In een groot dierenbos woonden eens vele dieren.

Heel erg veel.

En hoe meer dieren, hoe drukker het werd natuurlijk.

Natuurlijk wenste ”men” een hiërarchie in het bos. De één was wat slimmer dan een ander, een ander had een beter hol, en sommigen hadden en een prachtig hol en ook nog eens vlak bij de beek.

Wat wilde je als dier nu nog meer?

Ze hielden vergaderingen, en overlegden wie er de baas mocht spelen, over de andere dieren.

Dit waren de dieren dichtbij de beek die dit bedacht hadden. Ze vonden dat zij het slimste waren en daarom mochten zij de baas spelen over de anderen.

De rest van de dieren in het grote dierenbos was veel te druk met overleven en hun holletjes voorzien van voedsel voor de winter.

Dus ze maakten zich niet zo druk om die poeha dieren dichtbij de beek.

Ze hadden wel wat beters te doen. En aangezien er nauwelijks een hol vrijkwam bij de beek, mochten ze ook nooit meedoen met de vergaderingen die de dieren daar hielden.

Maar de dag kwam dat mevrouw Vos eiste dat de dieren in het bos zouden luisteren naar hun, de elitedieren in het grote dierenbos.

”NU is het genoeg geweest”, sliste ze valselijk. ”Wij zijn hier nu de baas”!

Ze stond op een omgevallen boomstronk dichtbij de dieren vallei.

Vele dieren keken verbaast achterom naar boven en zagen mevrouw Vos iets eisen, maar ze lachten er om. Mevrouw Vos spoot uit haar rode velletje en sprong woedend op de nietsvermoedende dieren af. ‘’Wij zijn hier de besten, jullie zijn niets waard’’!

Meneer wasbeer glimlachte eens en riep: “Oh ja, omdat jullie toevallig bij de beek wonen mogen jullie een grote mond hebben?”. ‘’Wat een onzin’’, riep mevrouw kraai uit.

Ze vloog snel in een boomtop.
Je wist het maar nooit met die valse vossen, en meneer vos was er niet bij vandaag, vast op jacht bij de kippetjes in de ren van boer Harmsen. Mevrouw Vos stond plots met haar poten wijd voor meneer wasbeer.
Grommend liet ze haar blinkende witte vlijmscherpe tandjes zien.
“Als je niet luistert, zul je eens iets beleven, wasbeer”.  Ze greep hem naar zijn achterpoot, met haar flitsende tanden beet ze hem eventjes zacht.
“En dit kan nog veel harder”, riep ze hem toe.
Meneer wasbeer was helemaal van slag, zijn poot deed enorm veel pijn. Er kwam zelfs wat bloed uit, ze had dus doorgebeten…
De rest van die dieren was stil. Ieder stond gespannen in afwachting stil.
Muisstil was het plots in het bos.
Meneer de Uil klapwiekte gewichtig met zijn vleugels. *kuch*, Ahummm…
“Beste dieren en buitendieren, wij zijn hier bij één om jullie mede te delen, dat wij nu de baas zijn in dit prachtige dierenbos. Wij eisen gehoorzaamheid en zo niet, *ahum* dan zal familie Vos jullie te grazen nemen, zo simpel is het nu eenmaal”.

De dieren mompelden voorzichtig onderling, wat er toch aan de hand was plotseling.
Waarom dachten zij dat zij de baas waren over hen?
Alleen omdat ze bij de beek woonden, wat een onzin?
Omdat ze de beste holen hadden? Dit kon toch niet waar zijn? Het was puur toeval dat zij daar bij de beek een hol hadden gevonden of gemaakt. Dit maakte hen toch niets beter dan anderen?

Niemand was het eens met de dieren bij de beek, de elite soort, die zichzelf hiervoor had uitgeroepen.

Maar de gevaarlijk blinkende tanden van mevrouw de vos, zeiden genoeg. Hadden ze nog iets te willen? Niets blijkbaar.
Met veel gemopper trokken de dieren weer verder, en gingen weer aan het werk.

Maar zo simpel was het blijkbaar dus niet. De beekdieren eisten nogal wat van de dieren uit het bos.
Nml voedsel, en opruimen van de omgeving, ze heften zelfs belasting op het drinkwater uit de beek.
Bij de beek zonnen koste bv een kippenei of een mals kevertje.
Dan mochten de dieren zich even baden in het warme zonlicht bij de beek.
De elite dieren zorgden er voor dat er grenzen werden gemaakt in het bos, niemand mocht er nog uit.
Vele beren hadden de wacht bij de rand van het bos, ze noemden zichzelf de politieberen.

Vogels trokken wel weg uit het bos, als het lukte tenminste, want meneer Adelaar, pakte hen zo snel hij kon, als iemand melding deed van een wegvliegende vogel. Dan vloog hij trots terug met een slappe vogel in zijn klauwen die hij op at in zijn grote nest op de berg.

De holen gravende dieren maakten lange gangen onder de grond en gingen er snel van door… op zoek naar vrijheid en een ander bos.

De elitedieren hadden een erg fijn leven, eten in overvloed, en de andere dieren moesten dit voedsel voor hen zoeken en afleveren.

Vele dieren leden honger en werden ziek.
Maar dat kon de elite dieren niets schelen!
Als zij het maar goed hadden immers?
Hadden die dieren maar bij de beek moeten gaan wonen, dan pas was je echt elite. En anders maar een arme sloeber, die enkel als slaaf diende voor de elite dieren.

Niemand was nog gelukkig afgezien van de elite dieren.
Hoe vreemd was dit in een bos waar overvloed was, en weelde en zonlicht bij de beek.
Terwijl men eeuwen samen leefde in vrede, was het nu een grote ellende.
De één had veel meer dan een ander, hoe oneerlijk dit toch was.

Meneer en mevrouw Vos hadden een heel fijn leventje, nu ze nooit meer uit stelen hoefden, dat werd voor hen gedaan, elke dag kip of fazant. Zalig toch?
Ze waren bijna de koning en koningin in het bos, ze hadden het maar ver geschopt zo.

De dieren brachten nooit iets uit vreugde bij hen, enkel uit angst, en die angst hielden ze er goed in uiteraard.
Als je niet naar ons luistert dan… ja, dan zou er veel gebeuren.
Het maakte hen niet zoveel uit, of ze nu een das op aten of een kip.
De dieren waren doodsbang voor de elite dieren in het bos, de dieren bij de beek.
Veel dieren hadden dorst en honger, maar niemand deed iets aan de terreur van de elite dieren.
Het was toch absurd dat een beek dieren zomaar het recht gaf zich beter te voelen dan andere dieren?
Ze waren toch allemaal dieren?
Op een dag kwam er een enorme storm over het bos.
Bomen waaiden om, takken braken af en wonder boven wonder, stroomde de beek over.
Alle holen dichtbij de beek liepen onder water.
Niets vermoedend verdronken de elite dieren in hun hol.
De volgende dag waren alle dieren bevrijd van hun ellendige elite dieren.
Ze groeven de holen dicht bij de beek, niemand mocht daar ooit nog wonen.
Alle dieren waren weer gewoon dieren en ze zochten hun eten zelf, en werkten voor zichzelf.
Er was niemand die nog de baas was over een ander dier, of zich beter voelde dan die andere dieren.
Want zeg nu zelf, dieren zijn dieren immers?

 

Het zijn geen mensen zoals wij, die dit wel doen en nog steeds doen.

Maar de vraag waarom, daarop is er nog geen antwoord.

©AngelWings