Door het gebladerte van de bomen, trilden zonnestralen twinkelend gelijk sterretjes over het zandpad dat met een lichte bocht toegang gaf tot een kleine cottage.
Een schattig klein wit huisje in het bos.
Carmen was meteen verliefd op het huisje, hier wilde ze gaan wonen. Ze dronk de schoonheid in van het wonder dat voor haar lag.
Het lag uiteraard half in de schaduw, dankzij het woud aan de voorzijde van het pad,  maar aan de achterzijde scheen de zon en daar bloeiden de bloemen uitbundig. Een oude vergeten waterput maakte het geheel af. Carmen zou dit huis gaan kopen en dan misschien eindelijk rust vinden in haar leven. Na het overlijden van haar ouders, had ze haar erfenis gekregen, die zij goed wilde besteden. Het verdriet was nog lang niet gesleten, zo snel ging dat allemaal niet, ook al vonden veel mensen dat het nu maar eens gedaan moest zijn. Hoe konden zij begrijpen hoe diep hun band was geweest. Haar innig geliefde ouders die haar altijd op handen droegen, hun enige dochter en enige kind. Het gezin bestond uit louter liefde voor elkaar en dit moest zij missen.

Het enige levende, dat Carmen nog mee kon nemen van haar ouderlijk huis was de langharige zwarte oude kater Felix. Het huis van haar ouders kon zij niet onderhouden en afbetalen. Nu kon zij dit heerlijke huisje wat opknappen en hier prettig leven, het was groot genoeg. Carmen vond de afzondering wel prima, zo zonder mensen om haar heen. Ze hield niet zo van mensen. Ze stelden je alleen maar teleur. Afgezien van haar ouders, had Carmen niet veel leuke en lieve mensen ontmoet.
Het merendeel was hard en altijd afkeurend, alsof er een kou  afstraalde van al die mensen in deze wereld en zij was te zacht om daarmee om te kunnen gaan zelfs.
Nee, Carmen vond dit huisje prima voor haarzelf alleen.

De dag  kwam dat de verhuiswagen kwam en Carmen richting het prachtige huisje ging. De zon scheen wederom uitbundig, en daar verscholen tussen de bomen lag haar prachtige witte cottage.
De werkmannen zeulden de meubelen in het huisje en tilden de zwaarste meubels naar hun plek.
Een van de werkmannen merkte op dat het wel erg eenzaam zou zijn hier, voor een jongevrouw alleen. Carmen glimlachte, ‘oh dat vind ik totaal niet erg meneer’. Hij schudde zijn hoofd, dronk zijn mok koffie leeg en ging weer aan de slag. Ondertussen hing Carmen gordijntjes voor de kleine raampjes en keek naar buiten in haar achtertuin die prachtige bloeide, waar vogels floten en vlinders wild door elkaar buitelden. Felix kreeg zeker een belletje aan zijn halsband, vond zij, want anders zou hij op de vogels gaan jagen en vogels vond zij juist zo prachtig. Ze wilde zelfs kippen gaan nemen en wie weet wel een geitje, dat zou leuk zijn een grote witte met een lange sik.
Toen de werkmannen vertrokken ging Carmen even uitrusten op haar bordeauxrode sofa. Zo dit was het dan, het paradijs eindelijk gevonden en eindelijk rust.
Heerlijk! Felix kwam schommelend aanlopen en vroeg om aandacht. Ze kroelde hem door zijn lange vacht, en hij begon te spinnen.

Carmen was een week bezig om alles een beetje te ordenen naar haar zin. De dagen leken te kort om alles voor elkaar te krijgen, maar het lukte uiteindelijk dan toch.
Carmen voelde zich eindelijk weer eens gelukkig, écht gelukkig.
Ze plantte een grote witte roos in haar tuin, de roos uit de tuin van haar voorouderlijk huis.
Ze gaf deze flink wat water en voeding, anders zouden de wortels zich misschien niet verankeren in de aarde bij de cottage en de roos wilde zij niet graag verliezen.
Na deze week ging ze op onderzoek uit, op de zolder van de cottage waar veel spinnenwebben zich bevonden en wat oude kapotte meubels, stoffige versleten Perzische tapijten en zelfs nog enorm versleten kanten gordijnen dat voor het keukenraam pasten.
Ze zou ze gaan verstellen, dat vond ze wel chique ergens. Het leek alsof de gordijnen bij de cottage behoorden. In de tuin vond ze een oud hondenhok met een ketting zelfs, en achterin een verscholen oude schuur met de scharnieren loshangend en knerpend bij het openen.
Een zware kruidige geur kwam Carmen tegemoet,  ze moest even wennen aan het schemer in het bouwval voor ze iets kon waarnemen.
Enkele oude verschoten planken aan de zijkant, waarvan enkele los hingen, wat oud gereedschap, een kinderschoentje zelfs, en achterin een hoek, een schilderij.
Carmen tilde het schilderij op om het te bekijken. Het was een bleek gelaat van een jongeman, hij keek melancholiek uit zijn lichte ogen, wat dromerig misschien. Zijn mond was smal en wat streng, zijn neus was wat scherp en licht gebogen. Zijn haar was zwart als de nacht en glad naar achteren gekamd, waarbij het  haar zijn kraag bedekte van een donkere cape met gouden knopen.
De kruidige geur zweefde haar weer tegemoet, als in Patchoeli, zwaar en overladen.
Tastbaar en dichtbij. Carmen huiverde even, het leek alsof een kille hand zich om haar ontblote schouder legde. Het was een zeer knap gelaat, deze jongeman mocht niet in deze schuur blijven, ze zou hem een ereplaats  geven in de cottage. Hij had er vast ooit gewoond en men was dit prachtige schilderij vast ooit vergeten. Hoe kon men dit nu vergeten, mijmerde Carmen. Ze streek haar donkerbruine krullende haren uit haar gezicht, om wat spinrag uit heur haar te vegen, het was warm die dag, maar in dat verlaten oude schuurtje leek het killer te worden. Haar gezicht dat lichtelijk bezweet was door de zomerse temperaturen leek nu klam. Carmen toog het schilderij mee naar de cottage en maakte het voorzichtig schoon. Die ogen leken haar continu aan te kijken. Prachtige wonderlijke ogen, hoewel ze nog geen kleur kon waarnemen, veranderde dit nadat ze voorzichtig de ogen bette,  bijna liefkozend, met een vochtig doekje. Langzaamaan kwam het schilderij nog meer tot leven, en zijn ogen waren helderblauw, zo blauw als de hemel buiten, in de zomerse zon.
Prachtige ogen, verlangend keek Carmen ernaar, oh als zij toch eens zo iemand zou ontmoeten, dan wist zij het wel. Maar ach, die kans was voor haar toch niet weggelegd, de liefde van haar ouders, dat kwam niet veel voor in de wereld. Nee, Carmen begon daar niet aan. Maar toch telkens als ze naar het gelaat keek van de jongeman, voelde zij een lichte hoop in haar hart ontstaan.
Het sloeg natuurlijk nergens op, dat wist zij toch ook wel. Maar de gedachte aan liefde in haar leven begon weer meer vorm te krijgen, terwijl zij daar nooit meer zo mee bezig was geweest na haar relatie met Tom. Tom was al jaren geleden getrouwd met Anna en ze hadden kinderen en een huis. Tom was zij allang weer vergeten, maar het dromen begon over de jongeman met het knappe gelaat.
Woelend lag zij in de nacht in bed, ze kon de slaap vaak niet vatten en dan besloot zij weer naar beneden te gaan om wat thee te maken en om weer naar het schilderij te kijken, dat een plekje had gekregen boven de haard.
Hij had vast veel meegemaakt net als zij, fantaseerde zij dan. Zijn ogen waren wonderschoon en toch ook dromerig en ergens zo triest. Zijn mond smal en gevoelig. En als zij dan ging slapen, streelde ze vaak nog even over het gelaat met haar vingers, liefkozend, al begreep zij zelf haar gedrag niet.
Deze jongeman was vanuit een ver verleden tijd en niet in het nu beleven van haar wereldse zijn.
Onaards eerder was een beter woord, want nog nooit zag zij iemand zo schoon van het mannelijke geslacht. Op een nacht toen zij de slaap niet kon vatten hoorde zij hoe er beneden plots een hels kabaal was, en Felix de kat begon te grommen, met zijn staart intens dik, rende hij de trappen af en zij volgde hem. Blazend stond hij daar voor haar, en op de grond lag het schilderij van de jongeman.
Carmen knielde geschokt neer bij het schilderij, als het maar heel was gebleven. Aan de achterzijde zag zij een naam staan, de naam van de jongeman op het schilderij.
Jonathan Blair. 1726

Jonathan, fluisterde Carmen verrukt, nu had hij een naam en zij een naam bij zijn gelaat.
Jonathan! Haar hart zong. Het leek alsof hij zo dichterbij haar hart was gekomen.
De geur van patchoeli steeg op van het oude karton. Voorzichtig zette zij het schilderij neer en ging zij met lichte tred de trap op naar haar slaapkamer. Ze sliep die nacht wonderlijk goed.

In de ochtend zong zij, en maakte zij het ontbijt klaar.
Jonathan! Zijn naam, sprong op uit haar hart en ziel alsof ze verbonden waren, en dat was onmogelijk, dat besefte zij dan ook, heus maar toch. Het was heerlijk dat gevoel.
Ook al was het grote onzin.
Na gedane arbeid besloot Carmen om bloemen te gaan plukken in het woud, ze had ergens lavendel gezien en witte margrietjes. Ze wilde deze plukken om in haar huisje neer te zetten.
Opgewekt ging zij op weg, met een mandje voor de bloemen aan haar arm.
Het woud was verkoelend en stil. Een intense rust ging er vanuit. Carmen hoorde bijen zoemen en de vogels kwinkeleerden dat het een lieve lust was.
Carmen voelde zich wonderlijk rustig en vol liefde voor alles dat leefde.
Ze plukte een mand vol bloemen, lavendel en witte margrietjes. Eekhoorns renden voorbij, konijnen speelden in hoog gras. Een valk schreeuwde zijn klaaglijke kreet in de zomerse lucht.
Carmen besloot even te gaan liggen in het lavendelveld.
Ze viel in een diepe slaap, verkwikkend en rustgevend, onschuldig en niet wetend nog wat er op haar pad lag. Enige hoefgetrappel klonk op en Carmen ontwaakte, door de trillingen van de grond.
De zon verdween in een duistere schaduw die boven haar uittorende, twee jongemannen te paard.
Ze keken neer op de jonge vrouw die daar net ontwaakt was.
Haar rok lag kronkelig rond haar bovenbenen, de veterlaarsjes lagen naast haar, die had zij uitgetrokken. Haar grote verbaasde ogen staarden de twee jongemannen aan. De één had een uniform aan, met gouden knopen op een donkerblauw jack. De ander droeg wat gewonere kleding, maar alsnog van dure snit. Lachend keken ze op haar neer. Zo, zo wat hebben wij hier? zei de één.
Zeg dat wel Marcel, een elf, op ons pad. Een mooie elf, dat mag gezegd worden.
Carmen zag hoe een donkerte in hun ogen kwam, een duister dat zij nog niet kende in de mensheid.
Een macht, een wens tot overheersing van een onschuldig ander wezen.
Ze stegen af en lieten de paarden grazen.
Speels zaten zij zich naast Carmen, en streelden haar schouders en benen. Carmen schreeuwde het uit, ze worstelde, maar zij was niet opgewassen tegen deze twee jongemannen.
Na enige tijd zat zij daar nog, met verwilderde haren, betraande ogen en gescheurde kleding.
Ze stond op en begon te rennen naar haar huisje, het enige dat haar nog veilig toe leek op deze boze wereld. Ze vergat de mand met bloemen, en haar veterlaarsjes.
Ze dacht maar aan één ding. Weg van deze plek des onheils. Deze wonderschone plek was veranderd in een plek uit de hel.
Hoe kon het bestaan dat het schone en het slechte zo dichtbij elkaar lagen?
Carmen kon dit niet begrijpen. Thuis gekomen ging zij zich wassen en omkleden. Ze huilde tot zij niet meer kon. Dus dit was ook een vorm van liefde. Een vorm die zij niet kende. Die zij ook nooit meer wilde kennen zelfs.
Ze zou zich moeten bewapenen, hier alleen in dit woud en misschien een waakhond nemen.
Photobucket

De pijn in haar hart was intens groot, zij vond geen troost bij een mens. Zij was alleen.
De enige troost en houvast vond zij in de aanblik van het schilderij van Jonathan.
Het leek alsof zijn ogen nog melancholieker stonden, alsof hij haar medelijdend aankeek.
De nachten die volgden brachten geen enkele rust meer. Het geluk was verstoord in het huisje in het woud. Carmen vernam in het dorp na enig voorzichtig navragen, dat de twee jongemannen broers waren en de zoons van de rijke  landeigenaar. Ze wist dat zij niets kon doen tegen dit alles.
Carmen zong niet meer, en de tranen stroomden vaak rijkelijk uit haar ogen.
Oh Jonathan, waar ben je, vroeg zij zich af op een avond, toen ze naar bed ging om te slapen.
Ze keek naar buiten in het duister van de nacht, naar het woud, door het kleine raampje, waar de volle maan scheen op schaduwen uit een ver verleden.
Verschrikt keek Carmen naar iets in de tuin. Daar stond iemand. De angst sloeg haar om het hart. Waren het die twee broers weer. De persoon bewoog en kwam dichterbij. Donker lang haar lag op zijn kraag, zijn gelaat was bleek en zijn neus scherp en licht gebogen.
In het donker zag zij bijna haarscherp het gezicht van het schilderij, dat naar haar keek vanuit het duister. Jonathan! Hij was hier, bij haar.
Haar hart sloeg enkele malen over, Jonathan…
Ze rende de trappen af en opende de deur en liep in de nacht naar buiten. Daar bij de den stond hij half in de schaduw. Ze liep op hem af en keek verblijd naar hem. Jonathan! Riep zij uit.
Oh Jonathan! Hij zei niets en keek haar alleen maar aan met zijn wonderlijke ogen, lichtende ogen in het duister zo leek het bijna. Zijn mond gesloten en smal en toch gevoelig. Zijn neus scherp en licht gebogen. Carmen glimlachte naar hem. Je bent gekomen Jonathan, zei ze blij. Het leek alsof zij alles was vergeten dat slecht was in het leven, het leek alsof hij haar tot leven wekte, meer dan ooit.

Hij nam haar hand in zijn ranke vingers en ze voelde koelte en frisheid, maar ook een prikkeling als een fel inslaande bliksem.
Hij bleef haar maar aanstaren en zij raakte in de war, waarom zei hij niets.
Een duizeling overviel haar en ze snakte naar adem. Hoe kon hij hier zijn bij haar, de man van het schilderij van 2 eeuwen geleden.
Deed het ertoe, deed het ertoe in de liefde hoe het was en ging. Nee, dat was wat zij voelde, voor een man op een eeuwenoud schilderij. Ze kwam dichterbij hem en rook de patchoeli vanuit zijn kleding of misschien was het de geur van zijn lichaam. Zijn levende lichaam. Want ze kon hem aanraken en dat deed zij dan ook. Ze streelde zijn wang, en keek in die ogen, de streelde de hoeken van zijn mond, onderzoekend keken ze elkaar aan.
Waarom moest ze dit begrijpen immers. Geen vragen stellen, geen antwoorden, het was niet belangrijk allemaal. Maar dit gevoel was onwerkelijk maar ook intens en vol met geladen passie.
Hij boog zijn hoofd, en zijn lippen namen de hare tot zich. Ze voelde zich thuiskomen.
Een mond zo kil en warm tegelijk, Carmen had het gevoel dat zij verdween van de aardbodem, in zijn kus verzwolgen werd, door iets dat onaards was, maar ook prettig en vol liefde en beloften.
Haar hand gleed in zijn haar, en zijn armen tilden haar op en namen haar mee naar de cottage.
De liefde was zo groots en vol passie, dat Carmen niet meer wist, hoe of waar zij leefde, en of zij nog leefde. Ze had hem lief, zo intens lief. Jonathan staarde naar haar, zijn ogen melancholiek, om zijn mondhoeken een glimlach.  “Kom met mij mee Carmen mijn geliefde, naar mijn wereld, wat en wie heb jij hier”.
Welke wereld hij bedoelde, wilde zij niet vragen. Omdat het er niet toedeed. De liefde was. En waarom zou zij alleen moeten blijven zonder deze liefde.
Dat wilde zij niet. Nee, ze had gekozen. Onvoorwaardelijk.
Ze zou hem volgen waar naartoe dan ook. Hij had haar hart. Ze knikte.

Hij nam haar weer in zijn armen en voor de tweede maal die nacht bedreven zij een onaardse liefde, die uiteen spatte in een intens universum, waarbij mensen en zielen leefden, naast elkaar of met elkaar, vaak zonder het te weten.
Even later vertrokken zij richting het woud, waar een paard stond te wachten. Carmen droeg een cape en een koffertje, en Jonathan tilde haar voor zich op zijn paard. Zo reden zij weg, een toekomst tegemoet of een verleden.
Ze leunde tegen zijn borst en rook de geur van patchoeli , die opsteeg van zijn cape en lichaam. Ze voelde zich thuis bij hem, waar ze dan ook heen zouden gaan.

In de cottage zat een zwarte langharige kater voor het raam te wachten, tot er iemand zou komen die hem zou komen redden.
In de stoel achter hem lag  de jonge vrouw, wit en koud, en intens verlaten door de wereld.

 

©Angel-Wings