De Oude man

De Oude man

De Oude man
Photobucket

In een Amsterdam, op een bovenverdieping, lag een ouderwets woonkamertje, verscholen in vergetelheid, zoals de klok tikte, de tijd en de seconden van het leven ver weg, van de dagelijkse werkelijkheid. Het stof dwarrelde door het kamertje heen en de oude man in zijn stoel voor het raam, lag met zijn mond wagenwijd open te slapen. De zon scheen nog net in het kamertje

waardoor het leek of er een ouderwets waas over het geheel kwam. Alsof het hier ging om een vergeelde krant. die men had uitgestald om zijn bloemen te beschermen voor het raam

de man rochelde wat in zijn slaap en zijn bril zakte voorover over de punt van zijn neus

bijna gleed hij eraf. Het hoofd schokte wat. En de man gleed met zijn hoofd opzij

een luide snurk makend en een schokbeweging met zijn schouders. In zijn dromen maakte hij zijn leven weer mee en allerlei kwam in beelden voorbij,

beelden onsamenhangend, in het geheel.

Hij vroeg zich niet meer af hoe laat het was, het was al laat nml. De zon was onder, toen hij ontwaakte uit zijn slaap en in het donker keek. De stilte ontroerde hem opeens, alsof hij daar veilig in zijn eigen wereldje zat en niemand dat nog kon raken behalve hijzelf. Hij stond op en schurkte langs de tafel en liep tegen de leunstoel aan, die nog van zijn overleden vrouw was geweest, zijn Hannah. Hij zuchtte weemoedig toen hij aan haar dacht en dat deed hij nu al jaren zo.

In het kleine keukentje kookte hij een eitje en een bordje pap wat snel klaar was met wat gekookte melk van het fornuis. De melk kookte zoals gewoonlijk over en er lag een rand van aangekoekte en overgekookte melk rondom de gaspitten. Het was er smerig, maar toch was er sfeer in het kleine appartement. De oude man veegde de keukentafel schoon van de uitgedroogde broodkruimels van die morgen en zette zich neer aan het kleine tafeltje met het geblokte plastic zeil. Zuchtend at hij zijn kleine en sobere maaltijd. Bij het raam stond een kleine kandelaar, zevenarmig, en in de vensterbank stond een foto van zijn vader, vergeeld oud en verfrommelt in het lijstje, ernaast een omgevallen lijstje. Hij zag het niet meer. Hij zuchtte nogmaals en keek naar buiten de nacht in, en zijn geest vloog naar lang vervlogen tijden, zoals elke dag tikte de klok. De tijd weg. De uren. De minuten. De seconden. De dagen. De jaren. En hij? Hij was allang niet meer onder ons, zijn geest was ver weg in een ver verleden. En elke dag als de thuishulp kwam om hem te wassen en om zijn huisje met de Franse slag aan kant te maken dan sprak hij honderd uit, over zijn Hannah en zijn zoon

die in Amerika woonde, die nooit meer thuiskwam, zijn zoon, zijn alles, wat hij nog had.

Dat was zijn leven geweest…En de dag kwam, dat in dat kleine kamertje een man in zijn stoel in sliep om nooit meer wakker te worden. In zijn stoel lag hij daar. In alle stille stilte.

En de zoon die later in dat kleine kamertje rondliep. Om afscheid te nemen, proefde de sfeer van rust en ouderdom en wiste de tranen uit zijn ogen, voor zijn oude vader die niet meer was. Enigszins spijtig met wroeging, dat hij zijn vader al die jaren alleen had achtergelaten, doch hiervoor was het immers nu al veels te laat. Hij nam daarna de kandelaar uit de vensterbank en pakte het omgevallen lijstje van zijn moeder Hannah van de vensterbank en vertrok uit het rustige paradijs. Het kleine kamertje in Amsterdam. Het domein van de oude man.

Over de Schrijfster

Gerelateerde Berichten