De vreemdeling

Photobucket
De regen druppelde gestaag langs de dakgoten van de oude grachtenpanden.

In de onderaardse putten klonk het vriendelijke wegsluizen

van het overtollige regenwater dat zijn weg vond richting riolering.

Er liep een man gebogen langs de Amsterdamse grachten, zijn donkerbruine ogen keken om zich heen en…Vond in alles een soort van niet eerder ervaren schoonheid. Denkende aan de brandende zon in zijn vaderland, die dagenlang op je hoofd scheen te branden, gelijk een aureool, die aangestoken scheen door de duivel. De droge lucht die je longen schroeide en je huid zo taai liet worden als leer.

De altijd en eeuwige stof die overal vindbaar was, al was het in je kledingkast. Hij liep peinzend door de straten. In een lange donkere regenjas, van goede snit, haastig gekocht in een chique Amsterdamse herenzaak. Een paraplu moet hij nog kopen, maar hij kende het Nederlandse woord hiervoor

niet en hij mocht nu eenmaal niet teveel opvallen. Als hij een hoek om loopt, ziet hij een koffieshop, ·met een ijzeren uithangbord, ·dat kletterend de steeds harder neerkomende regendruppels

opvangt. Hij duikt de koffieshop in, gaat zitten, ·besteld een kop koffie en steekt daarna een sigaar aan. De rookwolkjes kringelen om zijn hoofd, alsof hij in een mistis gezet.

Peinzend bedenkt hij zich dat het zo ook moet zijn, onherkenbaar, voor iedereen.

”Onvoorstelbaar dat dit zou kunnen gebeuren, hij die zoveel invloed had…”

Aan de overkant van zijn tafeltje zit een oudere dame die hem vriendelijk toelacht.

Op haar gerimpelde wang zit een veeg lippenstift in een knalroze kleur. Ergens ongepast voor haar leeftijd en haar grijze haren zijn ineengebonden in een slordige knoet.

Haar handen raken afwezig de tafelrand aan, en keer op keer veegt ze er gedachteloos langs…

Hij observeert haar ongezien en vind haar best een aantrekkelijke vrouw, ze moet

ooit eens mooi geweest zijn. Plots zwaait de deur weer open en

komt er een groepje jonge meiden binnen, lawaaierig en schreeuwerig bloot.

Een meisje heeft een piercing in haar navel en vol afgrijzen ziet hij dit alles aan, ·hij is niet gewend aan deze cultuur en het is best een schok om ineens in deze wereld te verkeren.

Hij besteld even later nog een kop koffie en leest de krant die hij gekocht had

bij de kiosk die allerlei buitenlandse kranten verkocht. Vol weerzin leest hij de laatste berichten vanuit zijn land. De sigaar die werkeloos in de asbak ligt, valt op het tafelkleedje en net op tijd haalt hij de brandende rokerij van het al bijna smeulende tafelkleed. Geschrokken kijkt hij om zich heen en vangt een blik op van de dame aan de overkant. Ze glimlacht hem nogmaals toe.

En bekijkt hem doordringend. Hij wendt snel zijn blik af.

Na een tijdje als de regen is opgehouden en de koffieshop nagenoeg leeg is, staat hij op en trekt zijn regenjas weer aan. Het water druipt van de jas af. Hij betaald bij de kassa en wil vertrekken.

Bij het tafeltje van de oude dame, pakt ze hem plots beet aan zijn jas. Hij schrikt en…

‘U bent toch…’?Haar grijze ogen staren hem aan en in die ogen ziet hij de spinnewielen van de iris, zo dichtbij is zij, zij die hem kan verraden…‘U bent..toch‘?

Stamelt ze verbaast, “U…”?! Hij rukt zich los uit haar greep, het zweet breekt hem uit en loopt, nee rent snel de koffieshop uit en ze roept hem nog na… ”Meneer”?

”Meneerrrrr”???!!!U bent toch Sadam Hoessein?!