Home Mysterie

Mysterie

Op de grote stille heide

Verhaal11112 by AngelWingsdesign

De vlinders dwarrelden speels door de lucht, de zon scheen ondanks het late middaguur onbarmhartig over de paarse heide.
De gele zandvlakten kleurden gelijk een woestijn okergeel, met af en toe grijpende armen van droge oude takkenbomen, als een sombere schaduw in de zomerse pracht. Een herdershond sprong wild blaffend rond een heuvel in het zand. Mark kwam aanlopen en riep zijn hond, maar toen de baas in het zicht kwam begon de hond te graven in een heuvel.
Mark kwam dichterbij en keek toe hoe zijn hond wild gravend in het zand, iets opgroef blijkbaar. Mark zijn hart stond even stil, het was toch geen lijk ofzo. Dat was ergens zijn grootste nachtmerrie, dat hij zoiets ooit tegen zou komen ergens in de bossen of dat hij dat in een water zag liggen.

“Kom Max! Kom hier”! Maar Max luisterde niet, verwoed groef de hond verder. Voorzichtig liep Mark naar de heuvel van geel zand, waarbij langzaamaan een figuur zichtbaar werd. Oh god toch een lijk, dacht Mark geschrokken. Het duizelde hem even.
Mark keek om zich heen of er meer mensen liepen, maar de heide was verlaten en stil en erg eenzaam… Hij ervoer die eenzaamheid nu als zeer drukkend, terwijl hij dit nooit eerder zo had ervaren. Vanonder het zand kwam inmiddels een arm tevoorschijn, levenloos naar het scheen, de hond groef maar door. Mark keek toe, roerloos als bevroren in een intense angst, die hem plots overviel.
Oh god, toch een mens, was hier ten einde gekomen, wat was er gebeurd en waarom moest hij dit meemaken. Mark voelde hoe zijn maag omhoog kwam en zich een weg baande naar zijn mond, hij keerde zich af van wat hij voor zich zag en gooide zijn maag leeg.
Mark strompelde naar een dichtbij staande boom en hield zich staande, door te leunen tegen de stam.
Max blafte plotseling heftig en harder, Mark keek om en zag hoe de hond inmiddels een resterend deel van een mens uit het zand had gegraven. Prachtige zwarte lange haren lagen daar verspreid over het okerkleurige zand. Een wit en stil gelaat met gesloten ogen lag daar voor hem, als een stilstaand schilderij.
Een momentopname, een seconde, een voorbijgaand iets, Mark hoopte dat dit snel voorbij zou gaan. Wat moest hij nu doen, de politie bellen, natuurlijk.
Hij wilde zijn mobiel pakken uit zijn broekzak, tot hij de hand zag bewegen. Wederom overviel een duizeling hem.
Hij strompelde naar het lichaam toe en zag hoe de vrouw langzaamaan bijkwam. Haar lange oogwimpers trilden, en haar mond was vol maar bleek, ze opende haar mond en kreunde.
Mark knielde neer naast de jonge vrouw. Hij raakte in paniek, bij haar slaap zat veel geronnen bloed. Wat moest hij doen.
Hij nam haar hand in de zijne en wreef erover. De hand was klam en kil. Heey, éh… hallo,.. alles goed? Hij vond zijn vragen idioot, maar zijn keel voelde kurkdroog aan. De jonge vrouw opende haar ogen en keek wazig om haar heen. Ze focuste zich op Mark. Ze fluisterde iets, Mark boog naar voren en hoorde dat ze vroeg om water. Mark had altijd een flacon water bij zich onderweg, zeker als het warm was. Hij nam deze uit zijn rugtas en zette de fles aan haar bleke lippen. Grote donkere ogen branden in zijn ziel, ze bekeek hem aandachtig. Nog nooit had hij zulke ogen gezien, donker als git, een huid zo wit als sneeuw bijna, en zijdeachtige lange zwarte haren die als een sluier over haar lichaam viel. Dankbaar keek ze hem aan, en duwde zijn hand weg. Genoeg, zei ze fluisterend, ze ging wat overeind zitten en hij ondersteunde haar. Ze woog niets, ze was klein en slank. Mark veegde de flacon af en dronk zelf ook wat water. “Ben je gewond?” vroeg Mark. Ze schudde haar hoofd van Ja.
Waar ben je gewond, zal ik de ambulance bellen en de politie?
Ze schudde weer Ja. Mark bekeek de wond aan haar slaap. Het bloed was opgedroogd inmiddels, het zag er erger uit dan het was waarschijnlijk maar dan toch…

Hoe kom je hier en hoe heet je, vroeg Mark behulpzaam. Ze schraapte haar keel en vertelde, haar naam was Raphaela Stern. Ze was meegenomen door de soldaten, vertelde ze haperend. Mark keek haar aan en dacht, ‘die is de weg kwijt’. De soldaten hadden haar op haar hoofd geslagen, ze voelde aan haar hoofdwond, daar, zei ze ten overvloede. Ze vertelde over de oorlog en dat haar familie naar het concentratiekamp was vervoerd en dat zij toevallig die dag niet thuis was geweest. Toen ze weer thuis kwam trof ze een leeg huis aan, waar alles overhoop getrokken was. De tranen stonden in haar grote donkere ogen. Mark voelde een hoofdpijn opkomen. ‘Hoe ben je dan hier terecht gekomen Raphaela’, vroeg hij. Ze had over straat gelopen in het donker, en soldaten kwamen haar tegen en hadden haar meegenomen naar de heide. Ze slaakte een kreet van ontzetting en sloeg haar hand voor haar mond. En toen, hebben ze dat erge gedaan. Ik heb gevochten, snikte ze nog.
Mark had intens medelijden met haar. Hij dacht er het zijne over. Ze was in de war natuurlijk.
Mark pakte zijn mobieltje en belde met het alarmnummer. Raphaela vroeg aan Mark, wat dat was in zijn hand. Mijn mobieltje, zei Mark glimlachend. “Wat is dat?”, vroeg ze verbaast. Mijn telefoon.
Vol verbazing keek ze naar het ding in zijn hand. Het was erger nog dan Mark had gedacht, de klap op haar hoofd had misschien iets beschadigt.
De politie komt zo en de ambulance, zij zullen je meenemen naar het ziekenhuis, zei Mark geruststellend. Raphaela keek hem aan alsof ze hem niet goed kon zien. Ze hebben mij hier doodgeschoten op de heide, zei ze nog.
Mark schrok van de felheid in haar stem, het intense verdriet dat erin doorklonk.
De zon was heet, en de schaduwen werden langer. Kom, zei Mark, hij trok Raphaela tegen zich aan.
Zo kon ze tegen hem aanleunen. Hij streelde het lange zachte haar. Op haar bleke wangen lagen tranen die langzaamaan naar beneden drupten. Het duizelde Mark alweer. De druppels veranderden in bloed, haar borst was nat van het bloed. Mark wreef over zijn ogen, hij zag dingen die er niet waren. Toen hij weer keek zag hij nergens bloed. Mark was plots intens moe.
Max stond een eind verderop naar hen te kijken. Het was zwoel en warm, het zou vast niet lang duren of de ambulance zou komen en de politie, ze zouden het van hem overnemen immers. Mark werd slaperiger en langzaamaan vielen zijn oogleden toe. Hij werd wakker van zwaailichten en stemmen.
Lang had hij niet geslapen. Hij keek naar het meisje in zijn armen en vol afschuw, duwde hij het van zich af. In zijn armen lag een geraamte. Bevend lag Mark op het zand, en keek vol afschuw naar dat wat voor hem lag. Waar was zij Raphaela? Een politieagent kwam op hem toelopen en keek hem bevreemd aan. ‘’Wat is er hier aan de hand’’. Ik heb geen idee meneer, mompelde Mark.
Haar naam was Raphaela Stern. In het zand lag een gele ster, oud en smoezelig.
Max blafte een keer hard in de verte, als riep hij zijn baasje dat het tijd was om te gaan.
De politie liet Mark na enkele weken weten dat er op de heide inderdaad ooit een aantal mensen waren omgebracht in de oorlog. En dat Rapaela Stern nooit gevonden was, niemand had nog taal of teken van haar vernomen, ook geen familieleden die de oorlog hadden overleefd. Zij waren dan ook blij dat ze Raphaela Stern eindelijk haar laatste rustplaats konden geven. Mark was uitgenodigd om dit bij te wonen. Dit deed hij dan ook en hij vertelde van zijn bijzondere ervaring op de heide.
Alsof zij hem geroepen had, in die stilte, waar weinig mensen kwamen. En dat Max zijn hond haar had gevonden. De tranen sprongen Mark in zijn ogen toen ze hem enkele oude foto’s lieten zien van Raphaela. ‘Ja, jazeker, dat was zij’, stotterde hij. Op die bijeenkomst en eredienst ontmoette Mark een familielid van Raphaela. Eva een verre nicht, die veel op haar leek. Jaren later trouwden zij.
Mark had een bijzondere ervaring op de heide, dat misschien geen toeval was. Maar sindsdien wandelde hij nooit meer over de heide. Zelfs niet met zijn geliefde Eva.

©Angel-Wings

 

 

De Heilige

 window butterfly GIF

In de sobere kamer lag een oude man op het bed, om zijn lichaam windsel van wit doek, zijn ogen sloeg hij nog eenmaal op, om hierna zijn laatste adem uit te blazen.
De Heilige man was heengegaan.

Zijn ziel steeg op naar de hemelse hemelen, door een donkere tunnel met aan het uiteinde stralend licht, verwelkomde zijn uitgeputte ziel.
Een ziel die zijn diensten op aarde wel had bewezen inmiddels door goedheid en wijsheid te betonen aan mens, dier en plant.

De heilige was een volmaakte ziel geworden na alle reïncarnaties op aarde, dit was zijn laatste leven, hij wist het nu weer, plots kon hij zich alle levens weer herinneren.
Hij was weer alleswetend zoals altijd wanneer zijn ziel uit het lichaam vertrok naar de andere zijde.

Ditmaal was alles anders dan voorheen, dit was waar hij naartoe gewerkt had eeuwen lang.
Het punt was bereikt, hij was bijna God geworden.
De mensen op aarde hadden hem aanbeden om zijn pure ziel, om zijn Heilige weten, wijsheid en zijn goedheid. Hij was de Heilige geweest op aarde.
Hij had veel boeken geschreven op aarde aan wijsheden en had hiermee vele zielen de weg gewezen op hun aardse pad.
Hij was voltooid als ziel, hij was af.
En eindelijk zou gebeuren waar hij naartoe gestreefd had.

Toen hij aankwam in het Hemelrijk, zag hij vele bekende zielen, van eeuwen geleden zelfs die hem kwamen begroeten met een liefdevolle hartelijkheid.
Met een warmte die de mens op aarde niet tentoon kon spreiden, omdat de atmosfeer in de hemel zo teer en subtiel was, kon een ziel gemakkelijker zichzelf openen voor anderen.
En zonder de stress en de zwaarte van de aarde was alles hier zo licht en vrolijk. De Heilige omhelsde al die geliefde zielen, het waren er zoveel. Maar hij had ook al zoveel levens op aarde geleefd, inmiddels kende hij er ook enorm veel.
Iedereen lachte en was enorm blij dat hij eindelijk gekomen was, en eindelijk klaar was voor het nieuwe dat hem te wachten stond.
Het was er zo prachtig, de kleuren zo intens, de gebouwen van een gouden glans, de planten en bloemen geurden heerlijk, en waren van een hemelse schoonheid.
De Heilige mocht een tijdje bijkomen van het leven dat hij op aarde achter zich had gelaten.
Eeuwen geleden moest hij dan in gesprek met zijn geleidegeesten om zijn levens te evalueren maar ditmaal was dat alles onnodig.
Hij was namelijk volmaakt geworden.
Hij had tijden gehad waarin hij geleidegeest was geweest voor geliefden op aarde, hij was tijden engel geweest in de hemel en het laatste leven, zijn laatste opdracht, had hij zichzelf gekozen, zonder behulp van enig hemels wezen mocht hij deze zelf bepalen.
Nu was de tijd aangebroken, hij had het behaald nml.

Het moment kwam waarop hij geroepen werd.
Er klonken 7 bazuinen, bij elke bazuin die klonk voelde de Heilige dat zijn chakra’s openbraken in een gouden energie, prachtige stralen kwamen er uit zijn zielenlichaam.

Op zijn schouder drukte een hand, de hand van God.
De Heilige draaide zich om en kon eindelijk God aanschouwen, het was een zo intens liefdevolle energiematerie, die in feite niemand kon ervaren, behalve als de ziel volmaakt was geworden.
Dan kwam dit intense gevoel die je ziel doordrong.
Alle pijn en leed in alle aardse levens, doordrong en alles wegnam, alle zonden, alle pijnen, al het verdriet, alle nare herinneringen.
Het was het grootste kosmische orgasme dat een ziel kon ervaren.
Alsof men in een keer alle keren seksuele ervaringen op aarde in een keer doorstond.
De Heilige sidderde, en kronkelde en viel neer aan de voeten van God,
God keek hem aan vol liefde, alleen maar liefde want spreken deed hij niet.
Zijn ogen waren zo vol liefde, zo diepvorsend tot in het puntje van de ziel van de Heilige, en de Heilige snikte het uit van geluk.
Nog nooit had hij zoveel liefde ervaren, na geen enkele aardse dood, in geen enkele liefdesrelatie, of verbinding met een aards mens had hij zoiets gevoeld…maar dit maal…
Het was te heftig, de Heilige keek God aan en knikte, het was goed zo.
Dit was het einde van zijn zielszijnsbestaan, hij wist het, hij zou plaats gaan maken.
Bijzonder plaats.

De liefde explodeerde in de ziel van de Heilige, en brak de ziel in tweeën.
De Ziel stierf maar was gelijk geboorte van twee nieuwe zielen.
Een tweelingziel. Zo gaat dat in de hemelse sferen namelijk.
Andersom dan op aarde.
De tweelingzielen hoorden bij elkaar omdat zij uit een volmaakte ziel geboren werden.
Ze gingen nieuwe levens leven, en waren altijd op zoek naar elkaar, omdat de een nooit zonder de ander kon bestaan.
Altijd zou er connectie zijn tussen deze twee zielen, en intense liefde, voelbaar op afstand, als de een verdriet had zou de ander dat ook ervaren, als de een gelukkig was, was de ander dat ook.

De Heilige ziel was gesplitst in 2, en een glimlach gloeide door de
2 lingzielen.
Twee mooie jongen zielen aan het begin van hun eeuwige reis.
De ene keer als man en vrouw en dan weer andersom. Zodat ze zouden leren wat elke energie inhield.
Man en vrouw, liefdevol, en als ze elkaar zouden ontmoeten zouden ze weten, wie ze waren, dan zouden ze elkaar altijd herkennen.
De twee nieuwe zielen werden voorgeleid en er werd gekozen welke geleidegidsen hen zouden bijstaan, er werden plannen gemaakt voor hun nieuwe levens, opdat zij veel zouden leren.
En ook ooit na vele eeuwen, opnieuw zouden splitsen in 2 delen.
Als de geboorte van een kind, was dit de geboorte van de zielen in de hemel.

En God glimlachte, het was goed zo.

Geschreven door AngelWings

In het duister van de geestelijke werelden

In het duister van de geestelijke werelden

In het duister van de geestelijke werelden, wonen zielen die de overgang naar het Goddelijke paradijs nog niet gemaakt hebben.

Zij zijn de dwalenden op aarde. Diegenen die ons bezielen bij het schrijven van verhalen bv. Diegenen die ons iets influisteren.

Soms heb je er ook goeden bij, de goede dolenden die nog geen afscheid konden nemen van de aarde. Vanavond, zei hij fluisterend tegen mij, dan kom ik je een verhaal vertellen.

Ik heb gewacht, naast mij een glaasje wijn, en de kaarsen branden alvast.

Ik wacht, op hem die komen zal. Ik hoor de deur dichtklappen in de gang, en een koude windvlaag om mijn benen heen. Hij is er! Ben je er weer? Vraag ik. Ja ik ben er, gekomen om jou een verhaal te vertellen.

Toch geen eng verhaal? huiver ik. Hij streelt mij langs mijn wang, een lichte streling maar, kort maar voelbaar.

Misschien wel, misschien niet, zegt hij zacht.

Ik wacht wel af, mompel ik.

~*~

De wind waait, donkere wolken kolkend door de nachtelijke hemel, de regen kletterde op de daken neer, daken die glanzen in de maneschijn gelijk gladde vissen.

Ratten duiken weg in het riool, piepend achter elkaar aanrennend. Op een hoek van de Parrélwijk staat een groot oud herenhuis. De luiken klapperen op en neer in de wind.

Het huis staat al jaren leeg, niemand die daar nog wil wonen, het is nml. een spookhuis.

Iedereen liep er met een grote boog omheen. Iedereen wist dat er s’avonds vreemde dingen gebeurden. Men zag er vaak een vrouwenfiguur staan, voor het raam op de bovenste verdieping. En dan scheen er een vaag licht. Niemand ging er naartoe. Maar deze avond, dankzij een weddenschap,werd het huis bezocht door drie jongemannen.

Ben, Menno en Eric, jongens in de leeftijd van 17 en 18 jaar oud, gingen door de oude voordeur, die kraakte en half in de sponning hing. De lichten van de zaklantaarns toverden spookachtige schaduwen in de hal van het grote herenhuis. Ben struikelde bij binnenkomst al over een oude stoel die daar al jaren omgevallen op de grond lag. Zijn zaklamp viel op de grond en het licht ging uit. Verdomd, vloekte hij. Stond weer op en bukte graaiend op de oude vloer zoekend naar zijn zaklamp, Menno scheen hem bij. Hij greep de lamp en probeerde deze weer aan te klikken maar dit mislukte, hij was kapot.

Kom laten we naar boven gaan, riep Eric die al bij de oude trap stond. Is dat wel veilig? vroeg Menno. Geen idee, lachte Eric en hij liep de trap al op, richting bovenverdieping. Spookachtig toverde de zaklamp op de muren vage figuren, die heen en weer gingen. Zo is er geen kunst aan, lachte Eric, het is met deze lampen hier al spookachtig genoeg. En pas op hier, riep Eric, één tree is hier kapot. Hij wees met zijn ene voet naar een tree, lichtte bij met zijn zaklamp en liep voorzichtig verder naar boven. De anderen volgden hem. De wind waaide om het huis, alles kraakte, en door de kapotte ruiten scheen af en toe de maan tussen de wolken door.

Muizen renden weg in hoeken, misschien ook wel ratten, Ben rilde. Hij vond het enger dan hij wilde toegeven, maar zei niets.

Boven gekomen stak Eric een sigaret aan, en met dat kleine brandende puntje in het donker, leek hij het onheil aan te trekken, want beneden sloeg er een luik met een harde klap dicht.

Ben sidderde, en wreef over zijn armen. Whahahaha, het begint al, zei Eric, met een lach in zijn stem, hij geloofde nooit in deze flauwekul. Kom zeg, geesten bestonden nml niet.

Menno glimlachte wat witjes, ook hij was geschrokken nml. Ze stonden daar op de bovenverdieping en keken wat rond in de donkere kamers waar al jaren niemand was geweest.

Veel stond er niet meer in, maar er wapperden wel kapotte gordijnen spookachtig voor de kapotte ramen, wapperend in de wind die nacht…heen en weer. We moeten nog hoger jongens zei Eric. Hij nam het voortouw want de weddenschap was dat zij eenmaal boven met de zaklamp zouden seinen naar beneden in de tuin van het herenhuis, waar hun andere vrienden en enkele vriendinnen stonden te wachten. Missie mislukt, was, als zij eerder het huis verlieten en ze niet de bovenverdieping haalden, waar de spookvrouw altijd gezien werd, en in die kamer moesten zij zijn.

Ben veegde het zweet van zijn voorhoofd, het voelde zo kil in dit huis, en op zich logisch met al die kapotte ramen en deuren maar, dit was een andere kou, dan kou die door openstaande ramen en deuren naar binnen kwam. En het rook er zo vreemd naar een oude vage bloemengeur. Terwijl zij de oude trap naar de zolder volgden, kreeg Ben het te kwaad, hij meende iemand achter zich te voelen. De adrenaline spoot door zijn lichaam heen, en als verlamd bleef hij daar staan op de trap. Ik durf niet meer verder jongens, kreet hij zacht uit. Ik kan niet meer!

Eric lachte hard: Heey schijtlijster! Van jou had ik dit niet verwacht jongen! Wacht maar tot we beneden zijn, Hahaha, hij lachte weer zo hard en de lach echode door het huis.

E..e..errr stond iemandddd achterrr mij, stotterde Ben. Hij was lijkwit. Menno scheen met zijn zaklamp achter Ben, en hij glimlachte, ik zie niks hoor…

Maar net dat hij dat zei, ziet hij een schim onderaan de trap staan, en het zweet breekt ook hem ter plekke uit. Eh Eric? Klappertandde Menno, euh er is daar echt iets hoor?

Menno kijkt naar hen en mompelt weer iets, als schijtlijsters, en, gaan jullie maar terug, ik ga wel alleen! Ben en Menno kijken naar beneden, en durven bijna niet meer die trap af te gaan.

Als Menno weer naar beneden schijnt, rijzen hun haren hen te berge, want ze schijnen in de ogen van een vrouwelijk schimachtig wezen, niet zomaar ogen, nee felle vlammende donkere ogen, die griezelig naar hen kijkt, met een blik, die het bloed doet stollen in de aderen.

Aargh Eric we gaan hier weg! En stommelend rennen beiden schreeuwend de trappen af langs het schimmige wezen dat daar staat. Op het moment dat ze langs het wezen gaan, krijgt Menno een flinke duw en hij komt struikelend ten val, Oh moederrrrrrrrrrrrrr, roept hij uit, bijna jankend van angst krabbelt hij op en rent de andere trap af, waarbij hij vergeet dat de ene tree kapot is, hij komt knel te zitten met een voet, en valt de halve trap af naar beneden. Hij schreeuwt het uit van de pijn.

Eric die boven is,lacht het uit, heel hard klinkt zijn lach, spookachtig door het grote herenhuis. Helemaal alleen,is hij nu, daar boven met dat schimmige wezen. En hij beseft het niet. Menno ligt jankend van de pijn onderaan de trap, en Ben tilt hem snel omhoog, Menno zijn enkel lijkt wel gebroken te zijn. Jankend strompelen ze samen het huis uit. Snel het gazon over, het verwilderde, onverzorgde gazon. In het donker van de stormachtige nacht, rennen ze zo goed als het kan, terug naar hun vrienden die daar in het donker staan te wachten. Eric blijft in het oude huis, en loopt naar boven, de deur van de kamer waar de geest zich zou bevinden staat open. Hij loopt voorzichtig over de krakende planken, en schijnt met zijn zaklantaarn over de vloer, hij glimlacht, zie je wel niets te zien aan spoken en dergelijke. Voor het raam schijnt hij enkele malen naar buiten, daar waar hij zijn vrienden weet. “Heey, ik ben er hoor, schijterds”!!! schreeuwt hij naar buiten. Lachend draait hij zich om, terwijl de glimlach om zijn mond besterft, kijkt hij in het gezicht van een ijzingwekkend wezen die hem aanstaart met haat in de ogen. Spierwit is het gezicht, zwart het lange haar, dat om haar lichaam heen lijkt te krullen.

Haar slanke lichaam, blauwig oplichtend in zijn zaklantaarn. Eric spert zijn ogen wijd open en slaakt een gil, zo hard, zo ijzingwekkend angstaanjagend… Hij valt in zwijm.

De vrienden staan buiten en horen zijn gil, in paniek ditmaal, want Ben en Menno hebben verteld wat zij wel zagen en Eric niet. Nu staan ze daar als aan de grond genageld. Wat moeten we nu doen, ik ga daar voor geen goud meer naar binnen roept Menno uit. We moeten de politie bellen, roept Ayla, en pakt haar mobieltje al uit haar tas. Nee, nee wacht! Wacht, roept Stella, kijk, en ze zien hoe er een lamp flikkerend door het huis gaat, verdieping na verdieping, langzaam naar beneden. Wat is dat? Is dat Eric zelf? vraagt Stella ongelovig, ze rent naar de deur van het oude huis, en de anderen komen ook met haar mee.

Eric!!! ERIC!?? Schreeuwen ze. Voor de deur ligt Eric op de grond, lijkbleek, met zijn mond nog open als in een schreeuw die hij slaakte.

Langzaam komt Eric weer bij zijn positieven. Vergeten zal hij deze avond nooit meer. Hij de stoere Eric, zal nooit meer de oude zijn na dit gebeuren. Spot nooit met geesten. En nooit, maar dan ook nooit weer, bezoeken zij nog dit huis. Nooit meer.

~*~

Hm glimlach ik, dit verhaal had beter gekund of niet?

De geest glimlacht en fluistert in mijn oor dat, dat nog wel gaat komen. Maar nu, nu moet hij weg.

Verleden Geliefde

Door het gebladerte van de bomen, trilden zonnestralen twinkelend gelijk sterretjes over het zandpad dat met een lichte bocht toegang gaf tot een kleine cottage.
Een schattig klein wit huisje in het bos.
Carmen was meteen verliefd op het huisje, hier wilde ze gaan wonen. Ze dronk de schoonheid in van het wonder dat voor haar lag.
Het lag uiteraard half in de schaduw, dankzij het woud aan de voorzijde van het pad,  maar aan de achterzijde scheen de zon en daar bloeiden de bloemen uitbundig. Een oude vergeten waterput maakte het geheel af. Carmen zou dit huis gaan kopen en dan misschien eindelijk rust vinden in haar leven. Na het overlijden van haar ouders, had ze haar erfenis gekregen, die zij goed wilde besteden. Het verdriet was nog lang niet gesleten, zo snel ging dat allemaal niet, ook al vonden veel mensen dat het nu maar eens gedaan moest zijn. Hoe konden zij begrijpen hoe diep hun band was geweest. Haar innig geliefde ouders die haar altijd op handen droegen, hun enige dochter en enige kind. Het gezin bestond uit louter liefde voor elkaar en dit moest zij missen.

Het enige levende, dat Carmen nog mee kon nemen van haar ouderlijk huis was de langharige zwarte oude kater Felix. Het huis van haar ouders kon zij niet onderhouden en afbetalen. Nu kon zij dit heerlijke huisje wat opknappen en hier prettig leven, het was groot genoeg. Carmen vond de afzondering wel prima, zo zonder mensen om haar heen. Ze hield niet zo van mensen. Ze stelden je alleen maar teleur. Afgezien van haar ouders, had Carmen niet veel leuke en lieve mensen ontmoet.
Het merendeel was hard en altijd afkeurend, alsof er een kou  afstraalde van al die mensen in deze wereld en zij was te zacht om daarmee om te kunnen gaan zelfs.
Nee, Carmen vond dit huisje prima voor haarzelf alleen.

De dag  kwam dat de verhuiswagen kwam en Carmen richting het prachtige huisje ging. De zon scheen wederom uitbundig, en daar verscholen tussen de bomen lag haar prachtige witte cottage.
De werkmannen zeulden de meubelen in het huisje en tilden de zwaarste meubels naar hun plek.
Een van de werkmannen merkte op dat het wel erg eenzaam zou zijn hier, voor een jongevrouw alleen. Carmen glimlachte, ‘oh dat vind ik totaal niet erg meneer’. Hij schudde zijn hoofd, dronk zijn mok koffie leeg en ging weer aan de slag. Ondertussen hing Carmen gordijntjes voor de kleine raampjes en keek naar buiten in haar achtertuin die prachtige bloeide, waar vogels floten en vlinders wild door elkaar buitelden. Felix kreeg zeker een belletje aan zijn halsband, vond zij, want anders zou hij op de vogels gaan jagen en vogels vond zij juist zo prachtig. Ze wilde zelfs kippen gaan nemen en wie weet wel een geitje, dat zou leuk zijn een grote witte met een lange sik.
Toen de werkmannen vertrokken ging Carmen even uitrusten op haar bordeauxrode sofa. Zo dit was het dan, het paradijs eindelijk gevonden en eindelijk rust.
Heerlijk! Felix kwam schommelend aanlopen en vroeg om aandacht. Ze kroelde hem door zijn lange vacht, en hij begon te spinnen.

Carmen was een week bezig om alles een beetje te ordenen naar haar zin. De dagen leken te kort om alles voor elkaar te krijgen, maar het lukte uiteindelijk dan toch.
Carmen voelde zich eindelijk weer eens gelukkig, écht gelukkig.
Ze plantte een grote witte roos in haar tuin, de roos uit de tuin van haar voorouderlijk huis.
Ze gaf deze flink wat water en voeding, anders zouden de wortels zich misschien niet verankeren in de aarde bij de cottage en de roos wilde zij niet graag verliezen.
Na deze week ging ze op onderzoek uit, op de zolder van de cottage waar veel spinnenwebben zich bevonden en wat oude kapotte meubels, stoffige versleten Perzische tapijten en zelfs nog enorm versleten kanten gordijnen dat voor het keukenraam pasten.
Ze zou ze gaan verstellen, dat vond ze wel chique ergens. Het leek alsof de gordijnen bij de cottage behoorden. In de tuin vond ze een oud hondenhok met een ketting zelfs, en achterin een verscholen oude schuur met de scharnieren loshangend en knerpend bij het openen.
Een zware kruidige geur kwam Carmen tegemoet,  ze moest even wennen aan het schemer in het bouwval voor ze iets kon waarnemen.
Enkele oude verschoten planken aan de zijkant, waarvan enkele los hingen, wat oud gereedschap, een kinderschoentje zelfs, en achterin een hoek, een schilderij.
Carmen tilde het schilderij op om het te bekijken. Het was een bleek gelaat van een jongeman, hij keek melancholiek uit zijn lichte ogen, wat dromerig misschien. Zijn mond was smal en wat streng, zijn neus was wat scherp en licht gebogen. Zijn haar was zwart als de nacht en glad naar achteren gekamd, waarbij het  haar zijn kraag bedekte van een donkere cape met gouden knopen.
De kruidige geur zweefde haar weer tegemoet, als in Patchoeli, zwaar en overladen.
Tastbaar en dichtbij. Carmen huiverde even, het leek alsof een kille hand zich om haar ontblote schouder legde. Het was een zeer knap gelaat, deze jongeman mocht niet in deze schuur blijven, ze zou hem een ereplaats  geven in de cottage. Hij had er vast ooit gewoond en men was dit prachtige schilderij vast ooit vergeten. Hoe kon men dit nu vergeten, mijmerde Carmen. Ze streek haar donkerbruine krullende haren uit haar gezicht, om wat spinrag uit heur haar te vegen, het was warm die dag, maar in dat verlaten oude schuurtje leek het killer te worden. Haar gezicht dat lichtelijk bezweet was door de zomerse temperaturen leek nu klam. Carmen toog het schilderij mee naar de cottage en maakte het voorzichtig schoon. Die ogen leken haar continu aan te kijken. Prachtige wonderlijke ogen, hoewel ze nog geen kleur kon waarnemen, veranderde dit nadat ze voorzichtig de ogen bette,  bijna liefkozend, met een vochtig doekje. Langzaamaan kwam het schilderij nog meer tot leven, en zijn ogen waren helderblauw, zo blauw als de hemel buiten, in de zomerse zon.
Prachtige ogen, verlangend keek Carmen ernaar, oh als zij toch eens zo iemand zou ontmoeten, dan wist zij het wel. Maar ach, die kans was voor haar toch niet weggelegd, de liefde van haar ouders, dat kwam niet veel voor in de wereld. Nee, Carmen begon daar niet aan. Maar toch telkens als ze naar het gelaat keek van de jongeman, voelde zij een lichte hoop in haar hart ontstaan.
Het sloeg natuurlijk nergens op, dat wist zij toch ook wel. Maar de gedachte aan liefde in haar leven begon weer meer vorm te krijgen, terwijl zij daar nooit meer zo mee bezig was geweest na haar relatie met Tom. Tom was al jaren geleden getrouwd met Anna en ze hadden kinderen en een huis. Tom was zij allang weer vergeten, maar het dromen begon over de jongeman met het knappe gelaat.
Woelend lag zij in de nacht in bed, ze kon de slaap vaak niet vatten en dan besloot zij weer naar beneden te gaan om wat thee te maken en om weer naar het schilderij te kijken, dat een plekje had gekregen boven de haard.
Hij had vast veel meegemaakt net als zij, fantaseerde zij dan. Zijn ogen waren wonderschoon en toch ook dromerig en ergens zo triest. Zijn mond smal en gevoelig. En als zij dan ging slapen, streelde ze vaak nog even over het gelaat met haar vingers, liefkozend, al begreep zij zelf haar gedrag niet.
Deze jongeman was vanuit een ver verleden tijd en niet in het nu beleven van haar wereldse zijn.
Onaards eerder was een beter woord, want nog nooit zag zij iemand zo schoon van het mannelijke geslacht. Op een nacht toen zij de slaap niet kon vatten hoorde zij hoe er beneden plots een hels kabaal was, en Felix de kat begon te grommen, met zijn staart intens dik, rende hij de trappen af en zij volgde hem. Blazend stond hij daar voor haar, en op de grond lag het schilderij van de jongeman.
Carmen knielde geschokt neer bij het schilderij, als het maar heel was gebleven. Aan de achterzijde zag zij een naam staan, de naam van de jongeman op het schilderij.
Jonathan Blair. 1726

Jonathan, fluisterde Carmen verrukt, nu had hij een naam en zij een naam bij zijn gelaat.
Jonathan! Haar hart zong. Het leek alsof hij zo dichterbij haar hart was gekomen.
De geur van patchoeli steeg op van het oude karton. Voorzichtig zette zij het schilderij neer en ging zij met lichte tred de trap op naar haar slaapkamer. Ze sliep die nacht wonderlijk goed.

In de ochtend zong zij, en maakte zij het ontbijt klaar.
Jonathan! Zijn naam, sprong op uit haar hart en ziel alsof ze verbonden waren, en dat was onmogelijk, dat besefte zij dan ook, heus maar toch. Het was heerlijk dat gevoel.
Ook al was het grote onzin.
Na gedane arbeid besloot Carmen om bloemen te gaan plukken in het woud, ze had ergens lavendel gezien en witte margrietjes. Ze wilde deze plukken om in haar huisje neer te zetten.
Opgewekt ging zij op weg, met een mandje voor de bloemen aan haar arm.
Het woud was verkoelend en stil. Een intense rust ging er vanuit. Carmen hoorde bijen zoemen en de vogels kwinkeleerden dat het een lieve lust was.
Carmen voelde zich wonderlijk rustig en vol liefde voor alles dat leefde.
Ze plukte een mand vol bloemen, lavendel en witte margrietjes. Eekhoorns renden voorbij, konijnen speelden in hoog gras. Een valk schreeuwde zijn klaaglijke kreet in de zomerse lucht.
Carmen besloot even te gaan liggen in het lavendelveld.
Ze viel in een diepe slaap, verkwikkend en rustgevend, onschuldig en niet wetend nog wat er op haar pad lag. Enige hoefgetrappel klonk op en Carmen ontwaakte, door de trillingen van de grond.
De zon verdween in een duistere schaduw die boven haar uittorende, twee jongemannen te paard.
Ze keken neer op de jonge vrouw die daar net ontwaakt was.
Haar rok lag kronkelig rond haar bovenbenen, de veterlaarsjes lagen naast haar, die had zij uitgetrokken. Haar grote verbaasde ogen staarden de twee jongemannen aan. De één had een uniform aan, met gouden knopen op een donkerblauw jack. De ander droeg wat gewonere kleding, maar alsnog van dure snit. Lachend keken ze op haar neer. Zo, zo wat hebben wij hier? zei de één.
Zeg dat wel Marcel, een elf, op ons pad. Een mooie elf, dat mag gezegd worden.
Carmen zag hoe een donkerte in hun ogen kwam, een duister dat zij nog niet kende in de mensheid.
Een macht, een wens tot overheersing van een onschuldig ander wezen.
Ze stegen af en lieten de paarden grazen.
Speels zaten zij zich naast Carmen, en streelden haar schouders en benen. Carmen schreeuwde het uit, ze worstelde, maar zij was niet opgewassen tegen deze twee jongemannen.
Na enige tijd zat zij daar nog, met verwilderde haren, betraande ogen en gescheurde kleding.
Ze stond op en begon te rennen naar haar huisje, het enige dat haar nog veilig toe leek op deze boze wereld. Ze vergat de mand met bloemen, en haar veterlaarsjes.
Ze dacht maar aan één ding. Weg van deze plek des onheils. Deze wonderschone plek was veranderd in een plek uit de hel.
Hoe kon het bestaan dat het schone en het slechte zo dichtbij elkaar lagen?
Carmen kon dit niet begrijpen. Thuis gekomen ging zij zich wassen en omkleden. Ze huilde tot zij niet meer kon. Dus dit was ook een vorm van liefde. Een vorm die zij niet kende. Die zij ook nooit meer wilde kennen zelfs.
Ze zou zich moeten bewapenen, hier alleen in dit woud en misschien een waakhond nemen.
Photobucket

De pijn in haar hart was intens groot, zij vond geen troost bij een mens. Zij was alleen.
De enige troost en houvast vond zij in de aanblik van het schilderij van Jonathan.
Het leek alsof zijn ogen nog melancholieker stonden, alsof hij haar medelijdend aankeek.
De nachten die volgden brachten geen enkele rust meer. Het geluk was verstoord in het huisje in het woud. Carmen vernam in het dorp na enig voorzichtig navragen, dat de twee jongemannen broers waren en de zoons van de rijke  landeigenaar. Ze wist dat zij niets kon doen tegen dit alles.
Carmen zong niet meer, en de tranen stroomden vaak rijkelijk uit haar ogen.
Oh Jonathan, waar ben je, vroeg zij zich af op een avond, toen ze naar bed ging om te slapen.
Ze keek naar buiten in het duister van de nacht, naar het woud, door het kleine raampje, waar de volle maan scheen op schaduwen uit een ver verleden.
Verschrikt keek Carmen naar iets in de tuin. Daar stond iemand. De angst sloeg haar om het hart. Waren het die twee broers weer. De persoon bewoog en kwam dichterbij. Donker lang haar lag op zijn kraag, zijn gelaat was bleek en zijn neus scherp en licht gebogen.
In het donker zag zij bijna haarscherp het gezicht van het schilderij, dat naar haar keek vanuit het duister. Jonathan! Hij was hier, bij haar.
Haar hart sloeg enkele malen over, Jonathan…
Ze rende de trappen af en opende de deur en liep in de nacht naar buiten. Daar bij de den stond hij half in de schaduw. Ze liep op hem af en keek verblijd naar hem. Jonathan! Riep zij uit.
Oh Jonathan! Hij zei niets en keek haar alleen maar aan met zijn wonderlijke ogen, lichtende ogen in het duister zo leek het bijna. Zijn mond gesloten en smal en toch gevoelig. Zijn neus scherp en licht gebogen. Carmen glimlachte naar hem. Je bent gekomen Jonathan, zei ze blij. Het leek alsof zij alles was vergeten dat slecht was in het leven, het leek alsof hij haar tot leven wekte, meer dan ooit.

Hij nam haar hand in zijn ranke vingers en ze voelde koelte en frisheid, maar ook een prikkeling als een fel inslaande bliksem.
Hij bleef haar maar aanstaren en zij raakte in de war, waarom zei hij niets.
Een duizeling overviel haar en ze snakte naar adem. Hoe kon hij hier zijn bij haar, de man van het schilderij van 2 eeuwen geleden.
Deed het ertoe, deed het ertoe in de liefde hoe het was en ging. Nee, dat was wat zij voelde, voor een man op een eeuwenoud schilderij. Ze kwam dichterbij hem en rook de patchoeli vanuit zijn kleding of misschien was het de geur van zijn lichaam. Zijn levende lichaam. Want ze kon hem aanraken en dat deed zij dan ook. Ze streelde zijn wang, en keek in die ogen, de streelde de hoeken van zijn mond, onderzoekend keken ze elkaar aan.
Waarom moest ze dit begrijpen immers. Geen vragen stellen, geen antwoorden, het was niet belangrijk allemaal. Maar dit gevoel was onwerkelijk maar ook intens en vol met geladen passie.
Hij boog zijn hoofd, en zijn lippen namen de hare tot zich. Ze voelde zich thuiskomen.
Een mond zo kil en warm tegelijk, Carmen had het gevoel dat zij verdween van de aardbodem, in zijn kus verzwolgen werd, door iets dat onaards was, maar ook prettig en vol liefde en beloften.
Haar hand gleed in zijn haar, en zijn armen tilden haar op en namen haar mee naar de cottage.
De liefde was zo groots en vol passie, dat Carmen niet meer wist, hoe of waar zij leefde, en of zij nog leefde. Ze had hem lief, zo intens lief. Jonathan staarde naar haar, zijn ogen melancholiek, om zijn mondhoeken een glimlach.  “Kom met mij mee Carmen mijn geliefde, naar mijn wereld, wat en wie heb jij hier”.
Welke wereld hij bedoelde, wilde zij niet vragen. Omdat het er niet toedeed. De liefde was. En waarom zou zij alleen moeten blijven zonder deze liefde.
Dat wilde zij niet. Nee, ze had gekozen. Onvoorwaardelijk.
Ze zou hem volgen waar naartoe dan ook. Hij had haar hart. Ze knikte.

Hij nam haar weer in zijn armen en voor de tweede maal die nacht bedreven zij een onaardse liefde, die uiteen spatte in een intens universum, waarbij mensen en zielen leefden, naast elkaar of met elkaar, vaak zonder het te weten.
Even later vertrokken zij richting het woud, waar een paard stond te wachten. Carmen droeg een cape en een koffertje, en Jonathan tilde haar voor zich op zijn paard. Zo reden zij weg, een toekomst tegemoet of een verleden.
Ze leunde tegen zijn borst en rook de geur van patchoeli , die opsteeg van zijn cape en lichaam. Ze voelde zich thuis bij hem, waar ze dan ook heen zouden gaan.

In de cottage zat een zwarte langharige kater voor het raam te wachten, tot er iemand zou komen die hem zou komen redden.
In de stoel achter hem lag  de jonge vrouw, wit en koud, en intens verlaten door de wereld.

 

©Angel-Wings

Zeemeermin

Zeemeermin
Photobucket
De kaars flakkert in het donker, ik voelde hoe de deur langzaam openging, en ik wist na lange tijd, was hij er weer. Hij die mij altijd komt vertellen over verhalen uit de duisternis.

”Ben je er weer?” vroeg ik hem.

Een vlugge streling over mijn gezicht was zijn antwoord.

~*~

Golven sloegen keihard tegen de kade, water vloog over de straat, Erzebeth was drijfnat, haar kleding, haar haren, triest keek ze uit over de zee. Zoute tranen vermengden zich met het zeewater dat haar overvallen had, daar op de kade.

Ze rilde van de kou. Wat moest ze nu doen?

Ze keek uit over het strand, vochtig rul zand dat in het schemerdonker zich voor haar uitstrekte tot aan een horizon, ergens ver weg en niet langer zichtbaar door de storm die tekeer ging. Heel ver weg lag iets op het strand, Erzebeth keek, maar kon niet goed zien wat het was, het bewoog, dat zag ze wel. De regen sloeg keihard in haar gezicht, pijnlijk, sneden ze striemend hun geseling op haar zachte huid.

Ze besloot te gaan kijken, je wist maar nooit nml.

Langzaam liep ze naar hetgeen toe dat daar lag, op het strand. Ze had de tijd immers?

Maar toen ze zag dat het een menselijke gestalte had, liep ze sneller. Wat was daar aan de hand?

Haar adem stokte haar in haar keel toen ze zag, wat het was.

Het was een zeemeermin, een prachtig wezen met lang golvend, vochtig haar, zo goudkleurig als zij nog nooit had gezien. De lippen snakten naar, naar, niet naar lucht, ze was een zeemeermin immers? Net als een vis op het droge lag dit prachtige wezen op het strand.

Erzebeth wist niet wat ze moest doen, ze tilde het hoofd op van het mooie wezen voor haar, op haar knieën lag zij bij haar, en de prachtige zeegroene ogen sloegen zich angstig naar haar op. Help mij, fluisterde de zeemeermin.

Oh ja wat kan ik doen voor u, zei Erzebeth snel.

Sleep mij het water in, voordat ik stik, help mij. De zeemeermin greep haar handen, ijzig koud waren haar handen, wit als marmer, en zo slank, en ook zo zacht, glad als, ja, zoals een vis. Erzebeth nam de beide handen vast, stond op. En zo goed en kwaad als het ging, sleepte ze het wezen terug naar de zee. De zeemeermin woog niet weinig, hijgend en puffend sleept ze haar langzaam terug naar de zeelijn. En eindelijk toen de zeemeermin het water had bereikt, sloeg ze haar staart keihard in het water, spetterend draaide ze om en om, Erzebeth werd een beetje bang van dit plotse wilde gedrag en liep snel opzij.

Opeens hoorde ze een prachtig geluid een geluid zo zij nog nooit had gehoord!

Prachtig klonk het een hoog geluid als een sirene, maar toch ook zoals engelen zouden zingen, zoiets kon ze zich voorstellen nml bij de zang van engelen.

Ze keek om en zag hoe de zeemeermin gelukzalig zong, blij uit volle borsten, want kleren droeg zij nml niet. Ze had wel hele mooie borsten, vond Erzebeth, een beetje jaloers.

Nou dan ga ik maar hoor, dag, riep ze naar de zeemeermin.

En ze wilde vertrekken, wacht riep de zeemeermin.

Wacht je hebt mij gered, nu kan ik iets voor jou terug doen misschien?

Pff ja wat, eh? Erzebeth dacht na, ze kende die verhalen wel nml, je mocht een wens doen en dan kwam er iets heel anders van terecht. Ze was niet achterlijk.

Ze dacht goed na, wat kunt u dan voor mij doen? Vroeg ze argwanend, kijk sprookjes zijn leuk maar, een grote woning was ook leuk, maar was dat haalbaar?

Hoe verklaarde ze dit aan de belastingdienst? Ik heb een huis gekregen van een zeemeermin?

Nee dat ging niks worden dat begreep ze wel.

Laat maar, zei Erzebeth, ik geloof daar niet zo in hoor, en ze wilde al vertrekken. De zeemeermin barste in lachen uit, een hoogst vrouwelijk lachje dat was het zeker.

Jij redt een zeemeermin en gelooft niet in sprookjes? Maar goed, weet je ik kan ook niet zoveel doen, maar wel iets. Mijn overgrootmoeder kon echt toveren maar ik ben er niet goed in, niet in materiele dingen bv. Maar wel in andere dingen.

Zoals? vroeg Erzebeth.

Heb je een probleem misschien ergens mee? De zeemeermin kauwde inmiddels op een stuk zeewier, en keek nadenkend naar Erzebeth.

Je bent verdrietig, ik kan dat zien in jou, zei ze nadenkend. Ze knikte met haar mooie hoofdje en peuterde wat met het zeewier tussen haar tanden.

Klopt, zei Erzebeth. Klopt, ik heb iets heel doms gedaan.

Wat voor doms, heb je gedaan menswezen, vroeg de zeemeermin glimlachend.

Nou morgen,… is het Valentijnsdag en ik heb een kaart gestuurd, naar iemand, maar ik denk niet dat diegene dat leuk vindt.

De zeemeermin lachte, waarom zou iemand dat niet leuk vinden, het is toch anoniem?

Een kaart is toch altijd leuk?

Mischien wel, misschien ook niet, ik zou wel graag willen weten of het zo is.

Ok zei de zeemeermin, dan zal dat het zijn.

Daag en ze verdween binnen no time weer in de golven.

Ja maar, zei Erzebeth, maar in de verte zwaaide de zeemeermin nog eenmaal met haar staart en dat was het dan.

Verbaast wandelde Erzebeth naar haar huis, inmiddels was het al bijna donker, en thuisgekomen nam ze een warm bad met veel bubbels.

Wat zij toch had meegemaakt zeg, dat kon ze aan niemand vertellen.

Wie zou haar nu geloven? Ze zouden haar voor gek verklaren immers. Nee, ze zou dit nooit aan iemand vertellen. En wat bedoelde de zeemeermin nou met dan zal het zo gebeuren.

Erzebeth had geen idee. En ze kon ook niet goed toveren, had ze gezegd immers?

Die nacht droomde Erzebeth gruwelijke dromen over zeemeerminnen en messen in haar voeten en de prijs die ze moest betalen voor de hulp van de zeemeermin, ze werd die ochtend angstig wakker.

Wat zou er gaan gebeuren die dag?

Ze zou weten wat hij zou voelen als hij haar kaart kreeg, en dan?

Wat dan?

Erzebeth nam een kop koffie om flink wakker te worden, en las de krant.

Zenuwachtig wachtend, wachte ze, op wat eigenlijk? Ze wist het niet.

Ze was zo moe door de slechte nachtrust die zij had gehad, dat ze even op de bank ging liggen, maar zodra ze lag, zag ze allerlei vreemde beelden, ze voelde, alles, van iemand anders. Ze zag zijn kamer, ze zag hoe zijn hand een kop koffie inschonk en de brievenbus, de post die kwam. Ze zag hoe hij naar de deur liep met een glimlach, stille hoop, op wat?

Drie kaarten lagen er op de grond, drie kaarten waaronder die van haar.

Hij pakte de kaarten op, glimlachend liep hij langzaam terug, nadenkend.

Hij legde de kaarten voor zich op tafel. Eén kaart opende hij, en glimlachend met een warm gevoel in zijn hart, voelde ze hem overstromen van verliefdheid.

Het was niet haar kaart. Wanhopig voelde zij zich worden. Misschien?

Hij opende de tweede kaart, weer glimlachend voelde ze stille hoop in hem.

En de derde kaart was haar kaart, hij opende de kaart, en ze voelde kilheid in hem, geen emotie zelfs?

Niets helemaal niets, voor haar.

Hij gooide de kaart in de prullebak. De andere twee zette hij netjes op zijn schoorsteenmantel.

Verdriet overmande haar hart, diepbedroefd was zij, het leek of haar hart verscheurd werd.

Had ze nou maar geen kaart verzonden!

Ze wist toch dat hij haar niet goed begreep immers?

Op de bank ontwaakte zij uit haar dromen. De tranen welden op in haar ogen.

Ze ging zitten en sloeg de handen voor haar ogen, de tranen vielen over haar gezicht.

Diepbedroefd stond ze op, maar verbaast en met een kreet van pijn viel ze weer op de bank.

Wat was er aan de hand?

Pijn in haar voeten, intense pijn alsof ze in messen ging staan!?

Ze kon niet meer lopen! Versufd van de pijn, probeerde ze toch te gaan staan, en met veel pijn en moeite lukte dit haar.

Ze hield zich vast aan de muren en strompelde naar de gang, trok haar jas aan en liep strompelend naar beneden, de weg op, richting zee.

Wat had die domme zeemeermin nou gedaan?

Ze had zo’n vreselijke pijn! Het was zo intens pijnlijk de tranen stroomden over haar gezicht.

Eindelijk kwam ze aan bij het strand, daar bij de zee, waar zij de zeemeermin had gevonden, kwam zij aan, jankend, inmiddels, zo pijnlijk waren haar voeten.

Ze kroop over het strand, er was niemand, niemand die haar zag op dat eenzame verlaten strand. Maar zij moest de zeemeermin spreken. Ze moest!

Wat was er gebeurd, een foutje tijdens de wens die zij had gehad?

Iets was er fout gegaan dat was wel zeker!

Er was zoveel fout gegaan, de kaart, en hij, waarom hield ze van hem? Hij niet van haar dat was wel duidelijk. Ze ging kapot aan alle pijn die zij ondervond, zowel innerlijk als lichamelijk. Ze schreeuwde daar op het strand en hapte naar adem, als een vis op het droge, net als, net als….NET ALS DIE ZEEMEERMIN!!!!!!!

Angstig keek ze naar haar voeten, ze trok haar schoenen uit het bloed gutste er uit!

Haar voeten leken wel doorstoken met messen, helemaal kapot, en bloedend als een rund lag zij daar op dat strand.

Niemand die haar zag, daar zo op dat strand dat zo verlaten was.

Of toch? In de verte in de zee kwam iets aanzwemmen, en het was inderdaad de zeemeermin, Godzijdank mompelde Erzebeth huilend. Eindelijk ze komt.

De zeemeermin kroop het strand op, een klein stukje maar, haar staart hing nog in het water, anders kon ze niet overleven op het droge nml.

Glimlachend keek ze naar Erzebeth, het valt niet mee hé die menselijke liefde van jullie.

Ik heb meegevoeld met jou, ik weet het nu. Je liefde is niet wederzijds. Maar je hart is zo goed, dat wij jou opnemen in onze groep.

Eh hoe bedoel je, mompelde Erzebeth in paniek. Welke groep?

Onze zeegroep en geloof me je zult het enig vinden bij ons.

Lust je zeewier? Gul gooide de zeemeermin haar een streng toe. Erzebeth keek er naar en rook de zilte geur die opsteeg uit de streng. Hm niet echt geloof ik hoor.

En hoezo in je zeegroep, ken veel groepen maar eh die nog niet geloof ik.

Kijk naar je voeten, riep de zeemeermin.

Erzebeth keek naar haar voeten, tot haar afgrijzen had ze geen voeten meer maar een staart, een flinke ook, zilverachtige glinsterend lag daar onder haar bips een flinke zeemeerminnen staart.

Kom riep de zeemeermin haar toe, kom we gaan zwemmen.

En opeens had Erzebeth enorm zin om te gaan zwemmen, en ook een enorme honger in zeewier.

Ze nam een hap en kroop naar de zeelijn, daar waar het water klotsend haar borsten bereikte, hm dat voelde wel fijn zeg.

Ze gleed het water in en zwom op weg naar nieuwe horizonten.

Valentijn, kijk maar uit met wat je wenst want…eh

Of ga gewoon niet langs de zee, mompel ik voor mij uit.

De kaars waait uit, de deur slaat dicht en weg is hij weer, mij achterlatend met dingen om diep over na te denken.

Heel diep.
Photobucket
Geschreven door AngelWings

Dat krijg je er nu van!

Dat krijg je er nu van!

Ze waren al jaren samen, en waren gek met elkaar. Zij mocht hem graag wat plagen.

Hij was serieus en een goede tegenhanger voor haar kwikzilveren geest.

Soms baalde hij wel van haar plagerijen, want hij kon er niet zo goed mee om gaan. Maar hij vergaf haar alles, omdat hij van haar hield.

Van haar gulle lach, en mooie twinkelende ogen. En na verloop van jaren werd het plagen niets minder.

Ze bleef maar doorgaan, en soms leek ze net een kleine duivelin. De ene keer hing ze een emmer water boven de douchedeur.

Dan sprong ze keihard op zijn bed, terwijl hij nog diep in dromenland lag. Dan weer belde ze hem op met een verdraaide stem en wilde ze hem versieren.

Terwijl hij zo trouw was als een hond, en hij er nooit intrapte, gelukkig maar want wat zou ze dan verzinnen?

Ze haalde de gekste dingen met hem uit. Zo ook een keer dat ze hem vertelde dat ze zwanger was, en hij haar hoog op tilde in de lucht.

Waarna zij snikkend van het lachen opeens zei dat het niet waar was. Hij had de tranen in zijn ogen gehad.

Of toen ze zijn moeder, die zij niet zo graag mocht, zout in haar thee had gedaan, natuurlijk was dat zogenaamd per ongeluk, maar hij zag de twinkeling in haar ogen die hem al vertelde dat ze loog. of toen ze een kattendrol uit de kattenbak had geschept en in zijn moeders tasje had gestopt. Zogenaamd had de kat het gedaan, maar ook hier weer waren het de twinkeltjes in haar mooie ogen die hem vertelden dat ze het alweer met opzet had gedaan.

Zijn moeder had haar tasje meteen in de vuilnisbak gegooit. Die wilde ze nooit meer gebruiken nml.

Nee het viel niet mee, zo’n vrouwtje te hebben als hij had. Maar goed, ze was nu eenmaal zo en het zat in haar genen blijkbaar want haar grootmoeder kon er volgens december familie verhalen ook heel wat van.

Die had grootvader laten hemelen door hem midden in de nacht de stuipen op het lijf te jagen door een wit laken over haarzelf heen te hangen en hem keihard wakker te schreeuwen.

Hij was er helaas in gebleven.

En grootmoeder volgde al snel hierna, want er viel niets meer te plagen, dus vond ze er niets meer aan blijkbaar.

Op een dag trok hij zijn broek aan en had zij zijn broekspijpen dichtgenaaid, zijn andere broeken waren naar de stomerij dus had hij wel een uur nodig om alles weer los te tornen en kwam hij veels te laat op zijn werk, en leg dat maar eens uit aan je baas dat je zo’n vrouw hebt.

Natuurlijk lachte zijn baas er hartelijk om, en zijn collega’s ook.

Zo ook zijn beste kantoor maat die een ideetje had. Hij zei ik heb iets voor je. Echt bizar dingetje om te zien.

Ik zou haar eens flink terugpakken jongen dan weet ze wat ze je aan doet elke keer.

Uit zijn aktenkoffertje haalde hij een klein zwart harig dingetje.

kijk,…zei hij, hij klikte op het lijfje en daar waggelde het net echt lijkende spinnen geval heen, maar zei hij, kijk!

Hij plakte het ding op de muur en waarempel het spinnetje wandelde gewoon naar boven langs de muur.

Man dat is prachtig!

Nou hij mocht hem lenen! Voor zijn stoute vrouwtje.

Zo gezegd zo gedaan. Hij verkneukelde zich al, om te horen hoe zij zou reageren, want ze was doodsbang voor spinnen nml.

Maar die avond kwam er niets van, hij dacht er even niet aan, omdat ze hem opwachte in een lekker dun gevalletje en zij de hele avond doorbrachten in de slaapkamer, ja daar heb je geen spin bij nodig.

De volgende dag had hij ook geen tijd om het kleinnood uit te proberen, en de dag erna ook niet.

Hij was het al bijna weer vergeten.

Hij zat op zijn kantoor toen ze hem belde, haar auto was kapot, of ze zijn auto mocht lenen.

Prima geen probleem, ze moest nml een eind rijden die dag en zou de auto dus komen halen, zodat hij later met de bus terug naar huis kon gaan.

Ze stapte in de auto en reed een eind op weg, richting een andere stad. Ze klikte de radio aan, en begon te zingen.

Vol uit zong ze mee met muziek op de radio. Lachend keek ze om zich heen, wat was het een mooie dag.

De zon scheen en de lammeren liepen te dartelen in de wei achter hun wollige moeders aan.

Heerlijk voelde zij zich. Ze pakte een sigaretje uit haar jas zak en zocht naar een aansteker, die ze niet kon vinden.

Ze voelde in het dashboard en daar viel iets harigs op de grond, het begon te waggelen in de auto en ze schreeuwde het uit van schrik.

Aarghhhhhhhhh!!!!!!!

De auto maakte een flinke zwiepert en….

De telefoon ging op kantoor, of meneer de Zwart even naar de receptie wilde komen beneden, er waren agenten die hem wilden spreken.

Zenuwachtig stond hij voor hen, op de begane grond.

En hoorde het vreselijke nieuws aan. Zijn lieve ondeugende vrouwtje was verongelukt die dag.

Toen hij na een week de spullen uit de auto kon ophalen, zag hij het liggen, het harige kleine zwarte dingetje.

Vol afgrijzen keek hij er naar.

Dat krijg je er nu van….

Geschreven door AngelWings

Rowena

Rowena

In een dorpje uit een heel ver verleden, lagen zonnestralen verscholen achter een horizon.

Takken van de bomen, in het bos, dropen nog na van de pasgevallen regen.

Moddersporen op het bospad, leiden naar een kleine hut.

Klein maar geriefelijk, was de inhoud beter dan de buitenkant.

In het hutje woonde een oude vrouw met haar kleindochter.

Rowena, de kleindochter was een bijzonder mooi meisje, met prachtige vuurrode lokken, die golfden tot op haar rug.

Haar ogen waren groot en omkranst met dikke lange donkere wimpers, als in schril kontrast met haar vuurrode lokken.

Doch het vreemde was, niemand kon haar in de ogen blikken, zonder een intens vreemd gevoel te krijgen.

De ogen hadden nml geen kleur, ze waren zo goed als wit!

Nooit had iemand dat gezien bij een ander menselijk wezen.

Mensen ontweken Rowena, als ze in het dorpje kwam, kinderen renden weg.

Men noemde haar ook wel eens een heks.

Een nog zeer jonge heks, dat wel.

Rowena haar ouders waren jaren geleden gestorven tijdens een pokken epidemie.

Rowena was weer genezen en grootmoeder ach die verging niet, dat was net onkruid.

Grootmoeder maakte altijd kruidendrankjes en genezende pleisters voor de dorpelingen.

Rowena leerde dit alles spelenderwijs mee, en op een dag zou zij de dorpelingen voorzien van geneeskrachtige zaken.

Maar zover was Rowena nog lang niet.

Naar school gaan deed zij niet, grootmoeder had haar nodig in huis omdat zij leed aan reumatiek.

En grootmoeder was een wijze vrouw die haar kleindochter alles zelf kon onderwijzen.Omdat Rowena gemeden werd, maar toch zo vreselijk mooi was, waren vele mannelijke dorpelingen stiekem wel een beetje bezig met die mooie meid, in hun dromen en fantasieën als moeders de vrouw te bed ging.

Of de zonen die soms toch wel erg dicht bij het hutje kwamen om een glimp op te vangen van Rowena..

Op een dag kwam Serben de zoon van de rijkste boer uit het dorp langs het hutje met zijn paard en wagen, hij was net terug van het land.Bezweet en vermoeid liep hij naast het paard, die de kar trok door de moddersporen op het bospad.

Het was al schemerig, en terwijl hij daar zo liep, zag hij plots Rowena staan, achter het hutje, bezig met takkenbossen bij elkaar binden.

Haar lange rok wapperde om haar benen, en haar lokken dansten om haar fijne gezichtje.

Ademloos keek Serben toe.

Maande het paard tot stilstand, en verborg zich wat achter enkele struiken, stiekem keek hij naar de jonge vrouw.

Lange tijd, tot bijna het duister kwam, keek hij naar haar, hij was helemaal in de ban van haar.

Het leek alsof hij betoverd was.

Het paard dat langdurig had lopen grazen een eindje verderop maakte opeens een snuivend geluid en Rowena schrok op.

Ze voelde zich ergens al een tijdje bespied maar dacht dat dit kwajongens waren uit het dorp.

Ze veegde een lok uit haar ogen en keek om haar heen, om plots oog in oog te staan met Serben, die tevoorschijn was gekomen.

Hij keek in haar ogen, die werkelijk bijna wit waren, zoals men had verteld.

Nog nooit zag Serben zo een schone vrouw, nog nooit had zijn hart zo gebonkt in zijn borstkas, voor een vrouw.

Hij snakte naar adem, en strekte zijn hand uit naar haar, en Rowena keek naar hem als een geschrokken hinde, en ook haar ademhaling sloeg op hol.

Want zo dichtbij, had zij nog nooit een man gezien, een nog wel zo’n knappe man..

Verlegen keek zij weg, en Serben trok het meisje tegen zich aan in een opwelling, en sleepte haar mee in zijn val naar de aarde, naar de zijkanten van het bospad.

Hij sloeg zijn hand voor haar zachte mond dat wilde schreeuwen doch, zijn hand voorkwam dat er enig geluid uitkwam.

Daar zolang te staan kijken naar zo een mooie meid was Serben naar de kop gestegen, hij dacht niet langer na, hij wilde haar nu bezitten.

En zo ook kwam het dat zij even later op de grond lag, met ontblote bovenbenen, met haar rok omhoog en haar blouse half open. De witte borsten als witte lelies in het schemerduister oplichtend als een spottende lach.

Uit haar ogen drupten tranen, en Serben, liep snel weg, naar de kar en het paard, onderwijl zijn broek optrekkend, en zonder een woord gezegd te hebben vertrok hij.

Haar achterlatend in het duister, op de koude kille natte grond.Het bloed klopte hem in de kop, en hij wilde snel weg van die duivelse vrouwe!

Hij joeg het paard op tot grote snelheid, hij wilde zo snel mogelijk weg uit dit heksenbos.

“Wat had hij gedaan?”

Ze had hem behekst! Dat was hem wel duidelijk.Rowena schikte zo goed en kwaad als het ging haar kleding en ging zich wassen bij de pomp.

Tegen haar grootmoeder zei ze niets, ze wilde de oude vrouw niet ongerust maken of verdrietig zien.

En elke dag vanaf die dag, was er weemoed in het hart van Rowena, naar iets dat zij gesmaakt had, maar nooit meer zou proeven, zo zij voorvoelde.

Meedogenloos en bruut had hij haar genomen, edoch, voelde zij een verbondenheid met hem, die zij niet kon verklaren.

Zij kon hem ergens vergeven voor zijn daad, alsof zij deze instinctief begrijpen kon.

Alsof ze zijn ziel liefhad maar zijn wezen in het aardse zijn niet.

Twee maanden later was het dan zover, elke morgen scheen zij misselijk bij het opstaan en grootmoeder die alles wist over zwangere vrouwen, maakte haar kleindochter hier attent op.

Rowena zette grote ogen op, en vertelde toen het verhaal, van die avond in het bos, en van de man met zijn paard en wagen.

De man met zijn donkere felle ogen en zijn ravenzwarte haren.

Grootmoeder wist wie deze jongeman zijn moest en glimlachte tegen haar kleindochter.

Het kind heeft gegoede voorouders, alleen als men dit te weten komt, zal het duister zich voltrekken.

Laat dit een geheim blijven mijn kind!

Grootmoeder staarde voor zich uit in de vlammen van de haard, en knikte hierbij bedachtzaam.

Zij kende de Hereboeren wel.

En zo zwegen de twee vrouwen in dat hutje in het bos over het kleine wondertje dat zich ging voldragen in de buik van de jonge vrouw.

In het dorp lag er een elke nacht te woelen en te draaien, kon de slaap niet langer vatten, na zijn daad in het bos..

Hij leek te zijn bezeten door de duivel zelf.

De ouders zagen met lede ogen aan hoe hun zoon zich ging misdragen in het dorpscafé waar bij veel te veel ging drinken.

Daar moest de pastoor aan te pas komen, want ook zij wisten het niet meer.

En met de pastoor kwam een goed gesprek op gang, over de heks in het bos die hem de kop gek had staan maken in het schemerduister.

Hoe ze naar hem gelonkt had, zei hij, terwijl het schaamrood hem naar de kaken steeg.

En ze hem verleide toen ze haar boezem ontbloot had, en hij onder haar bekoring raakte.

Het is een heks meneer pastoor!

Zo vergoelijkte hij zijn daden en moffelde hij een enig schuldgevoel, zo hij deze had weg onder een tapijt van rijkdom en aanzien in het dorp.

Iedereen was het er over eens, dat de mooie Rowena een heks was, net als haar grootmoeder en eenieder wist wel iets te vertellen.

Vergeten waren zij de goede giften van de oude vrouw, de behulpzaamheid van de oude dame, die immer voor anderen klaar had gestaan.

Nee daar had men het niet meer over.

De kippen van Lena waren van de leg of men dit al wist?

De koe van boer Kamps gaf geen melk meer, en de vrouw van de slager had een kind met 5 vingers gebaart en dit kwam omdat de oude vrouw vlak voor de bevalling in de winkel was geweest voor een pond spek.

Maar het mooiste verhaal kwam van een stel opgeschoten kwajongens die hadden staan loeren bij het hutje in het bos, nml dat de jonge vrouw een kind moest krijgen!

Nou men had de mond ervan vol, van wie dat nu zou wezen?

Vast van de duivel zelf, want had Jantien, de jonge vrouw met volle maan niet zien vliegen op een bezemsteel? Boven de boomtoppen uit!?

Precies ja!

Er was onrust in het dorpje gekomen

En daar hielden zij niet van, de dorpelingen.

Dat was niet goed dat was duivels werk.

En de maanden vorderden gestaag, de herfst ging over in de winter en de winter in de lente..en toen de zomer aanbrak, werd er in het hutje een kind geboren.

Grootmoeder tilde het wichtje tegen haar aan en zegde het geluk toe op deze wereld, terwijl Rowena vermoeid in een diepe slaap viel, bakerde grootmoeder het kind.Na vele beschuldigingen van de dorpelingen, kwam er na een jaar een climax, Serben ergens toch wel nieuwsgierig naar het kind, was eens langs het hutje gekuierd,

En had daar wederom een tijdje staan kijken, en wat hij zag dat gaf hem een heftige schok.

Het kleine wichtje was zo wonderschoon, met gitzwarte krullen om haar mooie fijne gezichtje, en een rood pruilmondje, en prachtige lichte ogen, niet zo licht als van de moeder maar toch..

Serben had het er moeilijk mee, dat was zijn kind.

En hij wist dit ook.

Vanaf die dag legde hij stiekem geld neer bij de achterdeur van het hutje, dit deed hij diep in de nacht als alles in rust was.

Rowena wist niet van wie de goede gaven kwamen maar ze waren er heel erg blij mee. Want zo ruim hadden zij het niet.

Ze kocht zelfs op een dag een jurkje voor haar kindje.

Een prachtig wit kanten jurkje, dat mocht het kindje aan op de zondag.

Ook al gingen zij dan niet naar de kerk maar toch, op zondag was het de dag van God en dan moest zij er net uitzien, zoals het hoorde bij de rijke mensen.

Grootmoeder werd ernstig ziek, en lag te bed, Rowena zorgde voor alles in het hutje en voor de haar zo geliefde personen.

De enige die zij had op deze hele wereld.

Op een dag moest zij eten halen uit het dorp en nu kwam zij daar al nauwelijks, meestal ging grootmoeder, nog altijd goed ter been, erop uit om eten te halen.

Doch ditmaal ging zij alleen en liet het wichtje achter bij grootmoeder.In het dorp aangekomen, bekeek men haar met argusogen en niemand sprak tegen haar, bij de slager aangekomen, gooide een kwajongen een appel tegen haar aan, Rowena schrok van de vijandigheid die zij voelde van de dorpelingen en alsof, dit het startschot was geweest, dromden er opeens vele mensen om haar heen.

Ze duwden haar en zeiden dat zij een heks was.

Dat ze op de brandstapel thuishoorde en met de duivel een kind had.Rowena was bang, en ze begon te rennen, en iedereen rende haar na.

Ze werd opgejaagd, met stokken en honden, alsof zij een hert was dat gevangen moest worden.

Het hart klopte in haar keel en haar vuurrode haren leken vlammen te zijn achter haar rennende figuurtje.

Serben zag dit aan van een afstand en riep dat ze moesten stoppen, doch niemand luisterde , men was bezeten van het feit dat deze heks de oorzaak was van alle ellende die de dorpelingen overkomen waren.

Ze renden en sloegen naar haar, de tranen vielen uit haar mooie ogen.

Blindelings in paniek rende ze maar door.

Ze kon geen woord nog uitbrengen.

Ze rende maar door..tot ze uitkwam bij het moeras.

En ze ineens voelde dat de grond onder haar plotsklaps week.

En zij gezogen werd, naar diepten waaruit geen mens ooit meer komen zou.

Ze gilde het uit, toen wel, en de mensen stonden daar toe te kijken, hoe zij zichzelf vrij wilde vechten van een onnodige dood.

Niemand hielp haar, niemand stak een hand uit.

Men was vergeten, wat zij en haar grootmoeder gedaan hadden aan goede daden, men dacht alleen aan schuldenaren.

Langzaam verdween de schone Rowena in het moeras, het laatste dat men zag was het vuurrode haar dat boven dreef, en men draaide zich toen pas om.

Ondertussen hadden kwajongens in het dorp het hutje in het bos in de brand gestoken.

Felle vlammen likten aan de donkere hemel die nacht.

Grootmoeder stikte in de vlammen, en niemand hoorde een kind schreien.

Het kind was door de duivel zeker al gered?

Zo dacht men in dat primitieve dorp in die dagen.Doch in het bos rende een man met een kindje op zijn armen in het wilde weg door de struiken.

Thuisgekomen zette hij het kind bij zijn moeder op schoot en riep dat hij geld nodig had en spullen.

Hij ging ervandoor zei hij.

De moeder verbaast vroeg hem wat er aan de hand was en van wie dat wichtje was?

Dat mooie kleine wichtje met haar schattige witte kanten jurkje, dat op haar schoot zat te kijken met wonderlijke ogen.

Hoe heet dit meisje dan vroeg de moeder weer.

Rowena riep Serben uit in paniek de tranen zaten hem in de keel dwars, en hij pakte snel alles wat hij nodig kon hebben voor een nieuw leven.

Hij kuste zijn moeder vaarwel en vertrok zonder pardon uit dat dorp.

In de donkere nacht reed hij met paard en wagen en keek nog eenmaal achterom.

Het bos stond in lichterlaaie, vlammen likten de hemel, alsof de duivel God wilde raken..

En zo ging hij heen met zijn kind.

Het kind dat zoveel van de ouders had.

In het dorp keerde de rust weder, na lange, lange tijd en niemand sprak nog over de heksen in het bos.

Waar het hutje had gestaan was nu enkel nog as.

En in de zijbermen bloeide een witte lelie, een beetje spottend glanzend wit stond zij daar..

Een beetje eigenwijs wel.

En in een ver land hier vandaan, stapte een vader met zijn dochter van een schip.

Eindelijk vast land onder de voeten.

Een nieuw begin, nieuw karma, door te zorgen voor het kind,

Dat was hij wel verplicht na al zijn schuldenaren.

Liefdesnacht

Liefdesnacht

Hij liep met grote passen over het strandgele bospad.

De wind waaide door de takken van de bomen en de lucht werd langzaamaan duister en grauw.

Terry was een beetje laat op pad gegaan. Hij riep zijn hond, een labrador, die in geen velden of wegen te bekennen was. ‘Zeker weer op konijnenjacht,’ dacht Terry.

Hij liep rustig door tot iets zijn aandacht trok.

Iets verderop zag hij een gebouwtje staan. In dit gedeelte van het bos was hij nog nooit geweest en het fascineerde hem mateloos. Hij werd nieuwsgierig en liep het pad op naar het grijze gebouwtje. Het was een klein bouwvallig huis, overal lagen stenen op de grond en hij zag een deur die half verrot, open stond. Hij wilde een kijkje gaan nemen en stapte over het bemoste paadje richting de deur. Hij schrok op van een kat die rakelings langs hem heen schoot. ‘Zwart’, dacht Terry glimlachend.

Hij was wel geschrokken dat wel. Hij opende de deur die plankjes losliet en toen hij eraan trok, knierpte deze in zijn scharnieren, oud en roestig. Terry liep naar binnen, het was er wat schemerig. Hij kon nauwelijks iets onderscheiden, maar schrok zich wezenloos toen hij in een hoek iemand zag staan. Langzaam wenden zijn ogen aan het duister en hij keek scherp naar die figuur daar in die hoek. Was het een mens of niet?

‘Hallo’, riep hij.

Hij hoorde geschuifel. De figuur liep naar een tafel en ontstak een licht.

Terry schrok wederom, want voor hem stond het mooiste wezen dat hij ooit had gezien

Een vrouw zo mooi als een duistere engel. Haar lange zwarte haar golfde over haar rug en in haar ogen was een blik van zinderende kou.

‘Mooie ogen’, dacht Terry, maar de kilte sloeg hem tegemoet.

Terry huiverde en zei nogmaals: ‘hallo, ik had niet gedacht dat hier nog iemand woonde.’

Ze keek hem alleen maar aan en glimlachte. Terry was betoverd door haar. Wat een prachtig figuur had zij en haar mond was als een pas ontloken bloem.

Ze liep naar hem toe, waarbij haar jurk ruiste in het voorbijgaan. Terry kreeg kippenvel toen hij de koele windvlaag voelde die hem tegemoet kwam.

‘Fris hè’, zei hij als om zich een houding te geven.

Ze glimlachte weer.

Ze was magnifiek en waanzinnig mooi. Hij kon haar geur ruiken die hem bereikte, mos en een kruiderig iets, de heerlijke geur van een vrouw. Terry werd het vreemd te moede.

Hij keek haar aan en zag in die staalblauwe ogen een blik die niets verried. Alleen haar mond lachte sensueel. Ze drong zich aan hem op, haar mooie lichaam tegen het zijne. Zijn hart bonkte hem in zijn keel, hij kreeg bijna geen adem meer. Sissend liet hij zijn adem tussen zijn tanden ontsnappen, langzaam alsof het een droom was waar hij in beland was.

Ze kronkelde tegen zijn lijf, alsof ze een krolse kat was en raakte met haar slanke hand zijn gezicht aan. Die hand was koel als marmer, maar liet wel een brandend spoor na. Het was onwerkelijk, hier in dit huisje in het bos. Ze sloeg haar armen om zijn hals en blikte naar zijn lippen. Hij staarde naar haar mond en zag dat ze half geopend lag en ertussen zag hij een glinstering van haar witte tanden. Terry zuchtte diep en zette alles op nul in zijn gedachten. Dit was een buitenkans, die hij nooit weer zou krijgen. Ze proefde zachtjes van zijn mond en hij van de hare. Ze trok hem dichter naar haar toe en hij kreeg het benauwd alsof een ijzeren band om zijn borst klemde. Vreemd, deze opwinding kende hij niet, dit was onwerkelijk en niet normaal. Ze likte met haar tong in zijn mond, langs zijn tanden en gehemelte. En alles wat ze bij hem deed, liet een spoor van vuur na. ‘Niet te geloven’, dacht Terry half beneveld in zijn brein. Ze kuste hem nu vol op zijn mond.

Terry voelde een intense kou door zijn lichaam trekken. Het leek of zij steeds meer uit zijn lichaam trok.

Hij was hemels, alsof hij stoned was van een of andere drug. Ze opende zijn blouse en streelde zijn borst.

Kou en hitte liet ze nasporen en Terry werd bijna gek van verlangen om dit mooie wezen te bezitten. Hij stak zijn handen uit naar haar mooie forse borsten, voelde en woog ze in zijn handen. Ze waren perfect.

Zij gromde. Een kreun als van een dier kwam uit haar mond die de zijne bleef kussen, Ademloos, was hij. Hij voelde die zachte borsten met stijve knoppen, streelde ze en kneep er zachtjes in. Ze gromde wederom. Onverzadigbaar leek ze. Had ze als een geile stoeipoes op hem gewacht? Wie was zij?

Lang kon hij hierover niet nadenken. Hij voelde hoe ze zijn kleding uittrok, tergend langzaam.

Keihard spande hij tegen zijn rits om eruit gelaten te worden. Ze streek hem langs zijn kruis en knikte goedkeurend toen ze zijn geslacht voelde.

Hij werd opgewonden als een dier en begon te schokken toen ze hem tergend met haar nagels over zijn buik begon te krassen.

‘Wat een kat’, flitste het door hem heen.

‘Echt een kat en nog even en ze zegt miauw’, dacht Terry droog.

Maar dat deed ze niet, hoewel ze wel kon spinnen, merkte hij.

Zij maakte zijn broek los en greep met haar hand in zijn short. Ze duwde hem tegen de deurpost van het oude verlaten huis, dat niet zo verlaten bleek als hij dacht. Ze kreunde, gromde en grauwde als een wilde kat. Terry had het niet meer. Ruw duwde hij haar weg en ze sprong lenig op zij.

Liggend op haar ene heup gleed haar tong likkend langs haar lippen. Steunden op een arm zag hij haar prachtige borsten. Hij ging naast haar liggen en begon ze te kussen, met zijn tanden zachtjes op haar knoppen bijtend en knabbelend. Ze gooide haar hoofd in haar nek, grauwde wild en bewoog haar hoofd als een bezetene. Terry schrok van haar heftigheid. Stel dat ze een waanzinnige was? Wat dan?

Hij keek om zich heen en zag dat het buiten aardedonker was. Zijn hond was nog niet teug, vreemd!

Maar alles was al vreemd, maar Terry dacht nergens meer aan. Ze duwde hem nu weg, op de grond voor haar en tilde haar rok omhoog. Hij zag dat ze geen broekje droeg .’Wat opwindende vrouw’, dacht hij

Hij zag haar driehoek. Ze ging op hem liggen Zalig was het, hij genoot zoals hij nog nooit had genoten. Hij pakte haar zwarte lange haar beet, en trok eraan. Ze gromde tegen hem alsof ze het niet fijn vond en ze beet hem ineens in zijn arm. Dat deed zeer.

Het bloed liep er uit en hij wilde haar wegduwen, maar ze leek ijzersterk te zijn. De sex was intens zo intens dat hij bijna geen adem kreeg. Hij werd duizelig en snakte naar adem. Ze lachte, een hoge schrille lach. Terry huiverde , wilde wegkomen.

Hij spartelde maar niets hielp. Een demonische zwaartekracht hield hem gevangen onder deze fragiele vrouw. Bovenaards, nu wist hij een woord om haar te benoemen.

Ze gilde in de donkere nacht en lachte, een schrille kille lach… Terry dacht nergens anders meer aan dan aan dat duffe gevoel in zijn kop. Ze deed het fantastisch en gunde hem inmiddels weer wat lucht. Ze lachte weer en toen zag hij pas haar scherpe puntige tandjes. Hij schrok en was bang dat ze hem er mee zou bijten.

Vuur sloeg van hem af en hij dacht even rook te zien.

Met bovenmenselijke inspanningen duwde hij haar op haar rug.

Zij grauwde en klauwde met haar nagels in zijn rug.

Ze huiverde en gilde……..en toen zij kwam, kwam ook hij en weg was de wereld, erg ver weg

Het was weergaloos, hij zag niets dan sterren, duisternis en een gloed van vuur in zijn gedachten.

Hij kreunde en schreeuwde want er kwam geen eind aan zijn orgasme. Hij leek wel verdoofd.

Hij bleef maar komen, een orgasme als dit had hij nooit eerder meegemaakt.

Terry voelde zich wegzakken in een donkerte en hoorde hij nog haar lach scherp en kreunend.

De volgende morgen werd hij gevonden door een boswachter op zijn ronde. Terry lag nog op de grond en de kaars op tafel was opgebrand.

De boswachter keek hem bevreemd aan.

‘Is deze hond misschien van u?’ vroeg hij ‘terwijl hij naar zijn hond wees die bij de deuropening stond te wachten.

‘Hij liep gisteren in mijn tuin en ik dacht ik hou hem maar vast want …’

Hij keek nog eens naar Terry. ‘Is er iets gebeurd?’ vroeg hij.

‘Waar is die vrouw die hier woont?’

De boswachter keek hem niet begrijpend aan. ‘Er woont hier geen vrouw.’

‘Jawel want gister…’

Terry wreef over zijn hoofd en dacht na. Had hij alles gedroomd? Maar hij zag de beetwond op zijn arm en…..

Later hoorde hij in zijn stamcafé over de vrouw die hier gewoond had .Ooit een beeldschone vrouw die vermoord was door haar man, omdat ze overspel had gepleegd.

En er werd gefluisterd dat ze wel eens rondspookte daar in het donker en mannen besprong.

Terry zei niets maar dacht er het zijne van.

Een liefdesnacht met een geest?

De chip

De chip

Het kind rende door de struiken, weg van het rumoer, ver weg van al die ellende.

Haar mooie donkere krullen bleven vastzitten aan takken, en verwoed trok ze aan haar krullenbos om los te komen, op weg naar een vrijheid die niet langer was.

Enkele haren werden pijnlijk uitgetrokken door de brutale takken, die het kind wilden tegenhouden zo leek het wel.

De tranen biggelden over haar wangen, en uit haar prachtige lichtbruine ogen.

Grote druppels hingen een seconde te wachten aan de lange wimpers om dan verloren hun weg te vinden naar de aarde, onder haar voeten, die renden, renden, tot ze niet meer kon.

En uiteindelijk terwijl de nacht zijn sterren liet fonkelen over de donkere aarde, viel zij neer op de koude grond.

Uitgeput en gedeprimeerd door alles wat zij gezien had.

Er was geen vluchten mogelijk, voor mensen zoals zij, mensen die altijd al achtervolgt waren op deze aarde, haar volk, haar mensen, haar familie, vrienden, en het allerergste haar ouders en haar zusje Hannah.

Verloren, kreet het in haar nog zo jonge hart.

Verloren en alleen op deze wereld. Waar kon zij heen?

Er was geen weg meer vrij op deze hele wereld, waar zij nog vrij kon leven. De satelliet volgde haar, dankzij de chip in haar hand, ze keek vol walging naar haar linkerhand waar in de chip geplaatst was, toen ze nog maar net 1 uur op deze aarde aangekomen was, vanuit haar moeders warme en veilige buik. Er was geen veiligheid meer, de koning was opgestaan, de antichrist, het was te laat, dat begreep ze nu wel met haar 14 jaren leeftijd.

Alle joden moesten wederom vernietigd worden, en dit maal was er geen enkele mogelijkheid om onderdak te krijgen, want mensen die hen onderdak gaven werden meteen opgespoord en gedood tezamen met de joden die zij onderdak gaven. Sarah hoorde nog de kreten van haar ouders en haar zusje, toen ze meegesleurd werden naar de onderaardse gangen, waar zij een gewisse dood tegemoet gingen. Iedereen wist dat dit gebeurd maar niemand kon nog iets doen, Die chip in de mensen hand had het leven van alle vrijheid beroofd. Men wist wat je oorsprong was, je woonplaats, waar je, je bevond, wat je deed want in de chip zaten zoveel magnifieke mogelijkheden dat men zelfs als men dit wilde, je kon afluisteren, op zeer grote afstanden. Sarah wist het ook niet meer, ze had wel eens gehoord van de ”zeven gebergte” bewoners, waar men in een vreemdsoortige vrijheid leefde, omdat men zichzelf verminkte en de linkerhand afhakte. Deze mensen waren de vrijheidsdenkers, de pioniers, de rebellen. Daar moest ze naartoe maar hoe? Zelfs nu wist ze dat ze haar konden traceren, ze wist dat als men haar pakte ze haar dood tegemoet ging. Gelijk vee werden ze opgejaagd, en vermoord om een zinloze reden, een reden bedacht door enkele mensen, een krankzinnige reden nml. Het waarom begreep niemand. Ze stond op en ging op zoek, vastberaden in het duister zocht zij naar een uitweg, Hoe kwam zij bij het “zeven gebergte”? Ze wist dat het Zuidelijk lag, een neef van haar scheen daar ook zijn weg gevonden te hebben. Als ze daar kon aankomen dan zou ze hem vast terug zien. Verlangend keek ze naar de lucht en de sterren, die vriendelijk twinkelden in de nacht alsof zij knipoogden naar haar. Ook had ze iets gehoord inzake de chip in haar hand, daarom bond ze haar haar elastiekje om haar linkerhand zodat deze minder bloedtoevoer kreeg, hoe minder warmte de chip kreeg hoe meer kans op ontsnapping. Ze moest snel zijn en slim. Dat kon zij wel. Enkele nachten ging ze op weg, op zoek naar het “Zeven gebergte”, want in de nacht had ze meer kans ongezien weg te komen, haar linkerhand zag inmiddels blauw en werd gevoelloos. Ze zag de spionage vliegtuigen wel cirkelen rondom haar verblijfplaats, maar ze was als jong meisje nog niet zo belangrijk, dus zouden ze haar misschien nog even met rust laten. Ze was niet de enige die zou vluchten voor de terreur. Ze had een honger, gruwelijk haar maag knoopte ineen, en ze moest eten vinden. Ze moest gewoon, daarom sloop ze langs een oude verwekkingsfabriek. Het ding leek leeg te staan maar toch liepen er dieren rond, ook ratten, en hagedissen die wegschoten in hoeken en gaten zodra ze haar stille voetstap hoorden. Sarah vond enkele embryo flessen, waarin nog overblijfselen zaten van ongeboren mislukte klonen. Sommige flessen waren stukgeslagen tegen de grond en waren opgegeten door de dieren die er rondliepen. Ze zag een opwekkingsmodule die zijn langste tijd al gehad moest hebben, want het zag er erg ouderwets uit. In de broedcabine vond ze tevens ouderwetse broedmachines voor embryo’s.

Uiteindelijk kwam ze bij een operatiekamer waar de meeste spullen verspreid lagen over de vloer, operatie tafels die half op de grond lagen, messen, spuiten, je zou denken dat men overhaast gevlucht was, of misschien was dit wel een gebouw geweest van joden, dacht zij vluchtig.

Ja dat moest het wel zijn. Ze vond een fles met verdoving materiaal.

In een kast enkele steriele gaasjes, en watten, en doeken, alles nog net verpakt. Ze aarzelde niet langer. Ze moest het doen.dan maar alleen. Maar ze wilde nog lang niet sterven.

Bijgelicht door een batterijlamp, verdoofde ze vakkundig haar linkerhand.

Toen alles gevoelloos genoeg was, stak ze erin met een mes, ze voelde niets meer dat was goed zo, dacht ze. Ze aarzelde geen seconde, ze moest!!! Ze sneed snel door het vlees heen, en toen pakte ze een vlijmscherp operatie zaag, waarmee ze begon te zagen in haar pols. Ze keek de andere kant op. Ze kon het niet aanzien maar de wil was zo krachtig.

De wens naar vrijheid zo belangrijk, dat ze geen keus had.

Na anderhalf uur, was het dan eindelijk zover, haar linkerhand was gescheiden van haar lichaam.

De tranen rolden over haar wangen, maar vakkundig steriliseerde ze haar pols en met een speciaal operatie middeltje kon ze de huid inclusief aders dichtkitten zodat er geen bloed meer vloeide.

Haar linkerhand stak zij in brand, inclusief chip.

Ze keek er nog even naar en rende toen hard weg, de duisternis in, op weg naar vrijheid.

Ze zag hoe er gezocht werd naar haar, want men merkte uiteraard op dat er ergens een chip verbrandde, misschien dachten ze straks wel dat ze dood was!

Het gebouw ging tevens in vlammen op, daar had zij wel voor gezorgd, als een soort erkentelijkheid aan het feit dat de oprichters ook joden waren, was zij dit wel verplicht aan hen.

Sarah rende maar door, richting het zuiden en overdag ruste ze uit in een of andere schuilplaats die zij gevonden had. Ze kwam niemand tegen gelukkig en, na een lange tijd, een hele lange tijd, als je veertien jaar bent zonder familie of vrienden. Dan is de tijd lang. Kwam ze uiteindelijk aan

bij het “Zeven gebergte”, waar zij al zwaaiend met haar linkerarm binnengehaald werd onder groot gejuich. Ze hervond haar neef daar, en vrienden, andersdenkenden.

Maar ze was veilig zolang het duurde dat wist zij maar al te goed, tenzij, tenzij,

Zij het kwaad uit de wereld konden helpen, waar mensen ooit de mensheid voor waarschuwden, de chip! De chip het gevaar voor de mensheid.

En iedereen had er toen laconiek over gedaan het maar geslikt, en geaccepteerd, en zij.

Ondanks Hitler toen, waren wederom slachtoffer geworden van het kwaad, dat altijd in deze wereld rondwaart.

Al viel er nu nauwelijks nog te ontsnappen aan dit kwaad, tenzij men zichzelf verminkte.

Soulmates

Soulmates
Photobucket

De flakkerende kaars tovert spookachtige schaduwen op de muren van de donkere kamer, voorover gebogen ligt hij daar, met zijn hoofd op de tafel. Naast hem ligt de omgevallen fles Cognac, nadruppelend op het tafelkleed. Zijn profiel verfijnd, als uit marmer gesneden, de smalle lippen, de mannelijke kin, en krullende haren, waarvan een lok brutaal zijn hoge voorhoofd bedekt.

Zo vind zij hem die nacht, als alles donker is en stil. Minutenlang kijkt ze naar hem, zoals hij daar ligt zo heel onbevangen, nietsvermoedend, diep in slaap. Liefdevol streelt ze hem over zijn gelaat, hij slaat zijn ogen op naar haar en geschokt kijkt hij haar aan. In het duister ziet zij zijn duivelse ogen, glinsterend van genoegen, met een glimlach om zijn mond.

Slanke vingers grijpen haar polsen en trekken haar naar zich toe. Tegen zijn borstkas wordt zij getrokken. Hij buigt zijn hoofd naar haar toe en zoent zacht haar lippen. Ze proeft de cognac nog op zijn tong, het hart klopt onstuimig in haar borst. Haar ademhaling versnelt. Zijn ene hand streelt door haar lange krullende haren, en de andere haar rug. De laatste houtbokken in de haard vallen uiteen en de vonken verspreiden zich lichtend in de donkere kamer, gelijk dansende vuurvliegjes, op het Perzisch tapijt. Oranje schaduw verlicht hun gezicht, en zij ziet de lach om zijn mond, de blik in zijn ogen, intens, vurig, vlammend. En hij ziet haar ogen zoeken, naar een teken van liefde, hartstocht, mooie bijzondere ogen.

Haar lippen goedgevormd, lijken zo zacht, in het schemerdonker, haar hand op zijn wang, kust hij haar vingers liefdevol. Hij weet, zij weet, en toch weten zij niets.

Hij trekt haar op zijn schoot en omhelst haar innig, alsof hij bang is haar te verliezen, en zij liefkoost zijn hals. Teder, innig, verlaten zij zich op elkaar daar in die donkere kamer. Ze is zo mooi, denkt hij, zo prachtig. Zo onwerkelijk, en hij opent de veters van haar lijfje, langzaam opent hij de weg naar haar zachte boezem. In volle glorie, opent hun bestaan zich voor zijn ogen, schaduwen raken haar glooiing, alsof de liefkozend likkende vlammen, hun weg eerder banen dan zijn mond. Verrukt verdiept hij zich in haar borsten, en voelt de warme zachtheid. Verloren waant hij zich in een paradijs. Ze kreunt als zijn lippen haar aanraken, heel zachtjes, gelijk vlinders die dansen op haar huid. Ze gooit haar hoofd naar achteren, en haar dansende krullenpracht valt als een waterval over haar gekromde rug. Zoekend naar meer, likt hij vurig zijn weg naar meer van haar, want dat is wat hij wil. Haar totaal bezitten, hebben, van hem, zij is van hem!

Het dreunt door zijn hoofd,’’ Van mij! Van mij”. Zij trekt aan zijn zwarte blouse, opent knopen, en baant haar weg door zijn borsthaar, op zoek naar de warmte van zijn hartenklop. Zuchtend vinden beiden hun weg bij elkaar, verliezen zij zichzelf in een onstuimige liefde. Liggen zij neder voor de haard, waar de sintels nog oranje vlammetjes verspreiden als een tovertapijt over hun naakte lichamen. Intens verdiept in hun zoektocht naar elkander, bereiken zij het ultieme genot, zoals nog nooit voorheen. Zuchtend vallen zij naast elkaar neer elkaar omarmend, besloten wereld, even samen en niet alleen. Zweetdruppels ontdekken wegen, gelijk rivieren op de verhitte lichamen, en druppelen hun weg naar het dikke tapijt.

“Wat is je naam”, mompelt hij. “Charlotte”, fluisterd zij zacht. Oh zoete stem, gelijk een nachtegaal, glimlachend kijkt hij op haar neer. “En jouw naam?” vraagt ze.

“Jonathan”, zegt hij zacht, kijkend in haar wonderlijke ogen. Valt hij even later in een diepe slaap.

~*~

De fles cognac valt op de grond, als Jonathan met een arm over de tafel glijdt, met een schok wordt hij wakker. Wakker in een donkere kille kamer, het haardvuur is al gedoofd. Waar was zij? Vroeg hij zich verbaast af, wie was zij?

Was het een droom geweest? Hij wist het waarlijk niet meer. Het was Goddelijk geweest, zij was een Godin! Wie was zij, kreunend greep hij naar zijn voorhoofd, een snel opkomende hoofdpijn bonkte zijn weg, zonder uitgang te vinden.

Hij was in de war, het leek zo echt, zo echt!

Wie was zij die mooie vrouw, die hem had doen voelen wat echt was in deze wereld. Echte liefde. Hij moest haar vinden. Hij MOEST!

Hij zou haar zoeken al was het tot het einde der aarde, maar hij zou haar vinden.

~*~

In een landhuis, mijlen verderop, werd een jonge vrouw wakker in het holst van de nacht, wakker uit een vreemde droom. Met een prachtige man die haar liefkoosde, haar lief had. Nog nooit had zij een zo’n mooie man gezien. Nog nooit had iemand haar zo de adem ontnomen, als hij deed. Wie was deze man?

Wie was hij, ze wist alleen zijn naam, Jonathan, en meer niet.

Niets, wist zij, van hem en verdriet over viel haar opeens, alsof zij iets gemist had, al die jaren, er toch was geweest, al die tijd, misschien? Verloren jaren? Misschien bestond hij werkelijk? Misschien was hij wel echt?

Haar hart vertelde haar, dat het zo was, haar verstand zei van niet.

Hoe kon zij weten immers?

Hoe kan iemand weten, dat je tweelingziel ergens is, daar buiten in de nacht, als alles stil is buiten, en de wereld van de nacht, de wereld van het onderbewustzijn, antwoorden brengt die het daglicht nooit kan geven. Hoe kan men weten, dat er in dromen alles mogelijk is wat het hart verlangen kan en nodig heeft en weet.

Hoe kan men het vinden?

Als men weet en het toch niet echt is.

Hoe kan men weten.

In de zoektocht in het leven zoeken wij allen naar een soulmate, gelijkwaardigheid, versmelting en liefde.

Maar het vinden dat is de kunst, dat is het lot misschien wel of karma.

Maar als je zoekt zul je vinden…

Ooit, al is het in een volgend leven.

AngelWings