Kracht van leven – Kort verhaal

De laatste zonnestralen gaan over de daken en bereiken nog eenmaal mijn venster. Ik kijk nog even verlangend naar de zomer die verdwijnen zal na vandaag.
De winter zal komen. Ik weet het en toch overvalt mij enige melancholie. Konden we de zomer maar vasthouden net als geluk.
Maar het vasthouden is ons mensen vaak niet gegund. Het ontglipt ons meermaals, soms zonder dat we er erg in hebben, leven we als vlinders en dartelen we door de dagen.
En dan in de schaduwen van mijn tuin, is hij daar. Ik weet het, ik voel hem. Een koude windvlaag omhelst mij lichtelijk alsof hij mij omhelst. Je bent er weer fluister ik.
Ja zegt hij fluisterend in mijn oor. Je was lange tijd weg, zeg ik nog aarzelend. Ja, zegt hij. Geen uitleg, niets. Ik heb je gemist, zeg ik. Hij glimlacht en kust mijn wang, een ijskoude kus, die ik voel.
Ik leg mijn hand erop, dank je…zeg ik nog.
Ik kom je een verhaal vertellen, een verhaal, uit mijn wereld.
Ik neem plaats achter mijn computer en open mijn schrijf programma… Word…

~*~

Over de velden hingen mistflarden, als witte dromerige wolkenflarden, uitwaaierend als doorzichtige witte gordijnen. De zon scheen troebel door de witte waas heen.
Het vee op de grasvelden stond beschut bij elkander. De regen had hen de nacht ontnomen. Het werd tijd voor de zon om hen op te drogen.
Maar die dag kwam de zon niet goed door. Alles was doordrongen van het vocht in de wondere wereld, vol schoonheid en druppels aan takken en boomblaad’ren.
De schimmige wereld bracht iets met zich mee, een nieuw geborene vanuit andere werelden.
In het eeuwenoude wiegje afgezet met goudbrokaat en Brussels kant, lag een wonderschoon wezentje.
Met een huidje zo teer als verse witte room, en wangetjes zo roze als de schoonste roos die men ooit had aanschouwt.
De krullende haartjes glanzend schoon, en donker als de inktzwarte nacht, met, als sterretjes in de prachtige grote felblauwe ogen.
Een mondje gevormd als van de schoonste cupido, oortjes geschulpt als het mooiste schelpje aan het strand.
Wimpertjes als een kleine ragfijne deken, lagen op de tere zacht roze wangetjes, en de wenkbrauwtjes leken wel gepenseeld met de scherpst gevormde penseel ooit gemaakt op aarde.
Waar de moeder koningin op het grote bed lag, omringt door verzorgsters, gewassen en verzorgd werd en het vocht gelijk doorschijnende paarlen op haar voorhoofd niet te stelpen was.
Lag het prachtige kind, zo schoon als het zuiverste wezen der aarde te slapen in de wieg, als een onschuldig wezentje, onbekend met het slechte in deze wereld. Niet bekend nog, met het kwaad dat rondom de aardlingen bestond,
nog onwetend dromend over onaardse dingen, vanuit het leven voorheen. De  jonge koningin lag daarentegen zuchtend in het grote fraai bewerkte hemelbed, woelend van de koorts.
Haar lange gouden vlechten dropen druppels grootse tranen vanuit onaardse koortsen die haar fragiele lichaam  tergden.

De koning ijsbeerde urenlang op de marmeren paleisgangen, wrijvend in zijn handen van onmacht en onrusten die zijn geest tergden. Zijn nog jonge vrouw, zou zij het overleven. Zijn drie vorige vrouwen overleefden geen van allen het kraambed. Van hen geen nazaten.
Maar ditmaal, hij hoopte intens, dat hem dat eens voorbij zou gaan. Hij had gehoord van zijn Engelachtige pasgeboren dochter. Maar hij wilde het kind niet eerder zien, voordat hij wist of zijn zeer geliefde vrouw dit alles zou overleven.
Het was een wonder dat hij nog vader was  geworden. Gehoopt had hij het wel, maar dat het gebeurde, was voor hem een groot wonder. Hij was dan ook erg dankbaar. Maar hij hield dan ook erg veel van zijn mooie bevallige vrouw Isabellah.

Het kind werd, door haar vader bewonderd, nadat de moeder Isabellah na 2 weken eindelijk ontwaakte uit haar koortsen. Koning Phillipe de Bordeaux, rende zeer ongewoon voor een koningschap, de trappen op naar het echtelijk slaapvertrek en omhelsde zijn zo geliefde jonge vrouw Isabellah.
Men bracht het mooie kind bij haar vader, die haar liefdevol bewonderde. De prachtige  intens lichtblauwe ogen leken wel doorspikkelt met goud. De koning Phillipe had nog nooit zo een mooi kind aanschouwt, als dit kind, dat de zijne was.
Hij was hemels gelukkig. Maar zijn vrouw Isabellah zag bleek als Italiaans marmer en de donkere wallen onder haar ogen gaven haar ogen een etherisch diepe blik. Ze trok vast nog wel bij dacht Phillipe, ze was erg ziek geweest, maar Isabellah leek weinig aandacht te hebben voor haar mooie baby.
Ze kon het kindje niet voeden, maar dat hoefde ook niet in koninklijke kringen, een voedster nam die zorg over.
Phillipe was de gelukkigste man op aarde, maar zijn jonge vrouw kwijnde weg. Troosteloos lag zij dagen op haar bed, met het liefst gesloten gordijnen.
Praten deed zij nog maar weinig en wanneer men haar baby bij haar bracht, keerde zij zich af van het van moederliefde verstoten huilende kind. Niemand kon haar doen ontwaken uit de nachtmerrie die haar bevangen had tijdens haar kraamkoortsen.
Het prinsesje kreeg de naam Lilabellah. En toen zij drie jaar oud was en haar lieve mooie moeder zich nog niet om het meisje had bekommerd, en de koning ten einde raad was met zijn jonge vrouw, werden er uit allerlei landen tovenaars en artsen ontboden.
Wie de jonge koningin weer geluk kon schenken, zou een vermogen in goudstukken krijgen. Daar hadden velen oren naar, het werd dan ook erg druk op het paleis.
Na drie maanden was het nog niemand gelukt de koningin te doen ontwaken uit haar lethargie. Maar op een dag kwam er een vreemd heerschappij naar het kasteel. Hij was gehuld in zware zwarte mantel die ook zijn hoofd bedekte.
In zijn ene hand droeg hij een zilveren staf, verfraaid met edelstenen. Zijn stem was sereen en rustig, zijn lengte groots en gespierd. Hij was gekomen op een sneeuwwit arabisch paard, met wild geopende neusgaten en lange witte manen die als slierten wier om de hals hingen. Stampvoetend van ongeduld was het dier het  toonbeeld van wilde schoonheid en pracht. Als een Engel des doods mocht deze man de prinses bezoeken. Met zijn imposant grote postuur, kwam hij de kamer binnen. De zilveren staf in zijn hand, en zijn andere hand uitgestrekt naar haar, die niet opkeek.
Alsof een energie haar aanraakte van afstand, haar ziel weer tot leven wekte, voelde zij plots een energie, zo teer en hoogstaand, dat zij opveerde vanuit het bed, met kussens en dekens van zijde en spinsels.
Haar ogen plots vochtig, verlangend, haar mond half geopend.
Sidnasar! Hij was gekomen. Sidnasar…
Haar hart bonsde in haar lichaam, verzwakt maar nog niet stervende. Ook al had zij gedacht, dit alles niet te overleven zonder hem. Ze was hem verloren op de weg des levens.
Sidnasar. Hij was gekomen. Zij wist het, niemand begreep, niemand zou weten. Haar grote geheim.
Zijn geheim. Zijn stem resoneerde tussen de balken, een warm timbre, die haar hart aanraakte met volle diepe slagen.
De geboorte van het kind Lilabellah had haar ziel verkild tot op het bot, ze had al het leven gegeven aan haar kind.
Het leven geschonken door te geven en meer had zij niet dan enkel een zwak brandende kaars in haar koude ziel.
Er ontbrak iets, dat bij haar hoorde en haar kind. Ze kon het niet verklaren, maar het was zoals het was, ze had de kracht niet.
Sidnasar was gekomen, de man uit het bos, de man met zijn gitzwarte haren en blauwe ogen. De man die zij liefhad op het moment dat ze hem ontmoet had.
In de naaldbossen was zij van het pad gedwaald, met haar paard. En uitgekomen bij een rivier hier had zij zich verfrist en haar paard gedronken.
En daar had hij gestaan, Sidnasar, kijkend naar haar, met een strelende blik.
Weerstand had zij niet gehad, haar hart opende als vanzelf. Haar man de koning, al op leeftijd, was haar lief, maar de liefde zoals zij die nu ervoer, was zo diep en intens. Daar kon geen aardse liefde tegenop.

Ze had zich laten meesleuren in hun passie, hun plotse felle liefde. Nooit had zij die ervaren, nooit had zij zich zo gevoeld. Daarna hadden zij nog gezwommen in de rivier, lachend en spelend en hierna waren ze uit elkaar gegaan met een kus.
Nooit had zij hem meer ontmoet en niemand had zij verteld over die dag. Maar het kind, dat vertelde wie de vader was.
Oh ja zij wist het, zij wist wie de vader was.

En nu was hij gekomen, vanuit het feeënrijk, een onbekende wereld voor de mensheid. Hij was hier gekomen voor haar.
Vol blijdschap keek Isabellah op, naar hem die zij zo liefhad en zo gemist had al die jaren. Hij was hier eindelijk.
Ze stak haar bleke handen uit naar hem, ze glimlachte en wilde opstaan maar was te zwak. Maar ze voelde toch weer die levenskracht in haar opstuwen.
Dag moeder koningin, glimlachte hij naar haar.
Ik geloof dat ik wat achtergelaten heb.
Ja glimlachte ze en wilde zeggen, mij!
Maar hij liep naar het raam en keek uit over de grasvelden en bloemperken beneden het paleis.
Hij keek naar Lilabellah, die daar speelde met een kindermeisje.
Isabellah schrok, ze wist dat hij het kind bedoelde.
‘’Je houdt van mij, vroeg Sidnasar; waarom dan niet van ons kind?
Ze kwijnt weg mijn liefste zonder liefde van haar moeder kan zij niet, zonder de liefde van haar vader ook niet’’.
‘’Maar ik wil met jou mee’’, riep Isabellah vertwijfeld uit. Om zijn mooie gelaat kwam een harde trek. ‘’Dat gaat niet, je bent een aardling. Alleen feeën kunnen in mijn land wonen, ik ben een feeën prins.
Lilabellah is een halfbloed fee. Ik zal haar mee moeten nemen naar mijn wereld. Ik zag hoe je haar verstoten hebt’’.
Isabellah’s mooie ogen vulden zich met tranen, “Nee,neem haar niet met je mee. Laat me niet alleen hier achter”. Onverschillig keek hij naar de jonge vrouw die nog op het bed zat.
‘’Je was hard voor ons kind. Wat verwacht je van mij? En jij zult niet overleven in mijn land, dat is te etherisch voor jouw ziel.
Het kan niet, maar ons kind zal daar alles krijgen wat je wenst voor je kind’’. Isabellah stond wankelend op van het bed en snikte het uit.
‘’Nee niet mijn kind, niet mijn kind’’!!! ‘’Ik heb geen keus mijn liefste, ons kind is nu al drie jaar oud.
Ik kan niet langer wachten tot jij jezelf weer hervindt’, zei Sidnasar. ‘’Maar nu jij er bent kan ik alles weer aan, en…ik kan niet zonder jou’’! riep Isabellah uit.

‘’Onze dochter kon niet zonder jou’’, zei Sidnasar geërgerd. Het leek alsof het hart van Isabellah uiteen spatte van verdriet, zonder hem en hun kind, dan was alles voorbij, dan was alles over.
Onverbiddelijk stond hij daar voor haar, de man die zij zo liefhad, wat niemand nog wist of weten kon.
Snikkend viel Isabellah voor hem neer op de grond en ze smeekte hem, om het kind bij haar te laten, ze maakte beloften, mooie beloften, haar ogen waren droevig en doordringend. Ze sneden door zijn ziel.
En hij zei: “Ik geef je nog één kans, maar als je die niet nakomt dan haal ik het kind en neem haar met mij mee”. Isabellah beloofde het kind lief te hebben zoals ze hem liefhad.
Sidnasar vertrok en liet Isabellah achter. Het ging een tijdje goed, Isabellah leek opgeknapt te zijn en wat meer levenslust te hebben en haar prachtige kind gaf zij ook aandacht en liefde.
Maar zoals altijd als de mens beloftes doet, verloor zij haar levenslust wederom. De koning wist niet meer hoe hij het had.

Wat was er toch aan de hand met zijn bevallige koningin. Weer kwijnde zij weg in het grote hemelbed.
Ze kon niet zonder de liefde van de vader van haar kind. En zo vergat zij weer alle beloftes en haar kind. En de dag kwam dat Sidnasar zijn kind kwam halen.
De dag kwam sneller dan haar lief was, maar ook vertrok hij in stilte en sneller dan haar lief was.
Haar hart was gebroken, niemand wist waar de kleine prinses gebleven was, het kind was ontvoerd, meegenomen misschien wel door een boze wolf.
Isabellah wist waar het kind was. Maar de weg naar het feeënrijk was geen aardse. Niemand zou haar dochter terug kunnen vinden.
Ook al zouden zij dit graag willen. Isabellah’s hart was gebroken en ze kwam bijna nooit  meer uit haar bed. De koning kon haar niet meer redden, maar ook zichzelf niet, ook zijn hart was gebroken, want zijn mooie dochtertje was verdwenen uit zijn leven.
Het hele land was doorzocht, van heinde en ver, maar niemand kon het kind terugvinden.
Isabellah vertelde niemand wat haar overkomen was, ook niet over Sidnasar. Ze durfde het niet en was te laf.
Langzaamaan teerde zij weg, van een mooie vrouw, was zij nog maar een mager scharminkel met doffe haren en uitgezakte lijnen in haar gezicht.
De koning keerde zich af van haar, en zij van hem. Er was geen liefde meer in dat aardse koninkrijk.
Op een dag jaren nadien, zat de koningin aan een water, nog wat te genieten van een nazomer. Het meer was mistig, en de lucht was heiig. De laatste tijd liep zij vaker wat rondom het paleis, toch nog wat genieten van het leven dat zich voor haar reste.
Vanuit het bos kwamen twee mensen aangereden op paarden, ze droegen capes.
Een prachtige jonge vrouw gezeten op een sneeuwwit arabisch paard, nam haar kap af en keek haar moeder aan. Zwart golvende lange lokken ontsprongen haar kap.
‘’Mama, riep ze uit, ik ben het Lilabellah”. Ze sprong van haar paard en omhelste haar moeder.
De man naast haar was Sidnasar. Hij glimlachte naar Isabellah, ‘Ze is teruggekomen”. Ze zal haar erfenis overnemen hier en jij…mag nu met mij mee…”.
Isabellah omhelsde haar dochter, haar geluk was compleet nu zij daar zo samen stonden, haar hart genas ter plekke. Ze wist het en voelde het.
En toch zou ze moeten kiezen nu. Voor hem of haar dochter.
Maar die keus was er niet, zei Sidnasar onverbiddelijk. Lilabellah reed even later op haar paard door de poort van het kasteel, en haar ‘vader’ was dolgelukkig dat ‘zijn’ dochter weergekeerd was.
Haar moeder werd niet meer gezien, maar daar was de koning niet eens zo rouwig om.
Hij had zijn kind terug en zij was zijn erfgename.
Isabellah woonde nog een jaar in het feeënrijk toen haar hart het begaf, die wereld was voor haar te etherisch, te hoog qua trillingen. Maar de liefde had zij toch een jaar mogen meemaken.
Als een soort beloning. Sidnasar ving haar op, toen zij viel.
Feeën worden erg oud, zij zou niet zijn laatste vrouw zijn. Maar wel zijn laatste aardse vrouw. Hij had zijn les wel geleerd inmiddels. Isabellah’s ziel voer mee op de wind, naar verre oorden in het hiernamaals en ooit zouden ze elkaar wederzien. Dat wist hij, want hij was een fee.

Lilabellah trouwde met een knappe halfbloed feeën prins, waar ook niemand van wist dat hij een halfbloed fee was.
Sidnasar glimlachte om al die dwaze aardse vrouwen. Liefde was niet eenvoudig. Liefde was een gegeven, die je niet zomaar mocht doen vergaan zonder voeding.
Een kind had liefde nodig, hoe eenzaam het hart ook voelde, hoe droef de ziel ook werd.
Voor een kind was het beste nog niet goed genoeg. Zo ging dat in feeënland. En zo behoorden mensenkinderen dat ook te krijgen. Ook al zij halfbloed feeën waren.
Zeker dan. Isabellah had hem boven hun kind gesteld en zo hoorde dat niet te gaan.
Ze had sterker moeten zijn, krachtiger maar ze had zich laten gaan.
Toen de koning stierf, werd Lilabellah koningin van een aards land, in een aards paleis.
En zij leefde nog lang en gelukkig.
Sidnasar moest leven met de wetenschap dat zijn geliefde aardse vrouw niet lang bij hem had mogen zijn.
Ook hij leefde nog erg lang…

 

Hij streelt door mijn haar. Dag, ik ga.
Nu al?Vraag ik. Kom je snel weer terug?

Ik heb geen idee, zegt hij, het is druk in feeënland.

 

@Angel-Wings.nl

 

Gerelateerde Berichten