photo 29b3911628cd766fca938bb1cabc87a1_large.jpg

De golven kabbelen langs de goudgele randen van het zonovergoten strand.

Op een wit badlaken ligt het silhouet van een jonge vrouw.

Naast haar ligt een nog open geslagen boek, haar hand hangt slap over haar  ene heup, zij is in  slaap gekust door, de zomerse geluiden om haar heen.

Niemand kijkt nog op of om, niemand  ziet deze vrouw  slapen.

De zon bruint haar dromende lichaam met een gouden tint.

Gelukkig verbrand zij niet, haar huid kan er immers tegen.

De zwarte lange haren liggen gekruld om haar heen, als was zij Doornroosje, al eeuwig in slaap.

Haar lange oogwimpers trillen soms op haar zachte roze, door de zon gekuste wangen.

Als het strand verlaten ligt, en bijna iedereen al naar huis is.

Ligt zij daar nog in onwetendheid, en onbewust van de eenzaamheid die haar toedekt op het strand.

De schaduwen trekken banen over haar heen, als werd zij toegedekt met een warme schaduwdeken.

Aan de horizon, voor vandaag, nog een laatste groet van  de zon.

Waterdruppels vallen prikkelend op haar lichaam en met een schok schrikt zij uit een lange,  diepe slaap.

Versuft kijkt zij om zich heen en ziet dat bijna iedereen is weggegaan.

Voor haar ontwaard zij een jonge Godheid, een prachtig lichaam, brons gebruind, lange blonde vochtige haren en een prachtige stralende glimlach,

die haar doet smelten. Even denkt zij nog, dat zij droomt. Ze gaat zitten en wrijft zich over haar armen.

De mooie man voor haar, die net uit het water kwam, kijkt haar vragend aan.

“Heb je zo lang liggen slapen, schoonheid?” vraagt hij.

“Ik denk het wel”, fluistert ze nog wat vermoeid. Hij gaat naast haar zitten op het gouden strand.
 photo trashthedress.gif
Ze kijkt naar zijn profiel, ademloos bijna, haar hart gaat tekeer. Kwam het door de warmte die dag of, nee zij was plots diep geraakt door een wildvreemde man.
Plots keek hij haar aan, met wonderlijk lichtblauwe ogen. ’Wat is je naam eigenlijk?’  vraagt hij haar vriendelijk.
‘Robin’ zegt ze enigszins aarzelend. Hij lachte en keek weer voor zich.
Hij stak zijn hand naar haar uit, opzij van zijn gespierde torso.
Ze pakte zijn hand, vragend.
Weer keek hij haar,  in haar grijze ogen, en glimlachend zegt hij, ’aangenaam naamgenootje’.

‘Nee’, zegt ze verschrikt, ’heet je ook Robin’? Ze lacht. Zijn hand voelde zo goed in de hare, krachtig en mannelijk. Robin kijkt naar haar voeten,  ziet de inmiddels afbladderende roze nagellak op haar tenen. Een beetje beschaamd is ze wel, ze had dit thuis moeten bijwerken voor ze naar het strand was gegaan, maar, ze had er niet aan gedacht sinds, nu ja sinds…
Ze keek opzij, langs de kustlijn, waar in de verte iemand liep met twee grote honden, de kleine figuur in de verte gooide stokken in het water, welke de honden er uit visten. Ze kon niet zien of het een man of een vrouw was.
Ze knipperde met haar ogen, de tranen zaten haar weer hoog.
Verward keek ze weer naar hem, ook een Robin, wat apart. Beiden dezelfde naam, en wat was hij vreselijk knap. Glimlachend keek hij hoe zij hem in zich op nam. ‘En bevalt het”? Vroeg hij. ‘Wat’? vroeg ze verdwaasd. ‘Ik natuurlijk, mij, ikke’, hij spreid zijn armen wijd uit en wijst naar zijn lichaam. ‘Dit, wie ik ben’.
‘Eh ja natuurlijk’, bloost ze. Met één snelle plotse beweging, gaat zijn ene hand naar haar lange haren en duwt ze opzij, langs haar oor. Zo vertrouwd, zo bekend. Doordringend kijkt hij haar aan. ‘Je redt het wel, echt, alles komt weer goed’. Prachtige blauwe ogen, denkt ze, maar ze stamelt,  ’Wat én hoe, weet je, en…’ met grote ogen, ziet ze hem aan, terwijl hij langzaam oplost, als in een mist.  Robin raakt in paniek, het voelt nog aan alsof zijn hand in de hare ligt, warm, vertrouwd. Maar hij is weg!
Wie was hij en wat, en hoe kon dit gebeuren?
Verward wrijft Robin over haar voorhoofd, ze is gek geworden, vast en zeker. Snel bindt ze haar spullen bijeen, het boek in de rugtas, de handdoek snel om haar heupen gebonden. Ze wil weg van hier, de eenzaamheid omsluit haar niet langer als een warme deken. De angst overvalt haar, in een waandenkbeeld die haar overviel, na die diepe slaap op het strand.
Snel trekt ze haar hemdje aan, omgekeerd, maar dat hindert niet, ze moet weg. Nu, en snel ook.  Ze rent over het strand, alleen in de avondschemering.
Totaal verward, fietst ze naar huis. Haar appartement, alleen.
Hij is er niet meer, vorige maand is hij vertrokken, Menno had een ander gevonden. Wilde niet meer verder met haar, terwijl ze al sinds kinderjaren samen waren geweest. Ze kon het niet verkroppen en was intens gekwetst geweest door wat hij haar had aangedaan. Ze was niet alleen haar partner kwijt, maar ook nog eens een vriend. Haar beste vriend ooit. Vandaag was zij dan toch naar het strand gegaan, alleen.  Ze wilde er uit komen, en hem vergeten, maar dat lukte haar niet. De tranen stroomden haar weer over haar gezicht. Verwoed veegde zij ze weg. Door het raam zag zij het donker buiten, en zag zij in het raam oog haar eenzaamheid. En nu, nu was ze ook nog gek geworden, van verdriet. Ze viel huilend neer op het tweepersoonsbed.

Hun bed, ze zou het weg doen, want samen hadden zij hier enkele jaren geslapen. Misschien moest ze gaan verhuizen?

En de knappe man op het strand wie was hij?
Was hij haar droombeeld van hoe een man zou moeten zijn.
Ze wist het niet. En viel even later weer in een diepe slaap.

 

~*~

 photo lovers_at_the_beach.jpg
Een jaar later, liep Robin over het strand, op zoek naar een geschikte plek om te gaan zonnen. De zon scheen zijn goudgele stralen, over het strand. Het was erg druk. Glimlachend zag ze een plekje, een eindje verder op.
Ze struikelde ineens over iets. ‘Auw’, riep iemand uit.
Verschrikt keek Robin achterom.
Ze was gestruikeld over een jongeman, die daar lag te zonnen.
‘Het spijt me’, zei ze stamelend. Ze raakten aan de praat.
Ze ging naast hem zitten, en gezellig keuvelend over van alles, ging de tijd snel voorbij. Hij was aardig en niet bijster knap, maar dat gaf niets.
Ze vertelde hem over haar verhuizing naar een andere stad.
Over Menno, en hoe moeilijk ze het had gehad het afgelopen jaar.
Terwijl ze daar zo zat, uitkijkend over de mensenmassa, viel er een schaduw over haar heen,  prikkelende waterdruppels vielen op haar huid.
Ze keek achterom in de ogen van hem.
Hij was het! De man van toen. Ze wist het zeker. Lachend keek hij haar aan, verbaast ook ergens. ‘Ken ik je ergens van?’, vroeg hij aan haar.
‘Hahahaha oude versier truuk jongen’, lachte zijn vriend.
‘Nee, ehm, ja’, grijnsde hij naar haar, Robin, naar haar…
Ze kon het niet geloven, dat hij het was, die zij gezien had op het strand, wat had hij ook alweer gezegd? Dat alles goed zou komen?
Ja, dat had hij toen gezegd. En het was goed gekomen, en nu was hij hier.
Hij ging naast haar zitten, Goddelijk knap, net als toen.
Robin keek hem aan,’ dag Robin’. Hij lachte zijn spierwitte tanden bloot.
‘Dus dat had je al verteld’, zei hij tegen zijn vriend die achter hen zat.

Verbaast schudde deze van ‘Nee’. Maar Robin de knappe godheid zag dit al niet eens meer.
Hij pakte haar hand, warm in de zijne. Het voelde zo vertrouwd, net als toen.

 

©AngelWings