achter een struik. Dat gaf hem even tijd, om na te denken, snel…”Oooh ik moest even plassen in de bosjes”. Bevreemd keek ze hem aan.
“Kon je dat dan niet doen op je werk”, vroeg ze weer. “Hm, oh neeh ik wilde eens buiten plassen, leek me wel leuk”, grapte hij. Het sloeg nergens op wist hij, zij ook. Ze keek nadenkend naar zijn broek, die nog  op zijn schoenen lag. “Ja, lekker die regen op je blote benen”, een licht hysterisch lachje volgde uit zijn keel. Waar hij dat geluid vandaan haalde wist hij niet. Hij trok maar snel zijn broek omhoog.
“Wat kom je doen?”, vroeg hij aan haar. “Oh, ik wilde zeggen dat ik vanavond niet thuis ben, dus je moet zelf wat eten bestellen of meenemen”. Verbaast keek hij haar aan. Jammer dat ze hem dan niet even had afgebeld. Ze liepen gezamelijk terug langs het bospas. Bij de fiets aangekomen gaf ze hem een kus op
zijn wang, ”tot vanavond laat, wacht maar niet op mij hoor”. Hij zag hoe even later ze instapte in een kleine auto, die aan de kant van de weg stond, met gedoofde lichten, ze zwaaide nog even.
Hij vroeg zich af waar zij  heenging, ze was wel erg opgemaakt en had haar beste kleding aan, vreemd. Hij was het in alle consternatie vergeten te vragen.Ze zou toch niet ook vreemd gaan? Nee, zo was zij niet, bedacht hij zich spijtig, maar eerder spijtig om zijn gemiste kans.
Morgen weer, een belofte, morgen…dan…eindelijk. Maar vandaag nog even niet. Fluitend stapte hij op zijn fiets. Een voorbijganger schudde meewarig het hoofd. Met die regen en dan nog fluitend op je fiets stappen. Die was vast niet wijzer.

©Angel-Wings.nl

 

Het wereldse ”sprookje”…
Het wereldse ”sprookje”…

In een groot dierenbos hier heel ver vandaan woonden uiteraard vele dieren!
In allerlei soorten maten.
Het was er erg druk geworden, want ze hielden nogal veel van elkaar en tijdens enigerlei vervelingen speelden ze spelletjes met
elkander en daar kwamen dan vaak weer nieuwe diertjes van.

Bij het grote water woonden de Everzwijnen. Ze konden zo elke dag lekker in de modder dartelen en dat beviel hen prima.
Bij de zandvlakte woonden de wolven, zo konden zij lekker elke dag over de zandvlakte rennen en dat beviel hen prima.
Midden in het groene bos, woonden de beren, ze leefden in holen en genoten van de schaduw van de bladeren, en dat beviel hen goed.
Bij de waterval woonden de vossen in holen en gaten en ze konden spetteren onder de waterval en dat beviel hen heel erg goed.

We first met Juniper on Instagram, where we saw her frolicking on her mom's bed, and instantly fell in love. Who was this cute fox? So we decided to reach out to her owner, who gave us the full scoop!
Het was jarenlang een best wel vredig bos.
Tot op een dag de vossen het zat werden om geen schaduw te hebben van enigerlei bomen en bladeren.
De vossenbaas riep alle vossen tot de orde en zei dat ze een plan moesten bedenken, om zo ook
middenin het bos bij de beren in de schaduw te mogen komen leven.
Met enige slinkse plannen kwamen zij op de proppen en gingen op weg naar het berengedeelte in het bos.
Enkele berenwachters hielden hen tegen.

Foto. Hola, os saludo con cariño
Ze mochten niet verder dat bos in, ze waren op foute gronden, die niet van hen waren.
De vossen waren laaiend.
En dropen af met hun mooie staart tussen hun benen.
Steeds meer gingen zij verlangen naar de schaduw midden in het bos.
Dat had hun plek kunnen zijn nml.
Nu moesten zij verdwijnen in hun holen als de zon te heet werd, er waren geen bomen daar, althans
te weinig om onder te schuilen. En onder de watervallen was ook niet altijd wat.
Op een dag zei de oppervos, wij gaan onze buren omgekeerd aanvallen, en zo de aandacht weghalen van dat schaduwgedeelte in het bos.
Zogezegd zo gedaan.
Ze vielen hun buren de everzwijnen aan, maar deden alsof het de beren waren die dat gedaan hadden.
Ze vernielden enkele everzwijn slaapplaatsen en keken op enige afstand toe hoe boos de everzwijnen waren na de vernielingen.
Wie heeft dit gedaan loeide de opper everzwijn.

Wild Boar Hog...Manuel Sosa
De vossen keken om zich heen, zich van geen kwaad bewust.
Oh ik zag een Beer…die dit deed hoor, zei een vos langs zijn rode neus weg.
Ja,… dat zag ik ook, riep een andere vos.
De everzwijnen gingen hierna vechten met de beren in het bos.
Ze maakten elkaar wat kopjes kleiner.
De vossen namen hierna de berenplek over in het bos en konden nu heerlijk van de schaduw genieten.

Until I find Wisdom Plus de découvertes sur Le Blog des Tendances.fr #tendance…
De everzwijnen konden hierna ook bij de waterval wonen en de beren, tjah die gingen de bergen maar in.

In de mensenwereld gaat dat ook vaak zo.
Men maakt soms een probleem dat er niet is, dat zelfs niet nodig is.
De vraag moet dus ook altijd zijn, waarom dat probleem er kwam en wie dit veroorzaakt heeft, en wat iemand ermee wil bereiken.

Het centraal idee van het boek is oorlog en terreur. Het boek gaat deels over een burgeroorlog in een ander land en deels over terreur in België. Jens denkt dat hij voor het goede strijd maar eigenlijk zit hij verkeerd. Hij wilt niet meer leven en wilt zoveel mensen met zich meenemen. Dus pleegt hij een aanslag in België, zijn geboorteplaats. More

©Angel-Wings

Blauwsnur
Blauwsnur

Blauwsnur

Er was eens een kerel in het Friese land, welke een vreemde blauwe snor had.
Niemand wist hoe dit zo kwam. Veel vrouwen vonden hem maar een engerd en wilde niets van hem weten. Maar toch was hij heel rijk. Hij had wel het grootste en mooiste huis uit de omgeving.
Nou en er waren genoeg dames die het niet te rijk hadden in het leven en die wel een fijner leven wensten natuurlijk. Tegenwoordig noemen we die dames “Golddiggers”. Maar dat wisten ze in Friesland  nog niet natuurlijk. Blauwsnur kon het niets schelen, want zijn bed was al jaren koud en kil.
Nu had blauwsnur een buurvrouw die erg arm was, maar wel 2 mooie dochters had.
Dus op een dag trok Blauwsnur de nette jas aan, en belde aan bij de buurvrouw. Hij werd vriendelijk binnengelaten want een goede buur was beter dan een verre vriend immers en aangezien hij nogal rijk was, was de moeder niet vies van een wipje opzij af en toe. Maar Blauwsnur bekeek de moeder niet eens, hij had enkel oog voor de dochters van de arme vrouw.
Maar de meidjes waren niet gediend van die enge Blauwsnur. Ze vonden hem griezelig en hij was al meerdere malen getrouwd geweest, en zodoende, was het wel heel vreemd dat niemand wist waar die vrouwen gebleven waren. Ze konden de rijkdom niet aan en waren weggelopen zei Blauwsnur, vast terug naar hun ouders ofzo, zei hij vaagjes en dan streek hij eens over zijn blauwe snor, waar hij nogal trots op was. Want wie had er nu een blauwe snor?
Alleen hij! Nou daar mocht hij best trots op zijn immers?
Blauwsnur had wel zin in één van die dochters, die lange donkere stond hem wel aan. Ze had mooie blauwe ogen, in dezelfde kleur als zijn snor. Dus een prima match vond hijzelf.
Blauwsnur streek eens over zijn gezette buik, en mompelde wat over de deernes.
Kom eens hier Berendrice, de donkerharige blauwogige dochter kwam voorzichtig naar hem toe.
Je mag bij mij komen logeren voor een weekje, jullie beiden, zei hij kijkend naar de andere dochter, want als deze niet wilde kon hij het altijd nog proberen bij de andere immers?
En ach neem je moeder ook maar mee en vriendinnen en familieleden als je wilt, zei hij gul.
We gaan naar mijn buitenhuizen toe en dan gaan we feestvieren.
Na een week wil ik antwoord, of één van jullie twee met mij wil trouwen of niet.
Nou moeders keek vol verwachting naar haar dochters, die had wel zin in een weekje feesten met de buurman ook al had hij een blauwe snor.
De volgende dag vertrokken ze naar Sneek. Daarna gingen ze een dagje naar Heerenveen, en toen een dag naar Leeuwarden, en toen een dag naar Groningen, en toen een dag naar Hilversum, en het weekend waren ze zelfs twee dagen in Schoonoord.
Ze hadden een fantastische week, met luxe die bijna niemand nog had gezien.
Het was geweldig afgezien van de katers overdag. Maar de lange donkerharige dochter met de blauwe ogen vond buurman Blauwsnur best wel aardig eigenlijk. Natuurlijk was ze flink door haar moeder gemanipuleerd en dacht ze bijna dat ze verliefd op hem was geworden. Ook haar vriendinnen waren zeer te spreken over de bijzondere man, want lelijk was hij niet afgezien van die blauwe snor. Maar wat kon het haar nu schelen dat hij een blauwe snor had als je zoveel geweldige dingen om je heen had en zoveel geld. Ze zou nooit meer zorgen hebben!
Berendrice gaf Blauwsnur het ja woord.
Ze trouwden en hadden een geweldig feest!
Het hele dorp sprak er over, nog jaren na dato.
Iedereen was uitgenodigd en men was vol lof over Blauwsnur, wat een vriendelijke en gulle man was dat toch. Nee Berendrice had het toch wel enorm getroffen hoor met zo’n man en ach die snor, het stond hem nog niet eens zo gek.
En grapjes over smurfen werden niet getolereerd, dat begrepen die Friesen heus wel.
Berendrice kwam die avond thuis in het enorme huis van buurman Blauwsnur.
Vanuit het grote slaapkamerraam kon ze zwaaien naar haar zuster Anna, dat was wel leuk!
Uiteindelijk werden ze dan echt man en vrouw en Berendrice had het maar getroffen met die oude buurman. Dat vond zijzelf inmiddels ook wel.
De volgende ochtend nadat ze haar croissantje met gesmolten brie had gegeten en haar glas verse jus d’orange leeg was, gaf buurman Blauwsnur een rondleiding door het prachtige huis.
Ze voelde zich een zeer gelukkige vrouw. Boven op de zolder, liet Blauwsnur een kamertje zien die gesloten was. Je mag hier nooit komen!
Onthoud je dat meidje? Nooit! Luister goed als je daar komt dan loopt het erg slecht met je af.
Op die zolder vind je alleen slechtigheid, meer niet, dus doe het niet.
Berendrice knikte braaf dat ze dat nooit zou doen.
Hierna vertrok Blauwsnur naar zijn werk, waarbij hij beloofde die avond vroeg thuis te komen voor het toetje.
Berendrice blooste al tot achter haar haarwortels toen hij haar dat zei, met een wellustige knipoog.
Berendrice had hierna een heerlijk leven, ze nodigde haar vriendinnen uit en familie en haar moeder natuurlijk, die familie was.
Die was er ook erg blij mee. Zuster Anna was wel wat stilletjes, want ze was verliefd op een leuke knappe man maar, ze had hem al een lange tijd niet meer gezien. Misschien was hij wel verhuisd naar Amsterdam en was hij getrouwd, ze wist het niet, maar dat drukte de pret nogal.
Nu had hij een vriend die na enige tijd op een dag ook op een van de geweldige feestjes kwam opduiken, spijtig feliciteerde hij Berendrice met haar huwelijk, want hij was ook wel een beetje verliefd geweest op het donkere meidje. Die kans leek nu verkeken. Berendrice vertelde hem over de verliefdheid van haar zuster voor zijn vriend en hij beloofde het hem te schrijven. Het werd langzaamaan winter en de verveling sloeg wel eens toe. Feestjes zijn vaak wat leuker als de zon schijnt immers.
Op een dag toen Berendrice zich verveelde wilde ze toch een kijkje gaan nemen op de verboden zolderkamer. Waarom zou Blauwsnur daar achterkomen?
Ze zou het stiekem doen en dan niets vertellen.
Hij zou het nooit te weten komen, zo hield ze zichzelf voor.
Blauwsnur was enkele dagen op pad voor zijn werk. En Berendrice ging de trappen op in het grote huis richting de zolderkamer.
Ze kon de deur zo openmaken. Geen slot niets. Wonderbaarlijk, waarom mocht ze hier dan niet eens binnengaan? Ze keek bevreemd rond in de kamer. Alles was spierwit geschilderd en overal stonden felrode rozen in grote glazen vazen. In de hoeken van de kamer zag ze grote diepvrieskisten staan.
Op elk van deze stond een kaars te branden.
Berendrice altijd al erg nieuwsgierig kon het niet laten, ze opende stuk voor stuk, ondanks dat ze bijna flauw viel nadat ze de eerste had geopend, alle vijf diepvrieskisten. Al Blauwsnur zijn vrouwen lagen gestorven en dood in deze vrieskisten. Een schreeuw verstilde in haar keel, terwijl ze keek naar de dode ogen die angstig opkeken, verstild in het moment van de dood.
Ze moest hier weg zo snel als ze kon!
Plots hoorde ze een vreemd geluid en zag in een hoek hoe een camera zich op haar richtte.
Oh God, hij had camera’s in deze kamer, modern natuurlijk, met deze rijkdommen.
Vandaar dat er geen sleutel nodig was, ze had hem dus bedrogen!
Berendrice rende de trappen af, naar beneden. Ze griste snel haar mobieltje mee en appte haar zuster Anna. Kom mij redden Anna, ik heb iets gedaan wat ik niet had moeten doen.
Toevallig op dat moment was de geliefde van Anna teruggekomen uit Amsterdam en hij was niet getrouwd zo Anna gedacht had, en zijn vriend was bij hem.
Blauwsnur was helemaal niet op reis voor zijn werk, hij zat gewoon nabij in zijn jachthuis en was dus sneller thuis dan Berendrice had gedacht.
De deur ging open en daar stond hij met een jachtgeweer in zijn hand.
Zo mevrouw Blauwsnur was jij ongehoorzaam?
Je weet dat je nu straf krijgt?
Teleurstelling hing voelbaar in de lucht, verdrietig keek Blauwsnur haar aan. Waarom moest je dit nu doen? Ik dacht dat jij anders was.
Was je dan niet gelukkig bij mij?
Jawel, zei Berendrice, heel erg zelfs.
Maar niet genoeg om mij niet teleur te stellen.
Helaas!
Berendrice viel op haar knieën voor haar man en omklemde zijn knieën.
Nee, nee zei Blauwsnur dit zal je niet redden, ik laat me niet overhalen op zo’n manier.
Verward keek Berendrice hem aan, alsof ze nu aan seks dacht?
Wat een rare man was het ook.
Ze begon te jammeren en te huilen, het snot spoot uit haar neusgaten.
Denk je nu dat dit je gaat helpen als je er zo lelijk uit gaat zien, sneerde Blauwsnur.
Hij liep om haar heen met zijn jachtgeweer, en riep uit, diegene die mij belazeren zal, doodt ik.
Ik wil vertrouwen van jou, niets anders, en anders is een huwelijk niets waardig!
Blauwsnur was ziedend.
Waarom nou jij, riep hij gekweld uit. Mijn eerste vrouw ging vreemd en de tweede ook en ik maar hard werken voor jullie ondankbare vrouwen!
Zijn blauwe snor was nat van de tranen.
Hij richtte het jachtgeweer op Berendrice die plots stil was, ze  keek hem geschokt aan.
Achter hem stond de geliefde van zuster Anna.
Gelukkig had het appje haar zuster bijtijds bereikt, het kon ook wel van niet natuurlijk, internet werkte niet altijd goed op het Friese land en Berendrice had de moed al flink opgegeven.
Met een grote klap van een schop sloeg de geliefde van zuster Anna in op de schedel van Blauwsnur.
Hij was direct ter plekke dood.
Maar het bleek zelfverdediging e.d. Niemand werd vervolgt want het was toch maar een moordenaar immers.
Zodoende kon zuster Anna trouwen met haar geliefde en was Berendrice stinkend rijk, en woonden ze allemaal in het grote huis.
De vriend van haar zusters geliefde trouwde later met Berendrice. Ze waren intens gelukkig met zijn allen.
Op zolder kwam er nooit iemand.
De vrieskisten waren meegenomen voor politie onderzoek en Berendrice liet de zolderkamer dichtmetselen voorgoed.

 

Persiflage op Blauwbaard door AngelWings(nl)

 

 

 

Hans en Grietje maar dan heel modern…
Hans en Grietje maar dan heel modern…

Hans en Grietje maar dan heel modern…
Het was een knappe tweeling, Hans en Grietje.
Twee schattige leuke kindertjes, en altijd samen.
De moeder van Hans en Grietje, had alleen niet zoveel aandacht voor haar leuke kinderen.
Haar man had haar verlaten voor een jonger exemplaar en nu had ze af en toe een scharrel.
Maar weinig mannen wilden bij deze alleenstaande moeder blijven met die tweeling erbij en de 3 pitbulls die mama had aangeschaft wegens een soort eenzaamheid.
Het huis was een zooi, moeder waste geen kleding, en de afwas werd ook al niet meer gedaan.
Hans en Grietje deden hun best, maar het waren nu eenmaal kinderen.
Wat kon je daar van verwachten?

Hun moeder had net weer een nieuw vriendje en die gebruikte nogal veel drugs.
Hun moeder was daar ook niet vies van dus inmiddels lagen ze de hele dag op bed te niksen ofzo.
En Hans en Grietje moesten zich maar zien te redden,
gek genoeg had niemand het door dat dit gezin niet zo jofel liep, anders was jeugdzorg vast wel langsgekomen.

Elke dag had moeder wel ruzie met haar nieuwe vriend.
De kinderen gingen vaak buiten spelen en als ze al binnenkwamen was het voor de bak patat op de bank en een frikandel of een kroket en dan gingen ze snel weer naar buiten of op hun slaapkamer spelen.
De vriend van hun moeder had geen werk natuurlijk en hun moeder ook niet. Ze leefden dus erg arm.
Nu werkte de vriend er wel eens wat bij en kwam zo aan zijn gram…drugs dus.
Maar op een dag was al het geld al op en drugs was voornamer dan voeding. De kinderen hadden een berehonger!
Maar er was niets in huis.
Die avond kon Hans niet slapen, hij hoorde zijn moeder praten met haar vriend.
Zeg Theo dit ken zo niet langer hoor heey!
Die kindere motte toch te vrete hebben?
Nou goed het bekende verhaal, u kent het vast wel, was het antwoord van die vriend.
Weet je wat snol, we brenge die kindertjes van jou us mooi naar het kinderbos morgen.
Ik heb er geen zin meer an, met die kinderen van jou.
Weet je dat wel, snol die je bent.
Ik ken er nie meer tegen joh. Ach hou toch je bek man! Dat benne wel fftjus mijn kinderen!
Ja gaat dan ff zelf lekker werrukkuh trut!
Dit ging enige tijd zo door en Hansje kreeg het er benauwd van.
Hoezo naar het kinderbos, bestond dat dan?
Hans was slim en sloop weer naar boven.
Hij zocht zijn knikkerzak vol knikkers op en verborg deze onder zijn kussen.
De volgende middag, kwam zijn moeder en haar vriend uit bed.
Hun moeder was extra lief die dag, dat viel wel op.
Zo anders dan anders en haar ogen waren zo vreemd opgezwollen!
Ze gaf hen een knuffel zelfs.
Ze noemde hen; Mijn schatjus.
De vriend was even weggeweest en kwam terug met de mededeling dat hij een auto had kunnen lenen van zijn maat.
Kom kinderen we gaan ff een eindjuh rijuh in die auto.
Hans nam snel zijn knikkerzak mee en stopte deze onder zijn dunne jasje.
Ze gingen inderdaad naar een bos.
Grietje had niets in de gaten en ze zong uit volle borst.
Hans vertelde haar maar niets, want hij wist nog niet wat er zou gaan gebeuren.
Ze wandelden een flink eind vanaf de autoweg.
Hans gooide telkens een knikker op de grond, zo kon hij de weg vast weer terugvinden.
Uiteindelijk kregen ze beiden een pakketje met brood mee en een waterflesje voor onderweg.
Zo, wij gaan ff een eindje wandeleh en halen jullie zo weer op.
Wel hier blijvuh hé!?
Hun moeder vertrok, na een knuffel, met haar vriend, verder het bos in.
Hans en Grietje stonden daar zenuwachtig te wachten.
Oh Hans wat nu, riep Grietje uit, waarom mogen we niet met hen mee?
Hans vertelde wat de vriend van hun moeder gezegd had en dat ze dus nu in het kinderbos waren.
Maar zei hij trots, kijk eens ik heb allemaal knikkers meegenomen en ze overal neergestrooid onderweg.
Zo vinden wij de weg wel weer naar huis hoor.
Oh Hans wat knap van jou, zei Grietje en ze gaf hem een kusje op zijn neus.
Laat dat, bromde Hans.
We gaan eerst ons brood opeten en dan op pad.
Het werd al wat schemerig en Grietje vond het erg eng in dat donkere bos.
Oh Hans zijn we dan wel op tijd thuis?
Welk thuis, bromde Hans. We gaan onze vader opzoeken Grietje, mama kan niet voor ons zorgen.
Het begon te regenen, en de kinderen werden nat.
Rillend liepen ze dicht tegen elkaar aan, op zoek naar knikkers in het bos, dat vol bladeren lag.
Het was heel moeilijk om ze te vinden en uiteindelijk raakten ze de weg kwijt.
Het was enorm donker in het bos en snikkend liepen ze daar samen tussen de bomen door.
Hoe kan mama ons dit aandoen Hans, snikte Grietje uit.
Dat komt door de drugs Grietje, ze is verslaafd en die man ook.
Oh Hans wat nu toch, hoe komen we hier nu uit?
Tussen de bomen door zag Hans een lichtje branden, daar kijk.
Daar is een huisje, we gaan daar aanbellen en vragen of ze ons willen helpen ok?
Opgelucht holden de kinderen richting het huisje in het bos.
Ze belden aan en de deur ging even later krakend open.
Een kleine dikke meneer deed open en lachte vriendelijk naar de kinderen.
Kijk eens aan, zei hij, kijk eens aan, wat hebben wij hier?
Kom toch binnen bij ome Frans!
Met zijn arm wees hij achter zich, de warme hal in, kom toch kinderen kom!
Ze waren zo opgelucht dat deze vriendelijke meneer hen binnenliet.
Och och wat een mooie kinderen zijn jullie.
Ja we zijn een tweeling vertelde Grietje trots.
Ow wat zijn jullie natgeregend weet je wat, ik ga jullie lekker in bad doen.
Kom maar mee en de vriendelijke meneer nam de kinderen mee naar boven.
Hij vulde een groot bad in een mooie badkamer.
Hij trok eerst Grietje haar kleertjes uit, zo meidje ga jij maar lekker eerst hoor.
Grietje genoot van het warme water en even later droogde de meneer haar af.
Zo kijk eens hier een reuzenbadjas van mij die mag jij aan!
Hoe vind je dat, lachte de man vriendelijk.
Ome Frans heeft ook nog een badjas voor Hans.
Kom Hans jongen ook jij even lekker in dat warme badje.
Ook Hans werd ontkleed door ome Frans.
Ome Frans kietelde Hans ondertussen en Hans had de slappe lach inmiddels en plonste zo het badwater in.
Ome Frans waste Hans flink onder het water.
Zo kindertjes wat fijn dat jullie gekomen zijn bij mij.
Ik verlang enorm naar gezelschap en zeker van kinderen, jullie zijn altijd welkom hoor.
Kom we gaan even wat lekkers eten beneden en dan mogen jullie lekker slapen in de logeerkamer.
Ome Frans had allemaal lekkers in huis, zoveel zelfs dat ze het niet eens opkonden.
Snoepjes en frisdrankjes en lekker eten, zelfs biefstuk, nu dat hadden ze nog nooit gegeten.
Voldaan gingen de kinderen naar bed.
Ome Frans stopte hen lekker in en kuste hen op de mond.
Zo lieverds nu lekker slapen hé!? Morgen komt alles goed hoor.
Uitgeput vielen de kinderen in slaap.
De volgende morgen moest Hans alles stofzuigen in het huis.
En Grietje mocht de afwas doen.
Ome Frans keek toe vanaf zijn canape, en glimlachte maar.
De voordeur was op slot. Hans had dit al gezien maar zei niets, maar vond het wel vreemd.
Na het ontbijt vroeg Grietje wanneer hij hen naar huis zou brengen.
Oh nu nog niet liefje, schamperde de dikke man.
Nee jullie blijven nog een tijdje bij ome Frans hoor.
Ik vind jullie veels te mooi om al te laten gaan en ome Frans wil wel wat plezier beleven aan jullie.

De kinderen waren erg bang maar deden gehoorzaam wat ome Frans van hen vroeg.
En dat was na een week al heel wat.
Ome Frans friemelde graag aan de kindertjes en deed ze dolgraag in bad.
Hij liep rond met zijn badjas aan en m.n. open.
Daaronder was hij dan naakt.
Seksueel werden ze nog niet misbruikt, maar het scheelde niet veel.
Hans zocht naar allerlei manieren om te vluchten, maar hij kon niet zonder zijn zusje vluchten uiteraard.
Maar op een avond zagen ze zwaailichten in het bos en daar was de politie.
Ze ramden de voordeur open en redden de kinderen uit handen van ome Frans, die pedofiel was.
Getraumatiseerd kwamen de kinderen op het politiebureau terecht waar ze onderzocht en ondervraagt werden.
En uiteindelijk kwam hun vader hen ophalen met zijn nieuwe vrouw.
Ze waren dolgelukkig en de vader wilde dat de kinderen bij hem kwamen wonen.
Hij mocht de kinderen nooit meer zien van zijn ex vrouw, vertelde hij.
Hij had het daar maar bij gelaten, maar als hij had geweten wat voor een moeder zij was, had hij de kinderen weg laten halen bij haar.
Hij was blij dat de kinderen ongedeerd waren, maar ze hadden wel een fikse tijd therapie nodig, dankzij volwassen mensen die zich niet kunnen gedragen.
Dat is heel erg jammer.
Maar zo gaat dat anno 2017.
Hun moeder wilde de kinderen nooit meer zien.
Een moeder die kinderen in een kinderbos achterlaat is geen moeder.
De kinderen groeiden voorspoedig op en kregen later werk in de sociale dienstverlening om andere kinderen te helpen.
Want dat gaat ook vaak zo.

 

Het Pokemonster
Het Pokemonster

monster - Google zoeken:

De hitte lag zinderend op het wegdek, trillingen stegen op van het asfalt.
Sven keek op van zijn mobiel en zag hoe de lucht voor zijn ogen trilde.
Hm, apart dat wel, vond hij.
Hij was het nog niet zo gewend om buiten rond te struinen.
Vanaf zijn 7e verjaardag had hij een computer gekregen van zijn ouders en in feite had hij daar jaren van zijn leven verdaan achter dat ding.
Hij kon gamen als de beste, hij speelde dit spel dan ook dagelijks, urenlang.
Dit hield in dat hij z.g.a. jaren niet meer buiten kwam.
Maar inmiddels, dankzij de nieuwe game van Pokemon, kwam hij weer dagelijks buiten en zelfs vele uren lang. Zelfs zijn armen raakten gebruind, voor het eerst sinds zijn jongere jaren.
Sven was inmiddels 23 jaar oud.
Hij voelde zich wel prettig, zoals het nu ging.
Sven was een lange magere jongen met nog steeds een rugzak op zijn rug,simpele doorsnee kleding, zijn haren waren lang en verwilderd, op zijn neus droeg hij een donker montuur.
Hij had niets op met mode, het interesseerde hem niet zo en in feite droeg hij nog eenzelfde soort kleding als toen hij zeven jaar oud was.
Maar inmiddels, zag hij weer iets van de wereld, de levenden, de mensen, en ergens besefte hij wel wat hij gemist had al die jaren.
Hij zag weer mensen, hij sprak zelfs met mensen. Dat viel nog niet mee, zijn stem leek wel vastgeroest te zijn, omdat hij eigenlijk jarenlang met geen mens meer écht had gesproken.
Maar nu leerde hij weer om te communiceren en dat vond hij toch wel fijn.

Vandaag was het bizar heet, 35 graden zelfs.
Maar toch wilde hij een nieuwe Pokemon scoren.
Hij had al vele uren rondgelopen, van het park tot aan het ziekenhuis en weer terug, want ergens verstopt tussen de bomen moest er een Pokemon zijn.
Het was er best druk, ondanks de hitte.
Sven kneep zijn ogen even samen, om weer te focussen op zijn smartphone beeldscherm, vooruit hij ging er weer voor. Hij tuurde naar het beeld en zag nog niets.
Maandenlang had hij zich hierin verdiept. Hij speelde dagelijks Pokemon.
Hij droomde in de nacht van Pokemon’s, die overal waren, overal rondom de mensheid op de meest vreemde plaatsen.
Een virtuele wereld, die steeds meer leek te versmelten met de realiteit.
Nu kende Sven na al die jaren gamen, al niet veel realiteit meer.

Het was die avond een mooie zomeravond en Sven liep met zijn bakje patat naar een bankje in het park.
Er zaten nog twee mensen op het bankje, ook op zoek naar de Pokemon dichtbij.
Ze spraken af om door te gaan in het donker, met elkaar.
Op jacht naar de Pokemon in het bos.
Ergens moest er één zijn.

Rond het middernachtelijke uur liepen zij nog steeds tussen de struiken te banjeren.
Het was gelukkig volle maan, dus ze konden nog zien waar zij liepen.
Sven struikelde echter over een boomstronk, en lag even voluit, plat voorover op de grond.
Tegen de tijd dat hij opstond, zag hij zijn twee medezoekers niet meer.
Plotseling waren zij verdwenen. Hij riep hen nog maar vreemd genoeg hoorden ze hem niet of waren ze al te ver weg.
Sven haalde zijn schouders op en liep verder.
Continu turend op zijn mobiel.
Ergens verderop zag hij een vreemd rood licht schijnen op zijn beeldscherm.
Daar moest hij dus zijn.
Sven liep snel door, richting het schijnsel.
Hij keek door zijn beeldscherm naar de Pokemon die hij zou zien, als eerste!
Ja, daar was wat te zien, maar wat was het?
Sven zijn adem stokte hem in zijn keel.
Op zijn beeldscherm staarde een duivels wezen hem aan.
Sven keek op van zijn mobiel en zag niets.
Hij zag enkel het duister van de bomen. Hij keek weer op zijn beeldschermpje en zag het weer een monsterlijk wezen dat hem grijnzend aanstaarde.
Sven werd plotseling intens duizelig. Hij wreef eens over zijn voorhoofd, welke vochtig was, was het zweet of was het bloed?
In het, door de maan beschenen donkerte, zag Sven tot zijn schrik een zwarte vlek op zijn hand, bloed dus?
Hij voelde nogmaals aan zijn voorhoofd, een flinke snee, niets ernstigs toch? Was hij soms even buiten bewustzijn geweest?
Waren zijn medezoekers vertrokken zonder hem?
Sven wist het niet, maar voor hem was een naar lelijk wezen dat een Pokemon zou voorstellen.
Hij tuurde nogmaals naar het beeldschermpje, ja, kijk daar was het weer, het wezen was dichterbij gekomen.
Sven schrok weer intens, want het was een smerig wezen, wanstaltig lelijk en griezelig.
Dit was zo geen Pokemon wat hij kende…hoe konden ze dit nu als een Pokemon wezen in een bos neerzetten.
Sven begreep er niets van.
Hij mikte maar op het wezen voor hem.
De eer was aan hem, hij had hem toch? De rode mist rondom het wezen werd groter…
Een vreemde rottende geur trok aan hem voorbij, Sven durfde niet op te kijken van zijn smartphone.
Oh mijn god, dacht hij, is het echt soms?
Er hijgde iets in zijn nek, een stinkende warme adem.
Op zijn schouders voelde hij klauwen klemmen, met flinke nagels, die pijnlijk in zijn huid staken.
Sven wilde zich omkeren, maar dat lukte niet, verlamd van angst en de handen hielden hem tegen, ze waren ijzersterk namelijk.
Wie bent u, wat wilt u van mijjjj…stamelde Sven…
Ik, ik ben het Pokemonmonster!
siste het monster achter hem, je bent de eerste die er één ziet.
Jij hebt bijna alle Pokemon’s gevonden en daar staat een beloning tegenover.
Mij! Het Satanische Pokemonster, en jij hebt mij als eerste gevonden.
Wat een wonder en wat duurde dit lang, lachte het wezen in zijn nek.
En nu? Vroeg Sven aan het Pokemonster.
Het monster lachte hard in zijn oren en Sven voelde hoe de klauwen richting zijn rug gingen.
Het zweet brak Sven inmiddels uit, wat ging er gebeuren en hoe kon dit gebeuren? Dit was niet de game zoals hij dit kende.
Wat wilt u van mij Pokemonster?
Oh dat, mompelde het monster verhit, laat dat maar aan mij over jongen.
Diegenen die mij vinden mogen ervoor betalen uiteraard, hierna ben je wel the king of the Pokemons!
Eigenlijk ben ik de eindstreep van de game snap je.
Sven voelde hoe de klauwen richting zijn broekriem gingen en behendig de riem los gespte.
Wat gaat u doen met mij…? Gilde Sven uit met een hoge stem.
Hahahahaa lachte het Pokemonster, wat ik ga doen?
Dat merk je zo wel.
Het Pokemonster stroopte behendig de broek van Sven naar beneden.
Daar stond Sven in zijn blote kont midden in de nacht in het bos, wie zou hem vinden, dacht hij nog angstig.
Met enorm veel kracht duwde het Pokemonster Sven voorover op zijn knieën.
Oh god neeeeeeeee…. riep Sven uit. Neeeeeeeeee niet dat!!?? Het Pokemonster snoof eens heftig.
Hmmmmmm heerlijk riep het monster uit.
Helaas, van achteren kwam er een flink geslachtorgaan kokendheet gloeiend in Sven zijn anus.
Sven gilde het uit van de pijn, en verloor het bewustzijn.

De zon kwam al op en op de grond in het gras lag Sven nog steeds bewusteloos met in zijn hand zijn smartphone vastgeklemd in zijn vingers.
De twee medezoekers zagen hem eindelijk liggen en waren opgelucht.
Sven!
Sven wakker worden, riep één van hen.
Sven opende zijn ogen, zijn anus deed enorm veel pijn,
dat was het enige dat hij voelde. Oh kreunde hij, oh, wat een pijn.
Hij vertelde wat hem overkomen was.
Meewarig keken de medezoekers hem aan. Wat een kul joh, hahahaha je bent vast verkracht hier door een homo!
Nee echt serieus, riep Sven vertwijfeld uit, kijk hier op mijn mobiel.
Hij liet de foto zien, ik ben nu de king van Pokemonsters,  mompelde hij nog bijna huilend.
Verbijsterd keken de medezoekers naar de foto van een afgrijselijk duivels monster.
Het grijnsde hen toe vanaf de smartphone.
Mijn god en dat heeft jou verkracht vannacht in dit bos?
Ik stop met dit spel hoor zei één van de medezoekers als ons dit allemaal te wachten staat.
Ik ook zei de ander, dit moet ik niet.
Nee he zei Sven met een vage glimlach op zijn gezicht, de pijn kwam hem bijna zijn oren uit.

Dit wil niemand!
De medezoekers sleepten Sven mee naar huis, strompelend door het park, liepen de tranen hem over zijn wangen.
Bij het ziekenhuis besloten ze Sven toch maar te laten onderzoeken, hij mocht meteen een paar dagen blijven i.v.m een gescheurde darmingang.
De medezoekers werden wel de beste vrienden van Sven, maar Pokemon spelen deden ze nooit meer.
Het spel was al snel over, toen de verhalen rondgingen die sommigen niet konden geloven.
Maar toch door de hele wereld kwamen er meer verhalen, over dat Pokemonster, het scheen een wezen te zijn die was opgeroepen vanuit de duistere werelden dankzij CERN.
Hoe men ervan af kwam, wist men niet want men kon het nooit te pakken nemen, maar hij nam mensen wel te pakken en flink ook.
Vaak in een donker bos.

©Angelwings

 

Sneeuwsnuifje en de zeven dwergjes
Sneeuwsnuifje en de zeven dwergjes

Google Afbeeldingen resultaat voor http://www.retailwiki.nl/wiki02/images/Rem_2011_sneeuwwitje_daniellewuijts.jpg:

Sneeuwsnuifje en de zeven dwergjes

Er was eens een koningin die een kind wilde hebben, maar er kwam maar niets van want ze hadden het zo druk, dat het er niet van kwam!
Nu was de koning ook een oude zak en daar viel nog maar weinig te halen!
Dus op een dag toen de koningin in de tuin wandelde van het grote kasteel, sprong er plots een ordinair knappe stalknecht voor haar neus en hij sprong terstond met de koningin de bosjes in!
Gewoon omdat dat kan!
Nou en omdat dat ook kan dus, was de koningin ineens direct zwanger van deze stalknul.
De koningin had zo genoten van de ordinair knappe staljongen dat ze nog vaak met hem de bosjes in sprong.
Na de bevalling van een kind net zo ordinair knap als de staljongen, met zwarte haren als roet, lippen alsof ze al met botox ingespoten waren zo rood en dik en opgezwolluh, een huidje zo wit als van een Turk.
Want dat was die staljongen natuurlijks.
Nah goed de koning was blij met zijn dochter, ook al wist hij niet dat ze niet echt zijn dochter was, maar hij kwam er dus achter dat vrouwin lief dus telkens in de bosjes aan het spelen was met de staljongen.
Hierna zette de koning, beiden op een bootje, richting Zweden!
Daar was hij ook weer vanaf, zeg maar.
Nu had de koning een nieuwe koningin nodig want ja anders denken de landgenoten dat de koning gay was en dat kon nog niet in zijn land natuurlijk, zo modern waren ze daar nog lange niet! Dus hij zocht een vrouw om zijn vrouw te worden.
Nu was toevallig ”op zoek naar nieuwe topmodellen” op tv en de koning belde met Paul Fischer.
Nou die had er nog wel wat in de aanbieding dus koos de koning de knapste maar die was eigenlijk ook het gemeenste van allemaal! Maar ja wie zag dat af aan een knappe snoet?
De koning trouwde en Paul Fischer kreeg een zak met goudstukken als dank.
Sneeuwwitje groeide op als een knappe prinses, ordinair lekker gewoon en de koningin die haar stiefmoeder werd, was groen van jaloezie op dat kind.
Dat kind was knapper dan haar stiefmoeder die het next topmodel had kunnen worden Notabene!
De koningin vond dit maar niks en ze besloot om zich te ontdoen van dat ordinair knappe kind.
Ze begon het kind met coke te voeren, snuifje hier en snuifje daar, kom sneeuwsnuifje je snuifje ligt al klaar, kakelde de koningin dan lachend uit.
Sneeuwwitje kreeg vanaf toen de bijnaam Sneeuwsnuifje.
Logisch natuurlijks!
Op een dag zei de koningin tegen de koning dat zijn ordinair knappe dochter dus aan de coke verslaafd was en dat zij naar een opvangcentra moest voor verslaafden.
Nou ehm ja, zei de koning nadenkend, als het moet dan moet het, voor het vaderland, riep hij uit.
En ze gingen nog even van bil.
Sneeuwsnuifje ging hierna naar een antiverslavingsinstituut, waar men vraagt naar problemen uit het verleden.
Nou ja sneeuwsnuifje had geen moeder meer, eitje voor de psychologen natuurlijk!
Oh dat is dus het probleem. Ja maar mijn stiefmoeder begon mij coke te geven sputterde Sneeuwsnuifje tegen.
Geloven wij niet, kind, dat jok je, dat komt omdat je jaloers bent op je stiefmoeder.
Sneeuwsnuifje daar viel aan te verdienen dus flink lang vasthouden daar was men het roerend over eens.
Ze ging naar kamp midgetwerpen.
Ze stuurden haar door het grote bos, alleen op pad met een rood hoofddoekje op en een mandje met eten.
Zoek je huisje maar op kind, zeiden de psychiaters, het is nummer 7.
Sneeuwsnuifje ging op pad, het was al bijna donker.
Ze kwam een boze wolf tegen die haar bijna zou opeten, maar toen ze uitriep dat ze Sneeuwsnuifje was, gaf hij haar een schop onder haar hol.
Ik wil alleen roodkapjes, schreeuwde hij boos!
Sneeuwsnuifje tikte tegen haar voorhoofd, jij bent gek, boze wolf!
Ja, jij niet zeker, bromde de wolf, alsof hier in dit bos een boze wolf woont zeker?
Uiteindelijk kwam Sneeuwsnuifje veilig aan bij een huisje in het grote bos, er stond een 7 op de deur, dus dit moest het zijn.
In dat huisje woonden zeven dwergen. Klein duimpje had namelijk zeven zonen en dat waren dus die zeven dwergen en ja als dwerg, raak je wel verslaafd als het om discriminatie gaat natuurlijk.
Kijk zo groot als een duim, oid is nog leuk en cute maar ja een dwerg?
De dwergen hadden net hun hamster tussen de deur te pletter gedrukt, en het arme beestje was dus dood. Dus de dwergen jankten zich een ongeluk en zopen de hele koelkast leeg aan wijnflessen en wodka.
Aangezien dwergen een kleinere blaas hebben zeken ze zich ook nog eens een ongeluk.
Sneeuwsnuifje vond ze maar moeilelijk met zijn allen, bah moest ze hier verblijven?
Ze ging maar in een van de bedjes liggen om te gaan slapen, het was een indrukwekkende dag geweest. Maar na enige tijd lag er een dronken dwerg in haar bedje die tegen haar lispelde of hij haar 7 shades of tepels eens mocht zien.
Ze schopte nee ze wierp hem uit het bed en begreep eindelijk waarom dit gedeelte in het bos de afdeling”midget werpen” was.
De volgende morgen werd Sneeuwsnuifje wakker.
De dwergen waren al aan de gang en maakten de boel in het huisje weer op orde.
Ze hadden een vaag spraakgebrek ook dat nog, dacht Sneeuwsnuifje.
Ze hadden het over Jos de dwerg die deze week was uitgeroepen tot bosmongooltje van de herstweek op de leuterschool. Nou ja het zal allemaal best dacht Sneeuwsnuifje. Ze had zin om zich af te reageren en begon te midget werpen op een binnenplaatsje. Dat werkte vruchten af, ze had al een hele dag geen sneeuw meer in haar poezelige ordinair mooie neusje gesnoven!
De dwergen waren er opgewonden van geworden.
Met hun opgewonden geslachtsdelen stonden zij naakt voor het arme knappe kind. Ze schopte hen allen hard in de balletjes waarbij de midgetpenisjes neder vielen als minisateprikkers die door een tornado omver geblazen waren.
Ik ben het nu zat, riep ze bozig uit.
Ze rende weg door het bos en struikelde over een boomstronk van een appelboom, een appel viel uit de boom zo pardoes in haar ordinair mooie keelgat en daar lag ze voor pampus.
De dwergen hadden mega spijt natuurlijk en besloten haar in een glazen kistje bij de weg te zetten, voor diegene die haar wilde hebben, die mocht haar dan meenemen.
Ze bleef gewoon goed bewaard in die glazen kist immers, luchtdicht afgesloten.
Op een dag kwam de zoon van de directeur langs omdat hij de zaak zou overnemen, hij zag Sneeuwsnuifje in het glazen kistje en opende de kist.
hij kuste haar omdat ze echt ordinair knap was!
En door de kus en zijn lange tongzoen, schoot zo de appel uit haar keel.
Sneeuwsnuifje opende haar ordinair mooie ogen en keek haar redder aan, ze werden terstond verliefd op elkaar en gingen al snel trouwen.
En ze leefden nog lang en gelukkig.

©AngelWings

De tovenaar of eh heks
De tovenaar of eh heks

Er was eens een mooie boze heks.
Eigenlijk was deze heks ooit een man geweest, maar na een flinke operatie, zat alles dan ook precies op zijn, ehm haar plek en was de tovenaar, een heks geworden.
Eindelijk!

http://media-cache-ak0.pinimg.com/originals/f9/27/6a/f9276ae02d1b8caf77b9b076a7cef265.jpg
Een lang gekoesterde wens ging in vervulling.
Nu woonde deze heks in een arm heksenland, waar het best armoedig was, en men kon dan wel misschien toveren, maar geld, dat ging niet zomaar.
Dan moest je bijna wel een duivelin worden, wilde je dat voor elkaar krijgen.
En die opleiding duurde echt wel 33 jaar lang, daar begon de heks maar niet aan.
Teveel gedoe.
Maar goed hoe kreeg je een fijn leven?

Magnus's least favorite alchemist, Agrippa Thoth, happens to boast an amazing library.
De heks zocht via google en zowaar, in een ander land leek het beter wonen dan waar zij woonde.
Zo gedacht zo gedaan, ze zocht een nietsvermoedende man op in dat land.
Een beetje een oen zeg maar zoals Willem Alexander.
Maar dan ietsjes anders.
Hij vond de heks erg knap en leuk, en na wat gemail over en weer waren ze er al over uit met wat magic toverkracht, ze zouden gaan trouwen.
Nou dat was snel geregeld. Het duurde wel even voor de heks met de bezemsteel over die oceaan aangekomen was, maar dat mocht de pret niet drukken hoor.
Ze trouwden en leefden nog lang en gelukkig.
Tenminste voorlopig wel, de man had echt niet door dat deze heks ooit een man was geweest. En dat ze een heks was wist hij al helemaal niet natuurlijk.
Dat zou ze nooit zeggen nml.
Stiekem begon ze toch maar aan de cursus hoe je een duivelin werd.
Hoelang dat ook zou duren het zou maar eens van pas komen?

We look at life differently; we live life differently; and we experience life differently. We find beauty and laughter in the simplest things. We believe that magick is in life itself.
De man vroeg dan wel eens waar ze was, maar dan zei ze dat ze moest overwerken, ze kon inmiddels wat centjes toveren uit haar droge borsten, dan
moest ze flink knijpen dat wel en het was enorm pijnlijk maar, dan had je wel wat.

Ze prutste dan wat inkomsten informatie via een programmaatje op de pc in elkaar en dan was alles in orde.
De man had echt niets door.
Hij had enkel 1 grote wens.
Een kind van hen samen. En dat ging dus niet.
Ze probeerde al wat duivelinnen achtige dingen uit maar die werkten echt niet.
Het enige dat kon was terug gaan naar het land waar de heks vandaan kwam.
Maar dan moest ze wel flink liegen.
De man zei nogmaals ik zou zo graag een kind met jou willen, dat ze intens woest werd de koffers pakte en vertrok richting haar geboorteland.
Ze deed net alsof ze wilde scheiden van die lieve man.
De man was intens verdrietig, wat had hij fout gedaan?
Hij begreep er niets van.
De heks echter wel.

@Hannah Bradley THis is AWESOME and very much like the witch in Sleepy Hollow! samhain, costume
Ze hield haar man op afstand en vertelde plots dat zij voor ze vertrok zwanger bleek te zijn geweest. De man was in de wolken zo gelukkig was hij.
Maar zei ze, ze kwam pas thuis als de baby geboren was, ze wilde deze bij haar familie ter wereld brengen.
De man wilde direct met het vliegtuig richting het thuisland van de heks vertrekken, maar dat stond zij niet toe.
Als ik thuis kom met ons kind, dan pas mag je het kind zien en niet eerder.
Ondertussen wandelde de heks dagelijks in de supermarkten in het arme land en ze zag dat er een zwangere vrouw was, die best rijk was, maar niet genoeg, om eventueel een kind op te kunnen sporen.
Deze vrouw achtervolgde zij continu.
Binnen de tijd die nodig was, liep deze mevrouw met het kindje in de kinderwagen door de supermarkt, het kindje was pas geboren!
Het was een mooi en lief kindje.

.You are more than you think you are. There are dimensions of your being and a potential for realization and consciousness that are not included in your concept of yourself. Your life is much deeper and broader than you conceive it to be here. What you are living is but a fractional inkling of what is really within you, what gives you life, breathe, and depth.
Op een onbewaakt moment nam de heks het kindje mee uit de kinderwagen en ging er snel vandoor op de bezemsteel.
De man was zielsgelukkig met het kindje van hen samen.

Yashoda (Sanskrit: यशोदा) was wife of Nanda within the Puranic texts of Hinduism. Within the Bhagavata Purana it is described that Yasoda later became the foster-mother to Krishna, who was born to Devaki but was given to Yashoda and Nanda in Gokul, by Krishna's father Vasudeva on the night of his birth, for his protection from Devaki's brother, the king of Mathura, Kansa.
Hij beloofde voor eeuwig trouw en liefde aan beiden.
Ze waren weer gelukkig.
Zover gelukkig, geluk kan zijn voor een heks die studeert voor duivelin, maar die cursus bleek nep te zijn, dus dat ging niet meer door. Weggegooid geld.
Het enige dat er gebeurde dankzij die cursus was dat de heks er een beetje lelijker door was geworden. Maar de man weet dit maar aan de geboorte van hun kindje.
Wist hij veel?
En de heks was vaak snauwerig tegen mensen, maar daar kon ze niets aan doen, daarvoor was ze een heks namelijk.
Die zijn zo. Gelukkig kwam er nooit iemand achter haar geheim.
Dat was maar goed ook, want anders zou ze zo de politie inschakelen, met haar heksenpraktijken, wist ze goed hoe ze moest liegen, ook dat nog. Maar gelukkig dat de lieve man er niets van merkte.

http://www.ebay.com/sch/jss3677/m.html?item=271027242962=nc&_trksid=p2047675.l2562#       witch (no longer available for sale)

AngelWings

Moederliefde
Moederliefde

Op een zomerdag liep een kleine jongen door een bloemenveld.
Hij zag prachtige bloemen en wilde deze plukken voor zijn lieve moeder.

Wat het jongetje niet wist, was dat zijn vader die in de onderwereld leefde, expres mooie bloemen had geplant voor het jongetje, zodat hij hem mee kon nemen naar zijn donkere wereld.
Hij wist dat het onschuldige, lieve jongetje niet mee wilde naar zijn duistere wereld onder de grond.
Het jongetje zag een hele mooie witte roos, hij wilde deze plukken, want hij wist dat dit een bijzonder mooie roos was. De roos was enorm groot en leek een prachtig regenboog achtige aura uit te stralen. Het leken wel prisma’s. Het jongetje boog zich voor over en plukte de witte roos, voor zijn moeder. En terwijl hij zich bukte, spleet ineens de aarde uiteen voor zijn voeten en verdween hij zomaar onder de grond.
In de onderaardse wereld, nam zijn vader hem mee op zijn enorme span met zwarte paarden.
Het jongetje huilde en riep om zijn lieve moeder, maar zij kon hem niet meer helpen daar in de onderwereld. Ze kon hem zelfs niet horen daar zo ver weg van haar gehoor.
Maar haar hart had het al vernomen en in grote stilte staarde ze voor zich uit.
Er was iets gebeurd met haar kind maar wat?
Ze wist het niet en ging snel zoeken.
Ze zocht en zocht, urenlang, tot het duister intrad, maar zij vond haar kind niet meer terug.
Vermoeid van het huilen en roepen, ging zij weer op huis aan, waar een oude uil in de boom zat naast hun huisje.
Oh Uil vertel mij toch, weet jij waar mijn zoon is?
Ik ben hem kwijt, riep ze wanhopig uit.
Oehoe, zei de uil en hierna antwoorde hij: Uw kind is gezien, onderin de aarde, bij zijn vader zal hij zijn, en verblijven, hoe krijgt u hem weer terug.
De moeder viel neder op de grond en woelde met haar vingers in de aarde.
Oh zoon lief, kom toch terug bij mij, huilde zij.
Maar ze kon hem niet bereiken in dat onderaardse.

Inmiddels huilde in het onderaardse ook het jongetje om zijn moeder, daar bij zijn vader.
De vader werd er moe van en ook erg boos.
Houdt op met huilen, mama’s kindje. Houdt op, ik zeg het je. Maar het jongetje was ontroostbaar.
Hij hield zielsveel van zijn moeder en ook al was dit zijn vader, maar zijn vader leefde in het onderaardse en hij wilde in de zon leven met zijn moeder, en niet in het duister.
De vader haalde allerlei speelgoed tevoorschijn, en kleurkrijtjes en papier, hij probeerde het kind aan het lachen te maken maar niets hielp.
Het duister in het onderaardse werd nog duisterder, de sfeer nog grimmiger en niets zorgde voor vreugde of opluchting.
De vader was des duivels.
Ooit was hij verliefd geworden op de mooie godinnendochter op aarde, hij had haar bespiedt en terwijl hij naar haar keek was hij smoor verliefd geworden en had hij haar meegenomen naar het duister van zijn onderwereld.
Ze had eerst gehuild, en na enige tijd in gelatenheid maar geaccepteerd dat hij haar gevangen hield.
Hij bracht vaak bloemen voor haar mee, en de lekkerste hapjes. Maar gelukkig maken kon hij haar niet.
Op een dag had zij hem iets gevraagd, waarmee hij instemde omdat hij zag hoe ongelukkig zij was daar bij hem in die onderwereld.
Ze had hem gevraagd of hij haar vrij wilde laten, maar hij had haar gezegd dat hij dan een kind van haar wilde hebben, daarna was zij vrij om te gaan.
Ze had drie maanden niet meer tegen hem gesproken maar daarna had zij ja gezegd.
Niet lang daarna, bleek dat zij gezegend was met kind. Hij was zielsgelukkig maar ook bedroefd, hij moest haar laten gaan als zij hun kind op de wereld had gezet.
Ook zij was zielsgelukkig, maar ook bedroefd, ze moest haar kind laten gaan als ze hun kind op de wereld had gezet.
Op een dag in de zomer werd het kind geboren. Het was een prachtige jongen en beide ouders waren zielsgelukkig. Ze hielden veel van het kindje. De moeder was vrij om te gaan toch kon zij dit nog niet, ze kon geen afscheid nemen van haar kind. Dus ze bleef, en bleef steeds langer.
Op een dag, liep ze met het kind op de arm langs een onderaardse beek, met daarnaast een hoge boom met de kruin heel diep ver weg tot in de aarde van het dak.
En daar doorheen straalde plots een zonnestraal, de moeder wist toen hoezeer zij de zon gemist had, en de aarde daarboven.

Het kindje op haar arm nieste door de plotse zon op zijn gezichtje, en in zijn helderblauwe oogjes.
De moeder lachte hier om.

Ze kuste het kindje liefdevol op de neus en bedacht een plan.

De volgende dag kwam zij terug met een lange trap en ontsnapte met haar kindje richting de aarde en de zon. Ze was zo blij!!!
Ze was ontsnapt aan die man en had toch haar kindje nog.
Na vele jaren had de vader wraak gezworen, ze had hem verlaten met hun kindje.
Dat zou haar berouwen.
Vandaar dat de dag kwam dat de vader het kindje op kwam eisen.

De moeder was radeloos van verdriet. Ze zocht en groef in de aarde naar een ingang van de onderwereld, maar kon deze niet meer vinden.
Vele dieren uit het nabije bos kwamen de moeder helpen en groeven holen naar een onderwereld.
Maar ook zij konden zover niet komen.

Op een dag ging de moeder naar een toverheks. De heks vertelde haar dat ze drie opdrachten moest vervullen en dat zij hierna haar kindje weer kon bezoeken.
De moeder stemde hiermee in, ze zou alle doen wat de heks van haar verwachte.

De moeder gaat op weg om 1 gouden veer te bemachtigen van het kippenhoenderhok van de koning.
Dat valt niet mee omdat dit kippenhoenderhok bestaat uit allemaal dure kippen welke beschermd worden door 3 grote waakhonden.
Als de moeder bij de koningskippen aan komt, roept ze zachtjes, Heilige moederkip?
Heilige moederkip?

Er ontstaat een chaos, allemaal kippen stuiven uiteen en beginnen te kakelen dat het een lieve lust is.
De waakhonden staan plots om de moeder heen, met een gevaarlijk grommen,  ontbloten zij hun tanden. Wat zoekt u hier moeder van het jongetje, vraagt een waakhond boosaardig.

Ik zoek mijn kind dus doe ik wat ik moet doen.
Waarom moet je dit doen, snauwt de andere waakhond grommend.
Omdat het mijn kind is, daarom, verdedigd de moeder haar kind.

De ene waakhond begint zacht te janken. Ik heb ook een jong en hij heeft pijn en kan niet meer lopen.
Ik zal er naar kijken, zegt de moeder vriendelijk, maar dan moet ik wel in ruil de gouden veer krijgen van moeder kip.
Zo gezegd zo gedaan, moeder geneest het pootje van de pup van de waakhond, er zat nml een doorn in zijn pootje, en de moeder krijgt zowaar de gouden veer van moeder kip.

De eerste opdracht was vervuld, blij gaat de moeder weer naar de toverheks.
Mooi zegt de oude heks, kijkend naar de gouden veer in haar hand, en dan nu de volgende opdracht.

Moeder gaat weer op pad, om de tweede opdracht te gaan vervullen.
Ze komt aan bij een enorm grote kuil in het bos, de kuil is gifgroen op de bodem, maar als ze goed kijkt ziet ze daar slangen krioelen op de bodem.
Hier moet zij een zilveren ring uit gaan vissen, maar hoe?

Angstig kijkt moeder om zich heen, ze durft niet tussen de gifslangen te kruipen, ze zullen haar doden en dan ziet haar kind nooit meer het licht van de zon!

Terwijl ze huilend gaat zitten bij de kuil, komt er een adelaar op haar toegevlogen.
Groots zit hij naast haar en slaat een grote vleugel om haar schouder.

Moeder niet huilen, help mij dan help ik jou!
Natuurlijk help ik zegt de moeder glimlachend, graag zelfs.
Wat kan ik doen?
Mijn jong is uit het nest gevallen in een spelonk ik kan er niet bij komen maar jij als mens misschien wel?
Hoopvol kijkt de adelaar de moeder aan.
Natuurlijk doe ik dat, zegt ze opgelucht. Mooi, dan vis ik de ring tussen de slangen vandaan.
Zo gezegd, zo gedaan, de moeder pakt de jonge adelaar uit de spelonk in een berg nabij en de adelaar pakt de zilveren ring tussen de slangen vandaan.

Moeder keert blij weerom richting de toverheks.
Mooi, mooi zegt de toverheks blij en ze bekijkt het zilveren ringetje in haar hand.

De laatste opdracht, als je deze vervult en je vindt je kind terug, is dat voor altijd!
Graag, zegt de moeder blij.

Het is wel de moeilijkste opdracht onthoud dat.

Geeft niets voor mijn kind doe ik alles!

Moeder ging op weg, naar de lava berg, waar een boze koningin woonde die een onzichtbaarheidsmantel had en de moeder moest deze zien te bemachtigen.
De moeder moest over moeilijke wegen en paden, en langs stekelige bosjes om daar te komen.
Op een dag kwam zij daar aan, en onderaan de heuvel krioelde het van de kakkerlakken.
Deze kakkerlakken hadden de zielen van naargeestige zielen, en zij sisten de moeder allerlei gemene dingen toe.

De moeder moest zich inhouden om niet te gaan huilen, zulke gemene en slechte dingen fluisterden zij haar in. Haar hart brak over hoe vals ze behandeld werd maar ze liep door.
Ze beklom de lavaberg met verve en bovenaan aangekomen stond daar een boze koningin.
Wat zij daar te zoeken had.
Ik kom voor de onzichtbaarheids mantel.
Zo zo en waarom denk je dat ik die aan jou geef?
De moeder haalde een witte roos onder haar mantel vandaan en gaf deze aan de boze koningin.
Deze roos plukte mijn zoon voor mij, omdat hij zoveel van mij houdt.
Ik geef deze aan u, in ruil voor de onzichtbaarheidsmantel, zodat ik hem kan gaan halen!
Ik mis hem zo erg, en ik moet die mantel hebben.
De boze koningin smolt toen ze de prachtige witte roos aanraakte, en werd een lieve koningin.
Het was namelijk een toverroos, betoverd door de liefde tussen moeder en kind.

Moeder kreeg de onzichtbaarheidsmantel mee.
Ze moest nog wel een keer langs al die kakkerlakken maar omdat zij de onzichtbaarheidsmantel droeg, zagen deze haar niet langskomen.
Moeder bereikte veilig de toverheks.

Nou dit is goed hoor, mompelde de toverheks.

Ik wil dat je nu nog even mijn bed opmaakt, mijn huisje aan kant maakt en de ramen zeemt, en daarna zal ik je zeggen wat je moet doen om je kind terug te krijgen.

Moeder voldeed zingend aan deze vraag.
Het huisje van de toverheks was spik en span.

De toverheks keek tevreden rond en vertelde de moeder wat ze moest doen.

Moeder ging op weg om haar zoon te vinden.
Langs de rivier, liep zij zingend van geluk, omdat ze wist, zeker wist dat het zou lukken.

Bij een zijrivier moest zij oversteken, en een bootje kwam aangevaren, mag ik overvaren vroeg de moeder.
Jazeker, wat betaald u mij?
Ik betaal u met een zilveren ring die de band voorstelt met mijn kind, want ik zoek mijn kind, ik ben hem kwijt. Ze gaf de ring aan de man en hij voer haar over met zijn boot.
Eenmaal aan wal, liep ze snel langs een rots waar een opening in zat, ze trok de onzichtbaarheidsmantel aan en vertrok in de diepe duisternis richting het onderaardse.
Ze hoorde haar kind huilen, heel in de verte, in het begin, maar steeds dichtbij kwam zij.
Uiteindelijk vond ze haar zoontje huilend bij een poel.
Ze trok het jongetje onder haar onzichtbaarheidsmantel, en hij was zo gelukkig dat hij stopte met huilen.
De vader die hoorde dat het kind niet meer huilde was even verheugd.
Maar hierna voelde hij dat er iets niet pluis was.
Hij zocht zijn kind maar kon het kind niet meer vinden.
Het was verdwenen.
Hij was zo boos dat de aarde bewoog, en er vele aardbevingen ontstonden op de aarde.
De moeder was al snel vertrokken met haar kind onder de onzichtbaarheidsmantel.
De vader had hen niet meer gezien gelukkig.

Terwijl de moeder met haar kind terugkeerde naar een plekje op aarde in de zon, besefte de vader wel, dat hij verloren had en dat zijn kind nooit gelukkig kon zijn in het onderaardse, gestolen van zijn moeder.
De moeder liet nadat zij met haar kind op aarde aan kwam, de gouden veer dwarrelen op de aarde, waardoor lava de aarde zo verhardde dat niets er nog doorheen kon komen.
Ze waren veilig voor altijd.
En ze leefden nog lang en gelukkig.

In het grote dierenbos
In het grote dierenbos

In een groot dierenbos woonden eens vele dieren.

Heel erg veel.

En hoe meer dieren, hoe drukker het werd natuurlijk.

Natuurlijk wenste ”men” een hiërarchie in het bos. De één was wat slimmer dan een ander, een ander had een beter hol, en sommigen hadden en een prachtig hol en ook nog eens vlak bij de beek.

Wat wilde je als dier nu nog meer?

Ze hielden vergaderingen, en overlegden wie er de baas mocht spelen, over de andere dieren.

Dit waren de dieren dichtbij de beek die dit bedacht hadden. Ze vonden dat zij het slimste waren en daarom mochten zij de baas spelen over de anderen.

De rest van de dieren in het grote dierenbos was veel te druk met overleven en hun holletjes voorzien van voedsel voor de winter.

Dus ze maakten zich niet zo druk om die poeha dieren dichtbij de beek.

Ze hadden wel wat beters te doen. En aangezien er nauwelijks een hol vrijkwam bij de beek, mochten ze ook nooit meedoen met de vergaderingen die de dieren daar hielden.

Maar de dag kwam dat mevrouw Vos eiste dat de dieren in het bos zouden luisteren naar hun, de elitedieren in het grote dierenbos.

”NU is het genoeg geweest”, sliste ze valselijk. ”Wij zijn hier nu de baas”!

Ze stond op een omgevallen boomstronk dichtbij de dieren vallei.

Vele dieren keken verbaast achterom naar boven en zagen mevrouw Vos iets eisen, maar ze lachten er om. Mevrouw Vos spoot uit haar rode velletje en sprong woedend op de nietsvermoedende dieren af. ‘’Wij zijn hier de besten, jullie zijn niets waard’’!

Meneer wasbeer glimlachte eens en riep: “Oh ja, omdat jullie toevallig bij de beek wonen mogen jullie een grote mond hebben?”. ‘’Wat een onzin’’, riep mevrouw kraai uit.

Ze vloog snel in een boomtop.
Je wist het maar nooit met die valse vossen, en meneer vos was er niet bij vandaag, vast op jacht bij de kippetjes in de ren van boer Harmsen. Mevrouw Vos stond plots met haar poten wijd voor meneer wasbeer.
Grommend liet ze haar blinkende witte vlijmscherpe tandjes zien.
“Als je niet luistert, zul je eens iets beleven, wasbeer”.  Ze greep hem naar zijn achterpoot, met haar flitsende tanden beet ze hem eventjes zacht.
“En dit kan nog veel harder”, riep ze hem toe.
Meneer wasbeer was helemaal van slag, zijn poot deed enorm veel pijn. Er kwam zelfs wat bloed uit, ze had dus doorgebeten…
De rest van die dieren was stil. Ieder stond gespannen in afwachting stil.
Muisstil was het plots in het bos.
Meneer de Uil klapwiekte gewichtig met zijn vleugels. *kuch*, Ahummm…
“Beste dieren en buitendieren, wij zijn hier bij één om jullie mede te delen, dat wij nu de baas zijn in dit prachtige dierenbos. Wij eisen gehoorzaamheid en zo niet, *ahum* dan zal familie Vos jullie te grazen nemen, zo simpel is het nu eenmaal”.

De dieren mompelden voorzichtig onderling, wat er toch aan de hand was plotseling.
Waarom dachten zij dat zij de baas waren over hen?
Alleen omdat ze bij de beek woonden, wat een onzin?
Omdat ze de beste holen hadden? Dit kon toch niet waar zijn? Het was puur toeval dat zij daar bij de beek een hol hadden gevonden of gemaakt. Dit maakte hen toch niets beter dan anderen?

Niemand was het eens met de dieren bij de beek, de elite soort, die zichzelf hiervoor had uitgeroepen.

Maar de gevaarlijk blinkende tanden van mevrouw de vos, zeiden genoeg. Hadden ze nog iets te willen? Niets blijkbaar.
Met veel gemopper trokken de dieren weer verder, en gingen weer aan het werk.

Maar zo simpel was het blijkbaar dus niet. De beekdieren eisten nogal wat van de dieren uit het bos.
Nml voedsel, en opruimen van de omgeving, ze heften zelfs belasting op het drinkwater uit de beek.
Bij de beek zonnen koste bv een kippenei of een mals kevertje.
Dan mochten de dieren zich even baden in het warme zonlicht bij de beek.
De elite dieren zorgden er voor dat er grenzen werden gemaakt in het bos, niemand mocht er nog uit.
Vele beren hadden de wacht bij de rand van het bos, ze noemden zichzelf de politieberen.

Vogels trokken wel weg uit het bos, als het lukte tenminste, want meneer Adelaar, pakte hen zo snel hij kon, als iemand melding deed van een wegvliegende vogel. Dan vloog hij trots terug met een slappe vogel in zijn klauwen die hij op at in zijn grote nest op de berg.

De holen gravende dieren maakten lange gangen onder de grond en gingen er snel van door… op zoek naar vrijheid en een ander bos.

De elitedieren hadden een erg fijn leven, eten in overvloed, en de andere dieren moesten dit voedsel voor hen zoeken en afleveren.

Vele dieren leden honger en werden ziek.
Maar dat kon de elite dieren niets schelen!
Als zij het maar goed hadden immers?
Hadden die dieren maar bij de beek moeten gaan wonen, dan pas was je echt elite. En anders maar een arme sloeber, die enkel als slaaf diende voor de elite dieren.

Niemand was nog gelukkig afgezien van de elite dieren.
Hoe vreemd was dit in een bos waar overvloed was, en weelde en zonlicht bij de beek.
Terwijl men eeuwen samen leefde in vrede, was het nu een grote ellende.
De één had veel meer dan een ander, hoe oneerlijk dit toch was.

Meneer en mevrouw Vos hadden een heel fijn leventje, nu ze nooit meer uit stelen hoefden, dat werd voor hen gedaan, elke dag kip of fazant. Zalig toch?
Ze waren bijna de koning en koningin in het bos, ze hadden het maar ver geschopt zo.

De dieren brachten nooit iets uit vreugde bij hen, enkel uit angst, en die angst hielden ze er goed in uiteraard.
Als je niet naar ons luistert dan… ja, dan zou er veel gebeuren.
Het maakte hen niet zoveel uit, of ze nu een das op aten of een kip.
De dieren waren doodsbang voor de elite dieren in het bos, de dieren bij de beek.
Veel dieren hadden dorst en honger, maar niemand deed iets aan de terreur van de elite dieren.
Het was toch absurd dat een beek dieren zomaar het recht gaf zich beter te voelen dan andere dieren?
Ze waren toch allemaal dieren?
Op een dag kwam er een enorme storm over het bos.
Bomen waaiden om, takken braken af en wonder boven wonder, stroomde de beek over.
Alle holen dichtbij de beek liepen onder water.
Niets vermoedend verdronken de elite dieren in hun hol.
De volgende dag waren alle dieren bevrijd van hun ellendige elite dieren.
Ze groeven de holen dicht bij de beek, niemand mocht daar ooit nog wonen.
Alle dieren waren weer gewoon dieren en ze zochten hun eten zelf, en werkten voor zichzelf.
Er was niemand die nog de baas was over een ander dier, of zich beter voelde dan die andere dieren.
Want zeg nu zelf, dieren zijn dieren immers?

 

Het zijn geen mensen zoals wij, die dit wel doen en nog steeds doen.

Maar de vraag waarom, daarop is er nog geen antwoord.

©AngelWings