Home Mysterie

Mysterie

Soraday Liefde voor eeuwig

1173453971_5_M6ha.jpeg

Een harde tik tegen mijn raam, ik schrik op uit mijn overpeinzingen, de deur waait plots open en een koude tocht, waait om mij heen, alsof hij, de geest uit het hiernamaals een lange mantel draagt, en snel hierheen is gekomen om iets mede te delen.
Ik groet hem met een stille glimlach, je bent er weer fluister ik.
Een aai over mijn wang is zijn antwoord.
Ik voel zijn kille vingers, zo koud, en toch zo vriendelijk.
Heb je een verhaal voor mij vraag ik.
Hij knikt en trekt aan een pijpenkrul in mijn haar.
Ja zeker die heb ik…

~*~

Badend in het zweet werd ze wakker, uit donkere dromen.
Dromen vol donkere takken, bosgronden, een maan, en vage angstige geluiden. Ze draaide zich eens om in haar bed, de bezwete lakens meetrekkend aan haar vochtig lichaam. Het vocht parelde tussen haar borsten, haar haren krulden om haar gezicht in natte plaaggeesten, tot in haar mond zelfs.
Sam ging rechtop zitten en streek haar haren naar achteren, de donkere lokken plakten aan haar wang, verwoed veegde ze , ze weg. Opgelucht dat ze ontsnapt was aan die enge droom, zat ze daar nadenkend, terwijl de kou haar deed huiveren op haar opdrogende huid en vochtige nachtjapon.
Waar droomde ze toch over?
Vaag herinnerde ze zich haar droom, ze was ergens op een kerkhof, een zeer oud kerkhof, en ergens was een plek, ze was aan het graven op dat kerkhof bij een graf.
Een oude grafzerk met een engel erboven, met grote marmeren vleugels die het graf bewaakte. Het was donker, zo intens donker, en zij was daar alleen op dat kerkhof, met haar blote handen groef ze in de zachte modder. Op zoek naar iets, wat dat iets was wist ze niet.

Sam nam een slok water, uit het glas dat naast haar bed stond.
Ze ging weer liggen en viel even later weer in slaap.

Nadien kreeg ze vaker last van deze droom, en altijd weer was het dezelfde droom.
Het donkere bos, de oude stille begraafplaats en het graven in de modder op zoek naar iets. Maar wat,… daar kwam Sam nooit achter, omdat ze op dat moment altijd wakker werd, badend in het zweet.

Sam begon er onder te lijden, had angst om in slaap te vallen omdat ze bang was voor deze nachtmerrie, die steeds vaker voor kwam.
Bijna wekelijks inmiddels, kwamen de dromen bij haar op bezoek. Sam had van alles geprobeerd, zelfs rustgevende middelen, en in haar dagelijks bestaan was er niets wat er op wees dat ze ergens mee in de knoop zat oid.
Sinds kort had ze een vriend, maar zelfs als hij bij haar overnachtte dan had zij ook die ene nachtmerrie, het werd bijna een obsessie voor haar.
De huisarts kon haar ook niet verder helpen en het enige dat over bleef was in therapie gaan.
Nerveus onderging Sam de hypnose sessies, maar uit niets bleek dat zij in haar jeugdjaren nare ervaringen had opgedaan, en ook niet dat ze via haar ouders enge verhalen had gehoord over oude kerkhoven en dergelijke.
Sam begreep er niets van, en ook haar vriend, kon haar niet helpen.
Op een dag wilde de therapeut haar een voorstel doen, een voorstel, waar Sam best van schrok, daar had ze wel eens over horen vertellen, maar nog nooit had zij er aan gedacht dat zoiets kon bestaan.

Toch stemde zij in met de sessie.

Ze zou begeleid worden naar een vorig leven op aarde.
Ze gleed langzaam weg in een hypnotische slaap, en drong door tot haar onderbewustzijn. Hier begon de reis, op weg naar een ver verleden waarvan Sam nog nooit het vermoeden had gehad dat dit bestond.
Ze liep plots langs een oud langweggetje, de weg was zompig nat, en het was nacht.
Een zeer donkere regenachtige nacht, hoewel de maan af en toe langs de donkere boomtakken gleed, en haar pad verlichtte.
Haar lange natte haren bleven af en toe haken achter takken, en ze streek ze verwoed uit haar gezicht. Ze was op de vlucht voor iets of iemand, ze liep angstig voort, langs de donkere paden, door het donkere woud.
Haar hart bonste in haar borst, haar adem raspte hijgend, en af en toe struikelde ze over een boomstronk voor haar voeten, of gleed ze weg in een zachte modderpoel.
Ze hoorde de paarden komen, eerst in de verte maar steeds dichterbij, oh ja steeds dichterbij, hijgend rende ze voort, voor wat, ja….ze wist het plots weer, ze rende voor haar leven!

Soraday!!!!! Zijn zware stem riep haar, woedend, hij riep haar, was zo dichtbij, het was te laat, ze wist het, te laat voor haar.
Hij was dichtbij haar, met zijn paard.
Ze hoorde het dier snuiven dichtbij haar oor, en de ademwolk van het dier zag ze voor haar ogen, een hand greep haar bij haar lange zwarte lokken en trok haar omhoog op het paard.
Huilend sloeg ze tegen zijn borst, laat me gaan! Ik heb niets misdaan! Niets….laat me gaan, de tranen rolden over haar gezicht, maar zijn gelaat was stil en van haat vertrokken.
De ijzige koude die ze voelde uitstralen van zijn verharde hart, deed haar beseffen dat het zinloos was, ze was verloren.
Ze werd meegesleurd op de rug van het paard, liggend op haar buik voor hem. Het had geen zin om tegen hem in te gaan, hij zou haar straffen en hoe!
Die nacht verbleef ze in een onderaardse kelder van het kasteel. In het donker, verlaten en alleen, de ratten snuffelden aan haar rokken, en ze sloeg ze gillend bij haar vandaan.
Ze kon niets meer doen, ze had gefaald als vrouwe van dit kasteel. Hij had haar nooit liefgehad, zij hem ook niet.
Het leven had hen samengebracht door hun ouders, het land dat naast elkaar lag, en zij uitgehuwelijkt werden door de beslissende stem van beide ouderpartijen. Hij had vele vrouwen gehad, en zij was eenzaam en alleen, en helaas werd ze verliefd. Zo verliefd op hem dat zij uit eenzaamheid niets anders kon dan erin meegaan. Ook al wist ze dat dit gevolgen kon hebben voor hem en haar leven.

En nu had hij het ontdekt, en nu zou hij haar straffen!
Oh ja morgen, dan ….huilend zat ze daar ineengedoken in een hoek in een nachtzwarte kelder.
De volgende dag regende het nog steeds, maar zij Soraday liet niets zien van verdriet op haar gezicht, helemaal niets.
Ze huilde niet, ze keek niet bang, maar eerder trots, met opgeheven hoofd betrad zij houten schavot en daar stond ze.
Prachtig als altijd, trots en bekend als een van de mooiste vrouwen in de omgeving. Haar groen fluwelen jurk contrasteerde prachtig met haar lange zwarte haren en haar groene ogen. Die nu zo onnatuurlijk fel stonden, en zo trots en ongenaakbaar hard.
Hij keek haar kant op en zag haar staan, het hart bonkte hem tegen zijn ribben, ze was zo mooi, en toch. Ze pasten vanaf het begin al niet bij elkaar, hij wist dat en zij wist dat maar, nu zij met een ander….
Nee dat kon hij niet door zijn vingers zien, dit tastte zijn eer aan, hij was de kasteel heer.
Een beetje spijtig keek hij naar het tafereel voor zich, hoe zij hautain de strop om haar keel vastpakte, en hem nog eenmaal aan keek.
Onnatuurlijke ogen, zo fel en zo, ze drongen door tot in zijn ziel.
Even later was het voorbij, en hing haar mooie lichaam te bungelen levenloos, haar haren vochtig langs haar groene fluwelen jurk, hij draaide zich triest af, waarom?
Waarom had zij dit gedaan? Verder dacht hij er niet over na, hij had meer te doen.

Bij het schavot kwam die nacht een jongeman, hij was gemarteld die dag, vele zweepslagen hadden zijn rug bereikt, zijn botten deden pijn en zijn hart was loodzwaar, hij tilde haar op, trok het touw met veel pijn van haar hals.
En nam haar lichaam mee. Ver weg van de plek des onheil.
Soraday werd begraven op een plek achteraf op het kerkhof, met een engel die haar graf bewaakte.
In het bos, diep in het grote bos, lag de begraafplaats, en hij kwam er nog geregeld, hij zou haar nooit vergeten.
En bij haar graf groef hij in de grond, en verstopte daar iets.
Iets dat niemand ooit zou vinden….!

Sam werd plots wakker uit de hypnose.
Verschrikt en versufd.
Eindelijk begreep ze het, eindelijk!
Vanaf die nacht had zij nooit meer nachtmerries!
Ze herkende het verhaal uit de regressie zeer goed, de regen, het nachtelijk zweten, het haar dat in de war raakte.
En die vriend, die vriend was haar vriend in het nu.
Dat moest wel, ze hadden een intense band samen die dieper ging dan wat dan ook en wat ze ooit had meegemaakt in dit leven.

Ze besloten te gaan trouwen. Ze kenden elkaar inmiddels drie jaren en woonden al een tijd samen. De huwelijksreis ging naar Engeland.
In een prachtig oud hotel verbleven zij twee weken. Twee mooie weken, en beiden genoten van het Engelse landschap, ze wilden beiden graag Engeland bezoeken.
Het vreemde was dat Sam de nachtmerrie plots weer kreeg, en vaker dan ooit tevoren zelfs.
Ze probeerde het weg te drukken en sprak er maar niet over.
Dagelijks gingen ze op pad en wandelden uren langs de weiden en bossen. En ze genoten. Op een dag echter, zag Sam iets bekends aan de omgeving, ze liep langs een oud pad, overwoekerd met onkruid en struiken, haar kersverse man riep haar terug, maar ze hoorde hem niet meer, iets trok haar die kant op.
Ze liep. Hijgend langs de paden, een oud pad, dat nergens toe leek te leiden, toch wist ze het, ze wist het!
Uiteindelijk kwam ze aan op een oude begraafplaats, haar vriend kwam hijgend achter haar aan en ook hij bleef verbaast staan.
De lupinen bloeiden daar overal, langs grafzerken bedekt met ranken klimop, en oude omgewaaide boomstronken, oude boomstammen, met op hun wortels, paddestoelen, in allerlei soorten en kleur.
De vlinders dartelden over het kerkhof dat vervallen stenen liet zien en afgebrokkelde zuilen en beelden.
Het leek of er hier eeuwen geen mensen meer geweest waren.
Sam keek haar ogen uit, prachtig de sfeer hier op dat oude kerkhof.
Ze nam haar man bij de hand en zei, dit is vast het kerkhof van toen. Kom we gaan zoeken.
En samen liepen ze zoekend rond, en plots wist hij het weer, daarachter, er stond een oude muur in het midden van het oude kerkhof, en daarachter…daar hij liep en trok haar mee.
Samen zagen zij hoe er in een hoek een beeld stond van een marmeren engel, een vleugel stak nog trots in de lucht en de andere was half afgebroken, daar…
Samen liepen vol respect naar het graf, overwoekerd met bladeren, en stille trotse lupinen in allerlei tinten.
Sam bukte neer en veegde wat bladeren weg van het oude graf, de tranen stonden in haar ogen, daar stond het:

Soraday De Servier
14 mei 1503

Langzaam knielde haar man naast haar neer, en begon hij te graven aan de zijkant van het graf, op de grond, de droge grond dit keer.
Hij groef diep, zijn nagels onder het zand, het zand van eeuwen oud.
En daar vond hij het een klein zakje.
Hij pakte het zakje en keek Sam betekenis vol aan.
Kijk dit is het!
Ik wist het, Sam keek hem liefdevol aan, dit was het bewijs dat hij de man was uit dat vorige leven, de man waarvoor zij gestorven was.
Uit liefde voor hem, de man die haar nooit vergeten was…

Hij opende het zakje en vol verbazing keken beiden naar een schitterende smaragd, groen, en in de vorm van een hart.

Ze vielen elkaar in de armen. Ook al wisten zij niet, waarom hij dit daar begraven had ooit in een vorig bestaan, hoe hij er aan gekomen was, maar wel dat het tekenend was voor hun liefde voor elkaar.
En dat was het belangrijkste, liefde gaat niet voorbij na de dood.
Want liefde is.
~*~
Prachtig, verzucht ik naar mijn geest.
Hij glimlacht en ik voel een koude kus op mijn wang.
En hij vertrekt weer, maar laat de deur open staan, de koude van buiten trekt naar binnen toe.
Ik sta op om de deur te sluiten

AngelWings

1173453796_5_kvNp.jpeg

Laila

 

De wind waait om het huis, de regen slaat tegen de ramen, het is donker buiten.

Een koude windvlaag en ik weet, hij is weer gekomen. Mijn vertel geest, met zijn bijzondere verhalen.

Ik zucht even, maar voel een liefdevolle streling over mijn rechterwang.

Ik fluister, hallo, je bent er weer?

Ja zegt hij ditmaal met een mooi verhaal.

Loopt het goed af? vraag ik. Schrijf maar, zegt hij…

En ik schrijf….

~*~

Op het zolderkamertje, zit Laila alleen, achter haar computer. Het is al laat.

Ze heeft net wat administratie gedaan voor haar man.
Ze moet wel, hij doet het niet, hij ontvangt alleen maar en zij lijkt wel zijn slavin.

Ze is zijn slavin!

Te jong getrouwd, het moest van haar ouders, ze ging speciaal naar Nederland, om met hem te trouwen. Ze kende hem niet, maar hij was heel erg rijk, zeiden haar ouders.

Vermoeid wreef ze over haar ogen, het enige dat zij deed was de hele dag het grote huis schoonhouden, wat niet meeviel, omdat zijn eisen erg hoog waren.

Als ze iets verkeerds deed kreeg ze een klap of een duw, en soms nog erger dan dat.

Dat hield haar in het gareel. Zo hoorde dat in haar thuisland, maar toen ze ging trouwen met deze man, die toch wel erg modern zou moeten zijn, had Laila nooit verwacht dat hij zo ouderwets was.

Gelukkig had ze nog geen kindje van hem gekregen, dat zou ze er niet bij kunnen verdragen, ze had al genoeg ellende en om haar kind dan ook nog te zien lijden?

Laila kende gelukkig enkele middeltjes uit haar thuisland, doorgegeven van grootmoeder tot moeder en dochter.

Nee, een kind van deze man, liever niet.

Hier op zolder voelde ze zich nog wel veilig, hier kwam hij niet graag.

Tenzij hij dat wilde van haar, dan wist hij haar overal te vinden.

Liefde kende ze niet. Nooit gehad en nooit ondervonden. Het leven was hard voor haar en saai. Ze zag niemand, had geen vrienden of familie om haar heen.

Als hij bezoek kreeg mocht ze er nooit bij zijn.

Hij was vreselijk bezitterig en andere mannen mochten haar niet zien.

Hij kon niet verdragen dat zij zich aan haar verlekkerden, dus zat ze in de keuken aan de keukentafel, of op de zolder achter haar pc.

Gisteren had hij haar weer genomen, zonder enig gevoel, ze was enkel zijn speelpop, ze lag dan heel passief onder hem tot hij kwam. Dan draaide hij zich van haar af en viel in slaap.

Vaak sliep ze heel slecht, hij snurkte nogal.

Ze was een bijzonder mooie vrouw, met gitzwarte lange glanzende haren. En amandelvormige lichtbruine ogen.

Ze was klein, en tenger, ze leek wel een sprookjesprinses zonder prins in haar leven.

Laila ging maar naar beneden, hij zou inmiddels wel in slaap zijn, het was al heel erg laat namelijk, en dan hoefde zij niet weer….

Zachtjes liep zij de trap af, en wilde naar de slaapkamer gaan, maar hij kwam net de douche uit. Met zijn handdoek om zijn schouders stond hij daar naakt en dampend voor haar.

Hij glimlachte naar haar, net op tijd…zei hij.

Hij pakte haar bij haar arm en trok haar tegen zijn behaarde borst.

Laila wilde dit niet langer ze duwde hem van haar af.

NEE riep ze uit, nu niet. Ik wil niet!

De klap kwam hard aan, haar wang zwol op en gloeide. Hij pakte haar bij haar keel en duwde haar voor zich uit, de slaapkamer in, op het bed en hij rukte wild haar kleding van haar af.

Ze sloeg hem terug, en weer sloeg hij haar, versuft liet ze het maar gebeuren allemaal.

Het had immers toch geen zin.

Midden in de nacht zat ze daar, huilend op de zolderkamer weg van die nare man. Alleen in het duister, alleen de pc gaf nog wat licht in het kamertje.

Haar ogen waren gezwollen evenzo haar gezicht.

Ze was zo moe van alles. Ze wilde zo niet verder meer…ze kon het ook niet!

Radeloos was ze, waar moest ze naartoe? Ze had geen keus, ze moest wel bij hem blijven, hij had haar paspoort in bezit,die zou ze nooit krijgen.
Hij was haar baas, zij zijn slavin.

En terug naar haar ouders kon ze nooit meer,als ze bij hem weg ging.

Met betraande ogen keek ze naar het beeldscherm, zag ze dat nu goed?

Op het beeldscherm zag ze het gezicht van een mooie man, hij glimlachte naar haar.

Laila wreef haar ogen uit, hoe kon dit nu?

Was er iets mis met haar?

Ze wreef zich nogmaals in haar ogen en keek weer, en ja heel wazig maar toch, zag ze daar een man in het beeldscherm verschijnen, hij werd steeds duidelijker.

Ze werd vast gek!

Ze slikte hoorbaar, wat is dit, mompelde ze.

Ik ben het, Laila! Zei hij zacht, alsof hij door een trechter sprak. Ik ben het, je prins.

Kom Laila kom bij mij!

Hij stak zijn hand uit naar haar, en zelfs door het beeldscherm heen, kwam de hand.

Laila keek aarzelend naar de hand, bang was zij niet. Nee totaal niet zelfs, dit was toch wat zij wilde?

Weg van hier?

Ze raakte de hand aan, en deze voelde warm en echt.

De man glimlachte in de pc,….kom bij mij Laila!

Kom!

Wie ben je dan? Hoe kan dit? Vroeg ze hem verbaast. Ik kom van Xantilowe, een planeet ver weg van jullie melkwegstelsel, wij hebben elkaar al eens eerder ontmoet in vorige levens Laila!

Ik volg je al een tijdje, ik vind het zo erg je te zien lijden, dit heb je niet verdiend!

Jij niet, je hebt zulke goede dingen gedaan altijd voor mensen en dieren in vorige levens.

Ik heb besloten je mee te nemen naar mijn planeet, maar dat kan alleen als je mij ook wilt.

Als je mij weer herkennen kunt, in je hart en je gevoel!

Kom probeer het je te herinneren.

Laila was in de war, ze herkende zijn gezicht wel, maar niet vanuit het nu, wel vanuit dromen bv, ja dat wel.

Vorige levens? Wat klonk dat vaag en vreemd, daarvan had ze wel eens gehoord en andere planeten>?
Bestonden die dan, kon je daar ook leven zoals op aarde?

Maar dan zie ik mijn ouders nooit meer terug, zei Laila.

Lieverd ik verzeker je als je bij deze man blijft jij je ouders ook nooit meer zult zien in dit leven, want dan leef je niet zo lang meer nml.

Kom met me mee, ik kan het kanaal niet te lang openhouden voor je.

Ik heb flink wat elexitrons bij elkaar gebracht om de tijdstunnel te creeeren.

Kom Laila!

Kom nu voor het te laat is smeekte hij.

Laila stak aarzelend haar hand weer uit naar de zijne en het voelde goed en vertrouwd, ja ik ga met je mee!

Glimlachend voelde ze hoe de wind langs haar huid streelde, hoe ze opgenomen werd in een draaikolk van liefde..

Op de zolderkamer stond een pc de hele nacht nog aan, toen de man de volgende morgen kwam kijken, zag hij een blue screen en een druppel bloed naast het toetsenbord.

Laila heeft hij nooit meer gezien.

AngelWings

Zeemeermin

Zeemeermin
Photobucket
De kaars flakkert in het donker, ik voelde hoe de deur langzaam openging, en ik wist na lange tijd, was hij er weer. Hij die mij altijd komt vertellen over verhalen uit de duisternis.

”Ben je er weer?” vroeg ik hem.

Een vlugge streling over mijn gezicht was zijn antwoord.

~*~

Golven sloegen keihard tegen de kade, water vloog over de straat, Erzebeth was drijfnat, haar kleding, haar haren, triest keek ze uit over de zee. Zoute tranen vermengden zich met het zeewater dat haar overvallen had, daar op de kade.

Ze rilde van de kou. Wat moest ze nu doen?

Ze keek uit over het strand, vochtig rul zand dat in het schemerdonker zich voor haar uitstrekte tot aan een horizon, ergens ver weg en niet langer zichtbaar door de storm die tekeer ging. Heel ver weg lag iets op het strand, Erzebeth keek, maar kon niet goed zien wat het was, het bewoog, dat zag ze wel. De regen sloeg keihard in haar gezicht, pijnlijk, sneden ze striemend hun geseling op haar zachte huid.

Ze besloot te gaan kijken, je wist maar nooit nml.

Langzaam liep ze naar hetgeen toe dat daar lag, op het strand. Ze had de tijd immers?

Maar toen ze zag dat het een menselijke gestalte had, liep ze sneller. Wat was daar aan de hand?

Haar adem stokte haar in haar keel toen ze zag, wat het was.

Het was een zeemeermin, een prachtig wezen met lang golvend, vochtig haar, zo goudkleurig als zij nog nooit had gezien. De lippen snakten naar, naar, niet naar lucht, ze was een zeemeermin immers? Net als een vis op het droge lag dit prachtige wezen op het strand.

Erzebeth wist niet wat ze moest doen, ze tilde het hoofd op van het mooie wezen voor haar, op haar knieën lag zij bij haar, en de prachtige zeegroene ogen sloegen zich angstig naar haar op. Help mij, fluisterde de zeemeermin.

Oh ja wat kan ik doen voor u, zei Erzebeth snel.

Sleep mij het water in, voordat ik stik, help mij. De zeemeermin greep haar handen, ijzig koud waren haar handen, wit als marmer, en zo slank, en ook zo zacht, glad als, ja, zoals een vis. Erzebeth nam de beide handen vast, stond op. En zo goed en kwaad als het ging, sleepte ze het wezen terug naar de zee. De zeemeermin woog niet weinig, hijgend en puffend sleept ze haar langzaam terug naar de zeelijn. En eindelijk toen de zeemeermin het water had bereikt, sloeg ze haar staart keihard in het water, spetterend draaide ze om en om, Erzebeth werd een beetje bang van dit plotse wilde gedrag en liep snel opzij.

Opeens hoorde ze een prachtig geluid een geluid zo zij nog nooit had gehoord!

Prachtig klonk het een hoog geluid als een sirene, maar toch ook zoals engelen zouden zingen, zoiets kon ze zich voorstellen nml bij de zang van engelen.

Ze keek om en zag hoe de zeemeermin gelukzalig zong, blij uit volle borsten, want kleren droeg zij nml niet. Ze had wel hele mooie borsten, vond Erzebeth, een beetje jaloers.

Nou dan ga ik maar hoor, dag, riep ze naar de zeemeermin.

En ze wilde vertrekken, wacht riep de zeemeermin.

Wacht je hebt mij gered, nu kan ik iets voor jou terug doen misschien?

Pff ja wat, eh? Erzebeth dacht na, ze kende die verhalen wel nml, je mocht een wens doen en dan kwam er iets heel anders van terecht. Ze was niet achterlijk.

Ze dacht goed na, wat kunt u dan voor mij doen? Vroeg ze argwanend, kijk sprookjes zijn leuk maar, een grote woning was ook leuk, maar was dat haalbaar?

Hoe verklaarde ze dit aan de belastingdienst? Ik heb een huis gekregen van een zeemeermin?

Nee dat ging niks worden dat begreep ze wel.

Laat maar, zei Erzebeth, ik geloof daar niet zo in hoor, en ze wilde al vertrekken. De zeemeermin barste in lachen uit, een hoogst vrouwelijk lachje dat was het zeker.

Jij redt een zeemeermin en gelooft niet in sprookjes? Maar goed, weet je ik kan ook niet zoveel doen, maar wel iets. Mijn overgrootmoeder kon echt toveren maar ik ben er niet goed in, niet in materiele dingen bv. Maar wel in andere dingen.

Zoals? vroeg Erzebeth.

Heb je een probleem misschien ergens mee? De zeemeermin kauwde inmiddels op een stuk zeewier, en keek nadenkend naar Erzebeth.

Je bent verdrietig, ik kan dat zien in jou, zei ze nadenkend. Ze knikte met haar mooie hoofdje en peuterde wat met het zeewier tussen haar tanden.

Klopt, zei Erzebeth. Klopt, ik heb iets heel doms gedaan.

Wat voor doms, heb je gedaan menswezen, vroeg de zeemeermin glimlachend.

Nou morgen,… is het Valentijnsdag en ik heb een kaart gestuurd, naar iemand, maar ik denk niet dat diegene dat leuk vindt.

De zeemeermin lachte, waarom zou iemand dat niet leuk vinden, het is toch anoniem?

Een kaart is toch altijd leuk?

Mischien wel, misschien ook niet, ik zou wel graag willen weten of het zo is.

Ok zei de zeemeermin, dan zal dat het zijn.

Daag en ze verdween binnen no time weer in de golven.

Ja maar, zei Erzebeth, maar in de verte zwaaide de zeemeermin nog eenmaal met haar staart en dat was het dan.

Verbaast wandelde Erzebeth naar haar huis, inmiddels was het al bijna donker, en thuisgekomen nam ze een warm bad met veel bubbels.

Wat zij toch had meegemaakt zeg, dat kon ze aan niemand vertellen.

Wie zou haar nu geloven? Ze zouden haar voor gek verklaren immers. Nee, ze zou dit nooit aan iemand vertellen. En wat bedoelde de zeemeermin nou met dan zal het zo gebeuren.

Erzebeth had geen idee. En ze kon ook niet goed toveren, had ze gezegd immers?

Die nacht droomde Erzebeth gruwelijke dromen over zeemeerminnen en messen in haar voeten en de prijs die ze moest betalen voor de hulp van de zeemeermin, ze werd die ochtend angstig wakker.

Wat zou er gaan gebeuren die dag?

Ze zou weten wat hij zou voelen als hij haar kaart kreeg, en dan?

Wat dan?

Erzebeth nam een kop koffie om flink wakker te worden, en las de krant.

Zenuwachtig wachtend, wachte ze, op wat eigenlijk? Ze wist het niet.

Ze was zo moe door de slechte nachtrust die zij had gehad, dat ze even op de bank ging liggen, maar zodra ze lag, zag ze allerlei vreemde beelden, ze voelde, alles, van iemand anders. Ze zag zijn kamer, ze zag hoe zijn hand een kop koffie inschonk en de brievenbus, de post die kwam. Ze zag hoe hij naar de deur liep met een glimlach, stille hoop, op wat?

Drie kaarten lagen er op de grond, drie kaarten waaronder die van haar.

Hij pakte de kaarten op, glimlachend liep hij langzaam terug, nadenkend.

Hij legde de kaarten voor zich op tafel. Eén kaart opende hij, en glimlachend met een warm gevoel in zijn hart, voelde ze hem overstromen van verliefdheid.

Het was niet haar kaart. Wanhopig voelde zij zich worden. Misschien?

Hij opende de tweede kaart, weer glimlachend voelde ze stille hoop in hem.

En de derde kaart was haar kaart, hij opende de kaart, en ze voelde kilheid in hem, geen emotie zelfs?

Niets helemaal niets, voor haar.

Hij gooide de kaart in de prullebak. De andere twee zette hij netjes op zijn schoorsteenmantel.

Verdriet overmande haar hart, diepbedroefd was zij, het leek of haar hart verscheurd werd.

Had ze nou maar geen kaart verzonden!

Ze wist toch dat hij haar niet goed begreep immers?

Op de bank ontwaakte zij uit haar dromen. De tranen welden op in haar ogen.

Ze ging zitten en sloeg de handen voor haar ogen, de tranen vielen over haar gezicht.

Diepbedroefd stond ze op, maar verbaast en met een kreet van pijn viel ze weer op de bank.

Wat was er aan de hand?

Pijn in haar voeten, intense pijn alsof ze in messen ging staan!?

Ze kon niet meer lopen! Versufd van de pijn, probeerde ze toch te gaan staan, en met veel pijn en moeite lukte dit haar.

Ze hield zich vast aan de muren en strompelde naar de gang, trok haar jas aan en liep strompelend naar beneden, de weg op, richting zee.

Wat had die domme zeemeermin nou gedaan?

Ze had zo’n vreselijke pijn! Het was zo intens pijnlijk de tranen stroomden over haar gezicht.

Eindelijk kwam ze aan bij het strand, daar bij de zee, waar zij de zeemeermin had gevonden, kwam zij aan, jankend, inmiddels, zo pijnlijk waren haar voeten.

Ze kroop over het strand, er was niemand, niemand die haar zag op dat eenzame verlaten strand. Maar zij moest de zeemeermin spreken. Ze moest!

Wat was er gebeurd, een foutje tijdens de wens die zij had gehad?

Iets was er fout gegaan dat was wel zeker!

Er was zoveel fout gegaan, de kaart, en hij, waarom hield ze van hem? Hij niet van haar dat was wel duidelijk. Ze ging kapot aan alle pijn die zij ondervond, zowel innerlijk als lichamelijk. Ze schreeuwde daar op het strand en hapte naar adem, als een vis op het droge, net als, net als….NET ALS DIE ZEEMEERMIN!!!!!!!

Angstig keek ze naar haar voeten, ze trok haar schoenen uit het bloed gutste er uit!

Haar voeten leken wel doorstoken met messen, helemaal kapot, en bloedend als een rund lag zij daar op dat strand.

Niemand die haar zag, daar zo op dat strand dat zo verlaten was.

Of toch? In de verte in de zee kwam iets aanzwemmen, en het was inderdaad de zeemeermin, Godzijdank mompelde Erzebeth huilend. Eindelijk ze komt.

De zeemeermin kroop het strand op, een klein stukje maar, haar staart hing nog in het water, anders kon ze niet overleven op het droge nml.

Glimlachend keek ze naar Erzebeth, het valt niet mee hé die menselijke liefde van jullie.

Ik heb meegevoeld met jou, ik weet het nu. Je liefde is niet wederzijds. Maar je hart is zo goed, dat wij jou opnemen in onze groep.

Eh hoe bedoel je, mompelde Erzebeth in paniek. Welke groep?

Onze zeegroep en geloof me je zult het enig vinden bij ons.

Lust je zeewier? Gul gooide de zeemeermin haar een streng toe. Erzebeth keek er naar en rook de zilte geur die opsteeg uit de streng. Hm niet echt geloof ik hoor.

En hoezo in je zeegroep, ken veel groepen maar eh die nog niet geloof ik.

Kijk naar je voeten, riep de zeemeermin.

Erzebeth keek naar haar voeten, tot haar afgrijzen had ze geen voeten meer maar een staart, een flinke ook, zilverachtige glinsterend lag daar onder haar bips een flinke zeemeerminnen staart.

Kom riep de zeemeermin haar toe, kom we gaan zwemmen.

En opeens had Erzebeth enorm zin om te gaan zwemmen, en ook een enorme honger in zeewier.

Ze nam een hap en kroop naar de zeelijn, daar waar het water klotsend haar borsten bereikte, hm dat voelde wel fijn zeg.

Ze gleed het water in en zwom op weg naar nieuwe horizonten.

Valentijn, kijk maar uit met wat je wenst want…eh

Of ga gewoon niet langs de zee, mompel ik voor mij uit.

De kaars waait uit, de deur slaat dicht en weg is hij weer, mij achterlatend met dingen om diep over na te denken.

Heel diep.
Photobucket
Geschreven door AngelWings

Het droombed

Photobucket

De deur gaat open, niemand is daar, ik weet hij is er weer.
Mijn verteller vanuit duistere regionen…
Een regendruppel van buiten spat uiteen op mijn bureau, mijn nekharen gaan overeind.
‘Rustig maar’, lacht hij, fluisterend in mijn oor.

~*~

Sanoia was op zoek naar een ander bed en op een warme mooie zomerse dag, trok zij richting Antwerpen. Kuierend over de markt, zocht zij naar iets ouds, iets bijzonders. Iets dat bijna niet meer gemaakt werd, oud en mooi, moest het voor haar zijn. En uiteindelijk toen de middag bijna ten einde was, zag ze het bed van haar dromen. Verlaten stond het achter een kraam, waar allerlei antiek aangeboden werd.
Een prachtig roomwit bed, van ijzer, prachtig bewerkt met jugendstil lelies, prachtig uitgewerkt in een punt uitlopend met een kleine krul in een prachtige kolibrie.
Een zachtgroene zweem over het roomwit maakte het geheel totaal af. Totaal perfect voor Sonaia. “Hoeveel vraagt u ervoor”, vroeg ze aan de handelaar.
Verbaast wreef hij over pet, ‘Ik wist niet eens dat dit bed hier stond meidje’.
“Peer”? Wat vragen we voor dat bed daar, hij wees naar achteren, waar het bed leek te glanzen in de zomerzon. De medehandelaar, keek om en was evenzo verbaast als de ander.
’Geen idee, Jos’. ’Mooi prijsje maken we ervan dame’, zei de oudere handelaar vriendelijk. Sonaia knikte hoopvol. ‘Ja, doet u dat maar, graag zelfs’! Glimlachend keek ze hem aan, en hij noemde een redelijk bedrag.
“Prima”, riep zij uit. Het bed was van haar! WAUW..ze was zo blij!
Even later reed ze terug, met haar autootje richting huis, de kofferbak hing half open, want het bed paste natuurlijk niet helemaal in haar autootje.
In de tuin sproeide ze het bed schoon met de tuinslang en waste alles nog netjes na met een doekje met sop. Nog even een uurtje drogen in de avondzon en dan zou zij dit prachtige bed in elkaar zetten op haar kamer. Ze opende een flesje wijn, en zette dit op een dienblaadje en plaatste het alvast in haar slaapkamer. Straks zou ze wel een tijdje bezig zijn met het in elkaar zetten van het bed, want elk stukje versierd ijzerwerk bleek in kleine stukjes in elkaar gezet te moeten worden. Er zat zelfs nog meer bij dan ze had durven dromen, kleine parelmoeren puntige doppen op elke hoek van het bed, en een opklapbaar hemelbed, welke verborgen lag in de bedbodem. Ze had er meteen maar wat doorzichtige licht rose stof bij gekocht die ze om het hemel zou knopen.
De ramen waren open ivm het warme zomerweer, en zij zette een muziekje op en begon aan het karweitje. Een glaasje wijn schonk ze erbij. Heerlijk genieten, zo dacht ze.
Twee uurtjes later was de fles halfleeg en was het bed klaar, het leek een sprookje zo mooi.
De warmte van de afgelopen dag kroop door het raam, de slaapkamer in en Sonaia ging op het bed liggen….dromerig staarde ze naar het prachtige bed. Heerlijk…zoiets prachtigs in je bezit te hebben, dacht zij. Haar oogleden vielen langzaam toe.

Midden in de nacht schrok ze wakker, iemand streelde haar wang,..ze keek naast zich in het halfdonker, het ganglicht brande nog.
En ze zag een gezicht van een knappe man, een man die ze kende, maar nog nooit had gezien.
Hij glimlachte vriendelijk tegen haar, ‘dag lieverd, dat is lang geleden’’.
Eh,… hoe bedoel je, stamelde ze. Hij pakte haar schouder vast en trok haar naar zich toe, en kuste haar lippen. Oh ja, dit kende ze toch als vanouds maar, ze had geen flauw idee wie hij was, maar bang was zij allerminst. Ongelooflijk hoe hij haar kon kussen, heerlijk.
De hartstocht laaide in haar op, oh lieveling, fluisterde hij zacht. Ze zoende hem terug, wild en vol verlangen, dit had ze zo lang gemist, maar hoe dan? Dit kon toch helemaal niet?
Zijn oogwimpers, lagen op zijn wangen, prachtige lange wimpers, en zijn wenkbrauwen mannelijk, stoer zo…zo..ze streelde met een vinger langs zijn wenkbrauwen en toen langs de neusbrug. Oh, zei ze, oh…ze was verward. Hoe kon dit nou was hij door het raam…hij legde zijn vinger op haar lippen en suste haar, sssssssssjj…..kom liefste je kent me. Je kent me echt…geloof me. Maar wie dan? Mompelde Sonia..wie?
Hij legde weer zijn vinger aan haar lippen, geen vragen, Sonia, het is volle maan vannacht kijk maar, en hij wees door het zachtrose gordijn naar het raam, vanwaaruit de maan volop scheen. Haar hart bonkte in haar lijf, dit kan niet, riep ze uit, wie ben je toch?
Je kent me toch? Luister naar je hart liefste, dan weet je wie ik ben!
Zei hij zacht in haar haren, waarvan hij de geur opsnoof.
Maar..maarr….en ineens was ze stil en luisterde ze naar haar hart, dat wist dat er soms dingen gebeuren die niet verklaarbaar zijn voor het verstand.
Dingen waar je nooit een antwoord op zou kunnen krijgen in het leven, misschien pas na de dood?
Ze wist het niet, waar zij in moest geloven maar dit voelde zo vreselijk vertrouwd aan?
Ze begreep er werkelijk niets van.
Maar wat deed het er toe eigenlijk? Haar hart vertelde haar een waarheid en daar moest ze naar luisteren, dat was alles wat zij wist. Anders kon zij niet, hem wegsturen? Geen denken aan zeg. Nee, ze kon iets missen misschien? Iets waarvan ze nog niet wist wat dat kon zijn?
Ze keek naar het hoofdeind van het bed achter haar. De kolibri leek te fladderen, het was gezichtsbedrog en wie weet was hij dat ook wel. Ze keek naar zijn donkere doordringende ogen, en rook zijn mannelijke geur. Een haar zo bekende geur, zo bekend maar waarvan ook alweer, ze wist het niet, het leek of het op het puntje van haar tong lag en toch!
Hij nam haar hand in de zijne en het voelde toch zo goed!
Zo vreselijk goed gewoon, maar waarom?
Wie ben je toch vroeg ze aan hem…wie?
Je herkend me toch wel? Ze knikte van ja. Ja dat wist ik wel liefste!
Ik hou van je eeuwen lang hou ik al van jou.
Dat weet je en dat voel je ook, altijd weet je dat onbewust ik van jou hou!
Altijd zal ik van jou blijven houden, want wij zijn verbonden eeuwen lang, horen wij al bij elkaar.
Hij kuste haar zacht, zijn liefde was onvoorwaardelijk voor haar, dat voelde ze, en ze kuste hem terug…

De hele nacht waren zij samen, en na de hartstocht kwam het moment van romantiek, de wijn, de volle maan, de zomergeuren, de vroege vogels die floten bij het raam.
Het duivenpaar dat genesteld had in de boom nabij de woning, koerden.
Toen de zon opkwam, vroeg ze het hem nog eenmaal.
Eenmaal voor het te laat zou zijn.
Wie ben je?
Liefste, mompelde ze zacht.
Ik?
Ik ben je tweelingziel liefste, voor altijd de jouwe.
Maar hoe kom je hier en blijf je?
Nee, ik kan niet blijven maar ik miste je zo in hemelse sferen dat ik niet kon laten terug te keren bij jou, toen je ons oude bed kocht.
Ons oude bed? Vroeg Sonaia verward.
Ja het bed uit ons vorige leven, waarop wij onze liefde deelden samen, en jij onze kinderen baarde, dit bed!
Ik heb geleid naar dit bed, ik wist het!
Dat je het zou kopen, dat je het je zou herinneren onbewust!
Ons bed? Vroeg Sonaia nogmaals verbaast?
Ze schudde haar gouden haren naar achteren, ons bed,….
Verbaast keek ze hem weer aan, en deze nacht hoe kan het dat je?
Oh eenmalig nam ik deze beslissing liefste, in een volgend aards leven zullen we weer samen zijn, geloof me.
Hij kuste haar nog eenmaal op haar mond, en langzaam voelde ze de druk verdwijnen van haar lippen, hij loste langzaam op het opkomende zonlicht.
Ga niet weg, riep ze uit.
Ga niet…maar hij was al weg voor altijd, in dit leven althans.
Verloren bleef ze achter in het oude antieke bed.
Eenzaam en verloren.

25 jaar later ontmoette ze een jonge man, 23 jaar oud was hij, ze werden verliefd, en ze was wel veel ouder dan hij, maar dat deed niets af aan hun liefde voor elkaar.
Stapel gek waren ze, smoorverliefd!
En toen hij op een dag een oud antiek bed in de schuur vond, vroeg hij haar waar zij dat prachtige stuk antiek gekocht had.
Hij maakte het bed sterker en zette het op in hun slaapkamer.
Hij wist het niet, zij wel. Hij was speciaal teruggekomen voor haar, omdat hij zoveel van haar hield en met zijn nachtelijke terugkomen zoveel had losgemaakt in haar, dat hij eerder terug kwam in het leven dan bestemd was geweest.
Zoveel ze van elkaar hielden was onaards nml.
En zulke liefde maak je maar eenmaal mee in het leven.
En dan moet je dat koesteren….

©Angelwings

Dat krijg je er nu van!

Dat krijg je er nu van!

Ze waren al jaren samen, en waren gek met elkaar. Zij mocht hem graag wat plagen.

Hij was serieus en een goede tegenhanger voor haar kwikzilveren geest.

Soms baalde hij wel van haar plagerijen, want hij kon er niet zo goed mee om gaan. Maar hij vergaf haar alles, omdat hij van haar hield.

Van haar gulle lach, en mooie twinkelende ogen. En na verloop van jaren werd het plagen niets minder.

Ze bleef maar doorgaan, en soms leek ze net een kleine duivelin. De ene keer hing ze een emmer water boven de douchedeur.

Dan sprong ze keihard op zijn bed, terwijl hij nog diep in dromenland lag. Dan weer belde ze hem op met een verdraaide stem en wilde ze hem versieren.

Terwijl hij zo trouw was als een hond, en hij er nooit intrapte, gelukkig maar want wat zou ze dan verzinnen?

Ze haalde de gekste dingen met hem uit. Zo ook een keer dat ze hem vertelde dat ze zwanger was, en hij haar hoog op tilde in de lucht.

Waarna zij snikkend van het lachen opeens zei dat het niet waar was. Hij had de tranen in zijn ogen gehad.

Of toen ze zijn moeder, die zij niet zo graag mocht, zout in haar thee had gedaan, natuurlijk was dat zogenaamd per ongeluk, maar hij zag de twinkeling in haar ogen die hem al vertelde dat ze loog. of toen ze een kattendrol uit de kattenbak had geschept en in zijn moeders tasje had gestopt. Zogenaamd had de kat het gedaan, maar ook hier weer waren het de twinkeltjes in haar mooie ogen die hem vertelden dat ze het alweer met opzet had gedaan.

Zijn moeder had haar tasje meteen in de vuilnisbak gegooit. Die wilde ze nooit meer gebruiken nml.

Nee het viel niet mee, zo’n vrouwtje te hebben als hij had. Maar goed, ze was nu eenmaal zo en het zat in haar genen blijkbaar want haar grootmoeder kon er volgens december familie verhalen ook heel wat van.

Die had grootvader laten hemelen door hem midden in de nacht de stuipen op het lijf te jagen door een wit laken over haarzelf heen te hangen en hem keihard wakker te schreeuwen.

Hij was er helaas in gebleven.

En grootmoeder volgde al snel hierna, want er viel niets meer te plagen, dus vond ze er niets meer aan blijkbaar.

Op een dag trok hij zijn broek aan en had zij zijn broekspijpen dichtgenaaid, zijn andere broeken waren naar de stomerij dus had hij wel een uur nodig om alles weer los te tornen en kwam hij veels te laat op zijn werk, en leg dat maar eens uit aan je baas dat je zo’n vrouw hebt.

Natuurlijk lachte zijn baas er hartelijk om, en zijn collega’s ook.

Zo ook zijn beste kantoor maat die een ideetje had. Hij zei ik heb iets voor je. Echt bizar dingetje om te zien.

Ik zou haar eens flink terugpakken jongen dan weet ze wat ze je aan doet elke keer.

Uit zijn aktenkoffertje haalde hij een klein zwart harig dingetje.

kijk,…zei hij, hij klikte op het lijfje en daar waggelde het net echt lijkende spinnen geval heen, maar zei hij, kijk!

Hij plakte het ding op de muur en waarempel het spinnetje wandelde gewoon naar boven langs de muur.

Man dat is prachtig!

Nou hij mocht hem lenen! Voor zijn stoute vrouwtje.

Zo gezegd zo gedaan. Hij verkneukelde zich al, om te horen hoe zij zou reageren, want ze was doodsbang voor spinnen nml.

Maar die avond kwam er niets van, hij dacht er even niet aan, omdat ze hem opwachte in een lekker dun gevalletje en zij de hele avond doorbrachten in de slaapkamer, ja daar heb je geen spin bij nodig.

De volgende dag had hij ook geen tijd om het kleinnood uit te proberen, en de dag erna ook niet.

Hij was het al bijna weer vergeten.

Hij zat op zijn kantoor toen ze hem belde, haar auto was kapot, of ze zijn auto mocht lenen.

Prima geen probleem, ze moest nml een eind rijden die dag en zou de auto dus komen halen, zodat hij later met de bus terug naar huis kon gaan.

Ze stapte in de auto en reed een eind op weg, richting een andere stad. Ze klikte de radio aan, en begon te zingen.

Vol uit zong ze mee met muziek op de radio. Lachend keek ze om zich heen, wat was het een mooie dag.

De zon scheen en de lammeren liepen te dartelen in de wei achter hun wollige moeders aan.

Heerlijk voelde zij zich. Ze pakte een sigaretje uit haar jas zak en zocht naar een aansteker, die ze niet kon vinden.

Ze voelde in het dashboard en daar viel iets harigs op de grond, het begon te waggelen in de auto en ze schreeuwde het uit van schrik.

Aarghhhhhhhhh!!!!!!!

De auto maakte een flinke zwiepert en….

De telefoon ging op kantoor, of meneer de Zwart even naar de receptie wilde komen beneden, er waren agenten die hem wilden spreken.

Zenuwachtig stond hij voor hen, op de begane grond.

En hoorde het vreselijke nieuws aan. Zijn lieve ondeugende vrouwtje was verongelukt die dag.

Toen hij na een week de spullen uit de auto kon ophalen, zag hij het liggen, het harige kleine zwarte dingetje.

Vol afgrijzen keek hij er naar.

Dat krijg je er nu van….

Geschreven door AngelWings

Soulmates

Soulmates
Photobucket

De flakkerende kaars tovert spookachtige schaduwen op de muren van de donkere kamer, voorover gebogen ligt hij daar, met zijn hoofd op de tafel. Naast hem ligt de omgevallen fles Cognac, nadruppelend op het tafelkleed. Zijn profiel verfijnd, als uit marmer gesneden, de smalle lippen, de mannelijke kin, en krullende haren, waarvan een lok brutaal zijn hoge voorhoofd bedekt.

Zo vind zij hem die nacht, als alles donker is en stil. Minutenlang kijkt ze naar hem, zoals hij daar ligt zo heel onbevangen, nietsvermoedend, diep in slaap. Liefdevol streelt ze hem over zijn gelaat, hij slaat zijn ogen op naar haar en geschokt kijkt hij haar aan. In het duister ziet zij zijn duivelse ogen, glinsterend van genoegen, met een glimlach om zijn mond.

Slanke vingers grijpen haar polsen en trekken haar naar zich toe. Tegen zijn borstkas wordt zij getrokken. Hij buigt zijn hoofd naar haar toe en zoent zacht haar lippen. Ze proeft de cognac nog op zijn tong, het hart klopt onstuimig in haar borst. Haar ademhaling versnelt. Zijn ene hand streelt door haar lange krullende haren, en de andere haar rug. De laatste houtbokken in de haard vallen uiteen en de vonken verspreiden zich lichtend in de donkere kamer, gelijk dansende vuurvliegjes, op het Perzisch tapijt. Oranje schaduw verlicht hun gezicht, en zij ziet de lach om zijn mond, de blik in zijn ogen, intens, vurig, vlammend. En hij ziet haar ogen zoeken, naar een teken van liefde, hartstocht, mooie bijzondere ogen.

Haar lippen goedgevormd, lijken zo zacht, in het schemerdonker, haar hand op zijn wang, kust hij haar vingers liefdevol. Hij weet, zij weet, en toch weten zij niets.

Hij trekt haar op zijn schoot en omhelst haar innig, alsof hij bang is haar te verliezen, en zij liefkoost zijn hals. Teder, innig, verlaten zij zich op elkaar daar in die donkere kamer. Ze is zo mooi, denkt hij, zo prachtig. Zo onwerkelijk, en hij opent de veters van haar lijfje, langzaam opent hij de weg naar haar zachte boezem. In volle glorie, opent hun bestaan zich voor zijn ogen, schaduwen raken haar glooiing, alsof de liefkozend likkende vlammen, hun weg eerder banen dan zijn mond. Verrukt verdiept hij zich in haar borsten, en voelt de warme zachtheid. Verloren waant hij zich in een paradijs. Ze kreunt als zijn lippen haar aanraken, heel zachtjes, gelijk vlinders die dansen op haar huid. Ze gooit haar hoofd naar achteren, en haar dansende krullenpracht valt als een waterval over haar gekromde rug. Zoekend naar meer, likt hij vurig zijn weg naar meer van haar, want dat is wat hij wil. Haar totaal bezitten, hebben, van hem, zij is van hem!

Het dreunt door zijn hoofd,’’ Van mij! Van mij”. Zij trekt aan zijn zwarte blouse, opent knopen, en baant haar weg door zijn borsthaar, op zoek naar de warmte van zijn hartenklop. Zuchtend vinden beiden hun weg bij elkaar, verliezen zij zichzelf in een onstuimige liefde. Liggen zij neder voor de haard, waar de sintels nog oranje vlammetjes verspreiden als een tovertapijt over hun naakte lichamen. Intens verdiept in hun zoektocht naar elkander, bereiken zij het ultieme genot, zoals nog nooit voorheen. Zuchtend vallen zij naast elkaar neer elkaar omarmend, besloten wereld, even samen en niet alleen. Zweetdruppels ontdekken wegen, gelijk rivieren op de verhitte lichamen, en druppelen hun weg naar het dikke tapijt.

“Wat is je naam”, mompelt hij. “Charlotte”, fluisterd zij zacht. Oh zoete stem, gelijk een nachtegaal, glimlachend kijkt hij op haar neer. “En jouw naam?” vraagt ze.

“Jonathan”, zegt hij zacht, kijkend in haar wonderlijke ogen. Valt hij even later in een diepe slaap.

~*~

De fles cognac valt op de grond, als Jonathan met een arm over de tafel glijdt, met een schok wordt hij wakker. Wakker in een donkere kille kamer, het haardvuur is al gedoofd. Waar was zij? Vroeg hij zich verbaast af, wie was zij?

Was het een droom geweest? Hij wist het waarlijk niet meer. Het was Goddelijk geweest, zij was een Godin! Wie was zij, kreunend greep hij naar zijn voorhoofd, een snel opkomende hoofdpijn bonkte zijn weg, zonder uitgang te vinden.

Hij was in de war, het leek zo echt, zo echt!

Wie was zij die mooie vrouw, die hem had doen voelen wat echt was in deze wereld. Echte liefde. Hij moest haar vinden. Hij MOEST!

Hij zou haar zoeken al was het tot het einde der aarde, maar hij zou haar vinden.

~*~

In een landhuis, mijlen verderop, werd een jonge vrouw wakker in het holst van de nacht, wakker uit een vreemde droom. Met een prachtige man die haar liefkoosde, haar lief had. Nog nooit had zij een zo’n mooie man gezien. Nog nooit had iemand haar zo de adem ontnomen, als hij deed. Wie was deze man?

Wie was hij, ze wist alleen zijn naam, Jonathan, en meer niet.

Niets, wist zij, van hem en verdriet over viel haar opeens, alsof zij iets gemist had, al die jaren, er toch was geweest, al die tijd, misschien? Verloren jaren? Misschien bestond hij werkelijk? Misschien was hij wel echt?

Haar hart vertelde haar, dat het zo was, haar verstand zei van niet.

Hoe kon zij weten immers?

Hoe kan iemand weten, dat je tweelingziel ergens is, daar buiten in de nacht, als alles stil is buiten, en de wereld van de nacht, de wereld van het onderbewustzijn, antwoorden brengt die het daglicht nooit kan geven. Hoe kan men weten, dat er in dromen alles mogelijk is wat het hart verlangen kan en nodig heeft en weet.

Hoe kan men het vinden?

Als men weet en het toch niet echt is.

Hoe kan men weten.

In de zoektocht in het leven zoeken wij allen naar een soulmate, gelijkwaardigheid, versmelting en liefde.

Maar het vinden dat is de kunst, dat is het lot misschien wel of karma.

Maar als je zoekt zul je vinden…

Ooit, al is het in een volgend leven.

AngelWings

Hoe een vakantie

Hoe een vakantie

Sarah keek naar het meisje naast haar in de klas. Het meisje dat tegenover hen woonde in de straat, was enkele maanden ervoor nog op vakantie geweest in Mexico, ze had het heel erg leuk gehad. Ze had in geuren en kleuren verteld over haar vakantie en wat ze allemaal hadden gedaan.
Roos, was haar naam, haar steile blonde haartjes vielen sluik langs haar smalle wangen, en haar bleekblauwe ogen keken onschuldig de wereld in. Maar zo onschuldig was zij helemaal niet vond Sarah. Sarah keek haar doordringend aan, het zat haar behoorlijk dwars dit alles.
Zou ze het zeggen? Kon Roos er iets aan doen?
Jazeker, het was de schuld van Roos geweest! Haar vader had het zelf gezegd. En ook was het de schuld geweest van de school, want toen Roos terug kwam uit Mexico had ze de mexicaanse griep meegenomen, en ook haar ouders hadden die griep bij zich gehad. En de school wilde niet dichtgaan,omdat alle ouders werkten en de kinderen niet zomaar thuis konden houden natuurlijk. Niemand kon de kinderen opvangen, die ziek zouden worden. Dus die griep was de hele school rondgegaan. En toen had Sarah de griep ook gekregen! En hierna haar moeder, en haar vader en haar broertjes. Gelukkig waren ze er op tijd bijgeweest, en hadden ze antivirale middelen gekregen. Gelukkig was dit alles goed gegaan dat wel maar… het was niet eerlijk gewoon. Het was gewoon niet eerlijk!!! Boos keek Sarah naar Roos. Roos lachte tegen een meisje, dat haar een pen gaf. Sarah’s ogen spoten vuur.Ze was zo boos op Roos.
Door haar, door haar schuld, was.. Sarah kon er en wilde er ook niet meer aan denken.
De tranen sprongen in haar bruine ogen, verwoed veegde ze de tranen weg. Verdriet overmande haar nog zo jonge ziel. Waarom moest dit gebeuren? Waarom? En een antwoord kreeg Sarah niet op haar vragen. Ik haat haar, dacht ze. Ik mag haar niet. Ondanks dat ze toch vele maanden bevriend waren geweest dat wel, maar nu niet meer. NOOIT MEER! Sarah wist het heel erg zeker.
Ze wilde nooit meer met Roos spelen, want het was Roos haar schuld.
Tijdens de lessen, was Sarah afwezig en tekende bloemen in haar schrift. Ze hoorde niets, ze was ver weg in gedachten. De juf wist het wel wat er scheelde en liet Sarah maar even begaan.
En toen het vrijdagmiddag was en zij eindelijk weekend hadden, schopte Sarah keihard tegen Roos haar fiets en rende hard weg. Roos wist niet wat er scheelde maar fietste even later naar huis, haar schouders optrekkend.
Huilend stoof Sarah de keuken binnen waar haar moeder zat, samen met haar tweelingbroertjes. Sarah huilde het uit, met gierende ademhaling, huilde ze tot ze niet meer kon.
Het is haar schuld mama, het is haar schuld, mompelde ze de hele tijd. En haar moeder streelde verdrietig haar haren, en kuste haar wang.
Die zondag gingen ze weer naar het graf van oma zoetje, oma had een bijnaam omdat ze altijd zoveel zoets in huis had en zelf ook een zoete lieve vrouw was geweest.
Snikkend stond Sarah bij het graf, in haar hand een rode roos voor Oma.
En toen vader en moeder even niet keken, knakte Sarah de roos die ze voor oma had meegenomen. En ze mompelde, Oma ik krijg haar nog wel. En Sarah gooide de roos op de grond en zette haar voeten er op. Fijngestampt lag daar de roos naast oma’s graf, die de griep niet overleefd had.

De oude vrouw

Photobucket

Bij het verlaten van zijn voordeur keek hij nog eenmaal in de spiegel, gleed met zijn hand door zijn glibberkapsel, en trok zijn das recht. Hij glimlachte tegen zichzelf, dit deed hij dagelijks nml. Hij vond zichzelf wel een geschikte peer . De zon scheen warm en hij klapte zijn ray ban omlaag van zijn hoofd naar zijn neusbrug. Hij zwaaide naar zijn buurvrouw die haar plantjes water gaf, en stapte in zijn zwarte bolide. Strak reed hij weg, vlijmscherp door de bocht, de banden piepten. En de zon scheen onerbarmelijk op zijn autodak. Om zijn pols glom zijn dure horloge, deze tikte de tijd weg. Tijd die hij goed bestede, Silvio wist wat hij wilde, in het leven en had het al ver geschopt in zijn carriere.
Natuurlijk met ellebogenwerk, had hij zich een weg gebaand naar de top. Hij was geslaagd zogezegd. Beleggingen waren zijn ding en hij had geld teveel. Onderweg naar niemandsland, reed hij over de snelweg. De muziek hard, meezingend, dak open, zijn glibberkapsel bleef zitten zoals gewoonlijk.
Hij had geen zorgen, nooit gehad, nooit meegemaakt, niets gezien, niets ervaren enkel geslaagd zijn in het leven telde voor hem. Hij had alles mee, een goede look, een vlotte babbel, en charisma.
De zon scheen te heet die dag, slaperig van het rijden, stopte Silvio bij een bospad.
Even pauzeren, zijn vrije dag goed besteden, ontspannen,’’ relax is flex’’, zei hij altijd lachend.
Het was er stil op het bospad maar zo heerlijk koel. Silvio besloot een eindje te gaan wandelen. De natuur was er prachtig, en het was heerlijk koel. Koeien in de wei, vogels die opvlogen als hij langs kwam, en een eind verderop zag hij paarden lopen. Silvio knabbelde op een grasspriet, en genoot.
Hij dronk wat van zijn zakflacon en liep verder, steeds verder het bos in. Waar hij opeens een klein huis waarnam, dat was leuk! Silvio keek naar het wonderlijk kleine huisje, op het dak lag allemaal glassplinters en deze schitterden in de zon, prachtig was het effect, in allerlei kleuren, waren de glassplinters geplakt. De ruitjes waren klein, maar allen bedekt met kleine gordijntjes, vriendelijke roodgeblokte gordijntjes. De voordeur was klein, en blauw van kleur. Silvio klopte aan voor de gein, hier zou toch vast niemand wonen wel?
Silvio schrok enorm toen de voordeur krakend en piepend open ging..
Voor hem stond een klein oud vrouwtje, vreselijk gerimpeld was ze, maar ze glimlachte vriendelijk.
Dat vind ik nou fijn, dat er eens bezoek komt, zei ze hartelijk. Kom binnen, dan gaan wij even wat drinken. Ze opende uitnodigend de deur achter haar, kom wenkte ze hem.
Silvio dacht dat het geen kwaad kon, dat ouwe mens, die sloeg hij zo neer dus, hij stapte de kleine voordeur door en stond in een hele smalle gang. Kom zei het oudje met krakende stem, ze wenkte hem nogmaals. Ze troonde hem mee naar de achtertuin waar gezellig een klein tafeltje stond met hierover heen een eveneens rood geblokt tafelkleedje, en 2 gezellige stoeltjes completeerden het geheel. Midden in de tuin stond een appelboom vol appels, prachtige groene appels.
Kirrend wees het oudje Silvio zijn plek, en ze bracht hem snel een kan fris water, inclusief citroenen en ijsblokjes. Wat fijn zei ze weer en ze wreef in haar gerimpelde handen. Silvio kon denken wat hij wilde maar wat smaakte dat frisse drankje hem heerlijk. De zon scheen onerbarmelijk op alles, behalve de tuin scheen de koelheid zelve te zijn, want het was niet te merken dat het zulk warm weer was. Er was zelfs een lichte bries waar te nemen, Silvio genoot. Hij voelde zich opeens zeer gelukkig. De oude dame boodt hem een appel aan van de boom. Jij mag wel wat appels meenemen, als u straks weer weg gaat hoor, bood ze gul aan. Silvio knikte maar weer eens.
En langzaamaan terwijl de oude dame, aan een haakwerk bezig was, een tafelkleedje leek het wel, vielen Silvio’s ogen toe. Het was donker toen hij wakker werd, er was geen zon meer, geen licht, maar enkel donkerte om hem heen. Hij kon zich niet bewegen, hij zat vast, in iets.Hij lag op een bed oid. Silvio riep om hulp, wat was er toch gebeurd in vredesnaam? Hij kon het zich nauwelijks herinneren, zijn hoofd bonkte. Er had vast iets in het drankje gezeten, dacht hij. De oude dame kwam met een brandende kaars aanlopen, welke schaduwen toverde rondom hen. En hij zag om zich heen de vage contouren van een kelder, ‘’Wat is dit verdomme’’, riep hij uit. ‘’Verdraaid, laat me hier uit, ik moet naar huis’’. De oude dame glimlachte naar hem, en tot zijn afgrijzen stond ze naakt voor hem. Afgezakt gerimpeld als Methusalem, stond daar een oud wijf voor hem, naakt nog wel! Wat was ze van plan? In vredesnaam…Ze lachte kirrend en riep uit,’’Iik heb er een gevangen, ahahahaha, ik heb er een gevangen, jaja’’, en ze voelde aan het haakwerkje dat om Silvio heen was geknoopt. Snirpend klonk haar lach in de nacht. Wat bent u met mij van plan, oud rotwijf, laat me gaan! Riep Silvio uit.
De oude vrouw dook naar zijn geslacht en nam hem in haar mond, en tot Silvio’s afgrijzen bleek hij ook naakt te zijn.’’ Raaaghhhhhhhhhhh’’!!! Riep hij uit, neeeeeeeeeeee,….
Maar de oude dame kon er wat van, tandeloos masseerde ze zijn geslacht op vakkundige wijze.
Silvio werd opgewonden, nee dit kon toch niet waar zijn? Maar het was waar. En de oude vrouw ging op hem zitten, Hoepla zei ze lachend, en ze begon te bewegen op hem. Het was zo ranzig dat het bijna opwindend werd, Silvio wist niet meer hoe hij het had. De zomer had invloed op hormonen jazeker maar dit? Verbaast keek hij naar haar, het oude mens hoe lenig zij op hem tekeer ging, hoe zij kreunend haar hoofd achterover gooide en een tandeloze mond zijn verstand verbijsterde. Onderwijl vielen er haarspelden uit haar grijze knoetje en vielen er zilverachtige strengen haar over haar gerimpelde schoudertjes, ach got dacht Silvio, zo leek ze net nog een jonge vrouw, in het donker althans.
Nadat hij toch tot op onvoorstelbare hoogte was gekomen en zij ook blijkbaar, want ze viel plots over hem heen en was niet meer wakker te krijgen. Misschien was ze wel dood? dacht Silvio, wat moest hij dan?
Maar gelukkig na enige tijd begon ze weer te bewegen, en stond ze krakkemikkig en kreunend op van het bed, met een schaar knipte ze het haakwerkje los, ondertussen gevaarlijk bij zijn geslacht aan het knippen, waarop Silvio nog schreeuwde opdat ze voorzichtig moest zijn!
maar uiteindelijk was hij bevrijd en stond hij op, hij wreef zichzelf over zijn spieren, en wilde de oude vrouw een flinke klap verkopen, was ze nu helemaal zot? Maar hij keek in een paar lieve oude ogen en hij kon het niet over zijn hart verkrijgen om die oude vrouw een klap te verkopen. Ze kon zijn oma zijn bv. Nee dat zou hij niet doen. Hij begreep haar eenzaamheid wel heus. Hij kreeg nog appels mee van haar. En zo eens per jaar in de zomer gaat hij nog wel eens op bezoek bij de oude vrouw in het bos en krijgt hij appels mee.

Witte roos

Photobucket

Eindelijk daar was hij weer, na lange tijd afwezig te zijn geweest, voelde ik zijn aanwezigheid weer om mij heen.
Als een kilte die ijzingwekkend een rilling over je lichaam doet gaan, terwijl er niets tocht in je woning, er geen raam of deur openstaat. Ik wist het, en ik glimlachte, dat is lang geleden fluisterde ik. Waar was je al die tijd?
Een streling over mijn gezicht was zijn antwoord. Meer niet…meer niet…
Ik kom je een verhaal vertellen, zei hij met schorre stem.
Hij klonk verdrietig, waarom weet ik niet, maar ik schrijf het maar op, wat hij te vertellen had, want daarom komt hij bij mij, soms….

 
Middernacht, donkerte aan de hemel, regen stromend, in alle hoeken en gaten. De maan half verscholen achter bomen, donker tonend aan de hemel. Huilend stak zij over, haar lange zwarte haren sluik hangend over haar witte gelaat. Druipend van de regen, verdronken haar ogen, en zagen niet hoe een auto, met gierende remmen….
Lijktwit lag zij daar, een eenzame figuur op het midden van de weg, verlaten door alles wat zij lief had ooit. Ze leek wel dood te zijn, de bestuurder van de auto stapte uit. In paniek liep hij toe op de roerloze gestalte, en bukte bij haar neer.
”Oh mijn God”, riep hij uit…in paniek nam hij haar hand, wit en roerloos, en zo koud, zo ijzig koud. In zijn hand zo teer zo klein, zo…hij snikte het uit. Had hij haar…dood gereden? Hij had niet opgelet, hij zag haar niet, ineens plots was ze er geweest. De tranen vergleden op haar gezicht in de druppels regen, onzichtbaar.
Voor eenieder die haar zag….pijn en tranen zo diepgaand dat zij niet langer zag…niet meer wist. En hij zat naast haar, schuldbewust, niet wetend waarom, wat hij gedaan had, en waar zij ook evenzo schuld aan had.
Niemand kwam voorbij, voorbij de twee eenzame figuren op de weg, in het donker, de nacht kolkte in razernij voorbij. Verlaten waren zij en eenzaam op die weg.
Ramon, kwam bij zijn positieven en rende terug naar zijn auto, zocht zijn telefoon en belde 112. Hierna rende hij terug naar de gestalte op de weg, die daar zo stil lag, zo alleen en wit.
31 Oktober was het, de avond van Halloween, maar hiervan waren zij zich niet bewust. Geen van beiden en zij, in diepe verlorenheid, lag daar, niets meer wetend, niets meer voelend aan pijn.
Ramon keek toe op haar lange donkere wimpers die op haar wangen lagen als was zij sneeuwwitje, uit het sprookje en hij de prins. Hij wilde haar lippen kussen, maar voelde zich een dwaas, misschien kon hij haar wakker kussen en dan was dit alles niet gebeurd?
Maar hij schudde zijn verwarde hoofd.
Waar dacht hij toch aan in deze tijd van nood? Hoe verzon hij dit eigenlijk, was hij gek geworden? Ramon keek om zich heen, in het donker, de koplampen van zijn auto beschenen hen als enige lichtpunt in het duister. Overal was het nacht. Ook in zijn ziel was het nacht, die avond was zijn vader overleden, hij kwam net terug uit het ziekenhuis en was enorm van slag geweest en toen zij de weg overstak had hij haar echt niet gezien, wie had dit verwacht?
Op dit tijdstip? Op dit onchristelijk uur?
En hier op dit verlaten landweggetje? Hoe kwam zij hier?
En Ramon keek neer op haar smalle gezichtje, zo intens wit, zo etherisch onwerkelijk mooi. Ramon slikte, nam nogmaals haar hand in de zijne en voelde hoe de ijzige kou tot zijn hand doordrong. Was zij stervende? Was dit zijn schuld?
Ramon wilde schreeuwen! Naar die nacht om hem heen, HELPPPPPPPPPPPPPPP!
Maar er kwam niemand om hem te redden van een ondergang, een ondergang die hij zelf nooit in gang had gezet, maar het lot.
Had hij wensen? Had hij iets te willen in het leven? Het leven waarin alles zo veilig leek, tot vanavond, tot zijn vader zijn laatste adem gaf op aarde. Ramon slikte weer een keer, zijn keel zat zo dicht, zo benauwend voelde het aan.
Hij keek naar haar stille gelaat, zo teer, zo schoon, zo onwerkelijk leek alles om hem heen.
Haar lippen zo bleek, hij wilde ze kussen, die lippen..
Maar waarom, misschien was ze al dood? Hij voelde aan haar pols en voelde een zeer zwakke hartslag… Hij boog zijn hoofd over het lichaam op de weg, hij huilde….met diepe uithalen, alsof hij zijn ziel uit zijn lijf huilde, hij kon niet stoppen. Zijn krullende haardos was doorweekt door de regen die hem overviel gelijk een douche, hij was drijfnat…zijn kleding alles. En zij lag daar maar stilletjes, nietszeggend, stervende…
Ramon wist niet wat te doen, hoe wekte hij haar weer tot leven? De tere gestalte voor hem, zou hij haar kussen voor de ambulance kwam? Zou hij het doen? Gelijk een kind voelde hij zich, alsof magie nog mogelijk was, in zijn denkwereld. Ja zo wilde hij geloven. Zo wilde hij eigenlijk wel dat het leven zou zij, alsof magie bestond!
En hij bukte zich voorover om die bleke lippen te kussen, wit en dodelijk koud.
Hij kuste haar, met zijn warme levende lippen, ze reageerde niet, maar hij ging verder, diep drong hij door tot haar mond, haar kilte tot zich nemend, haar weer tot leven wekkend gelijk de prins in sneeuwwitje.
Haar tong lag slap en stil tegen de zijne aan maar hij bewoog de zijne tegen de hare aan. Net zolang tot ze misschien zou reageren, zo hoopte hij.
Ja zo dacht hij daar op die stille landweg in het pikkedonker terwijl zij nietsvermoedend op weg was naar de hemel misschien?
Wie zal het zeggen?
Wanhopig roerde Ramon met zijn tong rond in haar stille mond, terwijl de regen langs hen heen stroomde alsof er geen einde aan zou komen en zij doorweekt, het ultieme moment voor sterven hadden uitgekozen, want zowel zij, nietsvermoedend, en hij bewust, vonden het leven niet meer zoals het had kunnen zijn.Goed nml…goed zoals het was. Zo zou het nooit meer zijn. Eigenlijk wilden beiden niet meer verder, konden ze niet meer verder, eenzaam en verlaten….
Ramon snikte het uit in haar koude stille mond, hij KON niet meer verder. Hij kon niet meer, zijn vader, was er niet meer en zijn moeder, jaren voorheen al overleden, hij was nu echt alleen op deze wereld. Die harde wrede wereld…
Geen zwaailichten, geen ambulance die nacht langs die stille landweg, niemand kwam!
Ramon was wanhopig, belde nogmaals 112…
En hij keek op haar neer, schikte haar zwarte haarstrengen haar opzij, vochtig en nat lagen zij langs haar smalle witte gezichtje. “Oh God laat haar blijven leven”. Riep hij uit.
Regendruppels gleden langs haar witte bleke lippen, Ramon moest er naar kijken, hij wilde ze weg kussen, ja dat zou hij doen. Ze weg kussen…tot ze weer tot leven kwam. Hij moest toch iets?Jankend kuste hij haar lippen weer, en weer en opnieuw. Ze mocht niet sterven! Niet nadat zijn vader heengegaan was, de tijd voor hem was al zwaar genoeg, hij wist hoe het was, net als toen zijn moeder.. hij wilde er niet aan denken!
Niet meer, niet weer, niet nogmaals!!!!!!
Er kwam nog steeds geen ambulance! Nog steeds niemand die hen kon redden van hun lot, misschien hun ondergang?
Ramon stak zijn tong diep in haar koude mond, ademde ze nog wel? Vroeg hij zich af?
Kom bij alsjeblieft kreet hij diep van binnen uit!
Hij kuste haar, maar geen teken van leven,…of toch?
Opeens opende ze haar ogen, groot en donker, keek ze hem aan. Hij kuste haar door, hij had haar tot leven gewekt!
Ja dat had hij! Hij wist het zijn hart juichte!
Hij schreeuwde diep van binnen..zijn hart joelde, hij had het voor elkaar, ze was terug uit het dal des doods!
Ramon keek op haar neer en zuchte diep,..”Je bent er weer”!
Ze kreunde zacht, bewoog wat en toen zag hij hoe er rood bloed van haar slaap over haar wang droop, diepe bloeddruppels, in de nacht leek het wel zwart bloed te zijn…
Je bent terug, riep hij weer uit, vertwijfeld.
De regen stroomde, hard om hen heen, doorweekt lagen ze tegen elkaar aan op de weg, de stille landweg.
Hoe heet je? Vroeg Ramon, om maar iets te zeggen. En ze keek hem aan met haar fluwelen donkere ogen, ze mompelde zacht iets, heel zacht. Ramon verstond het niet goed. “Wat zeg je”? Ze mompelde weer iets , Ramon keek haar verbaast aan, Roos?
Ze glimlachte tegen hem, hij genoot even, van dat stille geluk daar op die verlaten landweg.
Wat mooi die glimlach van haar, haar naam was Roos. Dezelfde naam als van zijn moeder.
Roos, zijn ziel glimlachte dit was een voorteken, een teken dat…
Hij wilde niet verder denken, niet meer dan dit..dit moment bewaren in zijn ziel voor altijd.
Ja,… hij zou verliefd op haar kunnen worden, hij zou best van haar kunnen houden, dan was hij niet meer alleen in het leven.
Hij zuchte het uit, ja stel je voor dat!
Stel je voor dat het lot hen samen bracht nu hij alles verloren had dat hij zo liefhad in zijn leven. Enigskind was hij, geen ouders meer, geen familie. Wat moest hij nu verder toch?
Maar zij kwam als een engel op zijn pad, voor zijn auto. JA zo moest het zijn dachten zijn verwarde gedachten. Ja, zij was het, zo dacht hij in die nacht, eenzaam en toch samen.
Zo was het… zo zou het zijn…
Ramon hoorde een ambulance van verre komen. Eindelijk ze kwamen hen redden.
Hij kuste haar nog eenmaal. Op haar lichtrose lippen, ze kuste hem terug alsof ze hem ook wilde. Ja wie weet dacht hij nog. Wie weet?
De ambulance kwam zeer nabij, hij zag bijna de blauwe zwaailichten in het donker om hen heen.
Hij kuste haar nog eenmaal. En hoorde ineens de vrachtwagen, op de weg voor de ambulance..

Samen stegen zij op naar de hemel hand in hand.
Het lot had besloten, dat zij samen, zouden sterven die avond en aan de overkant, stonden zijn ouders op hem te wachten, met uitgespreide armen, een glimlach op hun gezicht..
En Ramon en Roos…

Voorbestemd tot leven in de eeuwigheid….
Samen, zoals het lot had voorbestemd

Wat triest verzucht ik..
Hij glimlacht, streelt mijn gezicht weer en vertrekt, de deur slaat zacht achter hem dicht…

Angels

Photobucket
Angels

Bloedmooi was ze, de donkere engel met haar zwarte krullende lokken en fluweelbruine ogen.
Alles aan haar was van een onaardse etherische schoonheid. zo verfijnd, zo onmenselijk bijzonder schoon.
Haar karakter was ook van dien aard dat deze bestond uit zuivere puurheid en wijsheid. Alsof zij, gelijk een engel vanuit het hemelse rijk op aarde was neergevallen.
Maar hoe triest is het leven van een gevallen engel op aarde. Wie kon deze schone vrouw begrijpen?
Wie kon haar volgen in haar gedachtenpatronen, toch geen mens?
Hoe ze ook haar best deed om geliefd te zijn bij mensen op aarde, het lukte niet.
Groen en grauw van afgunst was men op haar, niemand kon haar uitstaan nml.
Ze was zo wijs, zo beschaafd en net, zo beleefd, zo vriendelijk het was werkelijk onuitstaanbaar.
Geen enkel mens was zo perfect als zij.
En ondanks haar schoonheid, straalde ze ook iets uit wat mannen bang maakte voor haar.
Iets onaantastbaars, iets dat niet te misbruiken was, iets dat ver uit steeg boven alles, wat een man eventueel aan duistere plannen had voor een vrouw, kon men bij haar gewoonweg niet maken.Dit voelde men bij haar, de zuivere engel bezoedelen dat zou je duur komen te staan ooit in de hemel. En dat voelt een mens heus wel aan hoor, in het verre onderbewustzijn. Dus de Engel, haar naam was toevallig ook nog eens Angel, had eigenlijk geen vrienden, geen lieve familie, geen leuke buren, helemaal niets eigenlijk?
Ze moest het alleen zien te rooien in het harde wereldje dat leven nu eenmaal was. En dat lukte maar half want als niemand aardig is tegen jou, dan moet je wel een hele taaie engel zijn wil je daar tegen kunnen.
Op een dag had de schone Angel het eindelijk door, ze zou fouten moeten maken, dan zou men haar wel aardig gaan vinden.
Dus met opzet maakte ze enkele fouten, en inderdaad enkele mensen begonnen waardering te krijgen voor de immer zo perfecte engel, die nooit eens een fout maakte. Maar dit wekte sympathie op bij de mensen, want zo zijn mensen vaak.
Als er wat fout gaat, hebben ze in ieder geval het idee dat zij die fout niet gemaakt hebben dus dat is dan wel fijn om te beseffen natuurlijk.
En iemand die onfeilbaar is, zien falen, dat geeft wel een kick! Dus Angel had wat nieuwe vrienden gemaakt…gelukkig maar. Wat was het fijn om vrienden te hebben.
Ze vergaf hen alles wat zij deden, want dat doen engelen nml. ze vergeven mensen alles.
Af en toe maakte ze expres wat fouten en deed ze domme dingen, zodat de mensen haar aardig bleven vinden natuurlijk.
Maar Angel had wel veel verdriet van wat mensen haar aandeden, en ze beseften dit natuurlijk niet altijd, want ook dat is mens eigen, nml anderen kwetsen zonder er zelf over na te denken. Dus het pure kwetsbare hartje van de engel had veel te verduren, de oneerlijkheid en jaloerzie van haar zogenaamde vrienden, deden haar wel heel erg veel pijn en verdriet. Toch zei ze het niet. Ze dacht laat maar, ze zijn nu eenmaal zo.
Ondertussen liep jan en alleman over de engel heen. Ze was net een deurmatje waar je de voeten aan af kon vegen. Wat kon het die mensen nu schelen?
Was toch niet hun probleem? Zolang die perfecte engel haar fouten maar maakte zo op zijn tijd waren zij allang tevreden nml.
En zo ging dat maar door jarenlang, en engelen hebben veel geduld hoor, maar het liep de spuitgaten uit.
Aan alle kanten viel men de engel lastig op het levenspad. Wat er ook gebeurde alles moest fout gaan, alles moest kapot gaan, alles wat goed had kunnen zijn, was het ineens niet meer…en niemand had enig begrip of mededogen voor die lijdzame engel.
Mensen luisteren liever naar grof geschut en een grote mond.
Als mensen deden wat engel deed, zei men oh wat geweldig en oh wat prachtig! En oh wat goed maar oei als engel toch eens dat deed wat die mensen deden dan zei niemand iets.
Men behandelde haar als een voetveeg, maar ondertussen vroeg men zich af hoe zij zich toch staande hield.
Onderwijl genietend van hun pesterijen af en toe, hun kleinzielige gedrag.
Ze werd genaaid bij het leven en nog zei ze niets want engelen doen dat niet.
Engelen zijn geduldige wezens ooit levende in het hemelse rijk waar niets dan schoonheid is.
Hoe kunnen zij weten hoe grof de aarde is? Dat kunnen zij toch niet.
Na vele lange jaren en kwellingen, werd het engel duidelijk.
De mensheid kende haar liefde niet, haar geduld niet, haar gevoelig zijn niet, mensen kennen niet dat wat zuiver is, omdat zij het zelf nog niet bezitten nml.
Gelukkig vond engel een andere gevallen engel op aarde, en ook hij had dezelfde vervelende ervaringen met de mensheid.
Was ook beschadigd door al die kul die mensen kunnen vertonen in het aardse rijk.
Maar toen zij elkaar vonden, hadden zij niemand meer nodig dan elkaar.
En leefden ze nog lang en gelukkig.
Ze hoefden niet te worden zoals die mensen op aarde, want zij hadden de wijsheid nog niet.
Zij hoefden niet te veranderen voor mensen op aarde omdat zij al goed waren zo zij waren.
En daarom waren zij uit de hemel komen vallen om dat te leren.
Namelijk dat je je nooit uit het veld moet laten staan door wezens sterker en groffer dan jij zelf.
Als mensen over je heen walsen denk dan aan de engelen.
En besef dat jij diegene bent die meer begrijpt dan zij ooit kunnen en dat zij nog vele levens nodig hebben om te leren.