Home Kerstverhalen

Kerstverhalen

Het was kerst en het was goed (2015)

Het was kerst en het was goed (2015)

Roderick was seksverslaafd, zoveel was hem zelf ook wel duidelijk inmiddels.
Zag hij een vrouwelijk wezen, hoe lelijk ze ook was, hij zag enkel schoonheid, en seksualiteit, hij snoof als hij achter hen stond in de supermarkt,
rook hun Goddelijke zoete vrouwengeuren in zijn ranzig verhitte neus.
Vaak raakten zijn handen, hun vrouwelijke haardos aan, per ongeluk natuurlijk, zogenaamd en toch zo expres!
Opzettelijk onschuldig zette hij dan grote ogen op, ”Pardon”, zei hij dan.

Vaak liet hij iets vallen bij de dames met rokken aan, zodat hij al bukkend langs hun wijde klokkende open poorten, bijna bij het walhalla van zijn intiemste dromen uitkwam.
Opgewonden stond hij dan vaak trillend op, met bevende handen!
Het zweet stond hem dan vaak op zijn voorhoofd, en vanuit koortsig kijkende ogen, staarde hij dan pardoes in de geschrokken vrouwenogen.

Zo had hij ze het liefst, puur en geschokt, alsof hij hen aangeraakt had diep in hun zielen.
Dat was natuurlijk niet zo, dat wist hij ook wel…
Maar toch.

In zijn fantasie raakte hij hen aan op zachte warme tedere delen, die hij niet kon zien, die hij in gedachten voor zich zag, tijdens zijn buk festijn.
En dan daarna rende hij naar zijn fiets en ging snel op huis aan, spelen met zijn makker, en zijn fantasiewereld.
Hij kreeg geen vriendin, er was geen normaal woord met hem te spreken.
Hij stotterde en stamelde, hij kwam niet uit zijn woorden bij al dat mooie vrouws!
Waar hij ook keek hij zag de Godin in elke vrouw, hoe dan ook en van welke leeftijd dan ook.
Hij kon het niet laten, hij kon er niet mee stoppen.
De huisarts kon hem ook niet helpen.
De pastoor wist het ook niet meer, bidden was zijn enige optie.
Nu dat deed Roderick dagelijks, als hij kwam.
Dan dankte hij de Here voor al dat schoons dat hij toch geschapen had immers.
De Eva’s, de bollebozen, de volle boobsen, de bolle bipsen, de lange benenstelten, de zichtbare kamelentenen in te strakke broekjes, de rokjes die omhoog waaiden.
Niets ontkwam aan zijn wellustige blik. Hij zag het, elke dag opnieuw, de schoonheid, de wulpsheid, de dikke billen van een oude oma, konden hem zelfs nog bekoren, omdat het een vrouw was.
Maar echt aan zijn trekken kwam hij nooit. Hij wist niet hoe dat moest, de liefde enzo.
Contact leggen met vrouwen, hij bloosde al als hij er aan dacht, nee in zijn fantasie ging hij zo ver, telkens opnieuw.
Meer was er voor hem niet weggelegd dacht hij.
Zo dacht hij al jaren.
In de kerk waar hij vaak kwam was er een groep die voor hem ging bidden, men wist er het fijne niet van, maar de pastoor had een kleine uitleg gegeven en hij moest weer normaal gaan worden, dat was alles wat men wist.
Uiteindelijk dat jaar, was het dat hij genezing vond van zijn prachtige dromen, over vrouwenlijven en lichamen en duistere spelonken en grotten.
Misschien had men te heftig gebeden?

Wie zal het zeggen, wat er gebeurde.
Roderick stond die dag op, om de post te halen van zijn voordeur, hij bukte en hoorde een flinke knal bij zijn voordeur.
De rook steeg omhoog door zijn brievenbus, en hij opende verbaast zijn voordeur.
“Wel voor den donder, wat is hier aan de ha….”.

Een vuurpijl schoot zo zijn gang in, ketste af tegen de muur en schoot hem zo in zijn kruis.

Met kerst lag Roderick in het ziekenhuis met een flink verbandje om zijn kruis.
Hij voelde zich vredig en gerust, de intense jeuk had hij eindelijk verloren, sinds zijn verschroeiing van zijn edele kruisdelen.
Eindelijk zag hij de wereld zoals deze was, en oké het was minder mooi dan daarvoor. Maar toch, geen intense ranzige drang meer, geen handen die zijn schrale voorhuid omvatten, ze lagen te ruste op het dek. De kerkgangers kwamen op bezoek, en brachten kaartjes mee en gebreide sokken.
men mompelde dat Roderick eindelijk eens normaal kon praten.
Dat hij eindelijk eens schoon uit zijn ogen keek.
Men bad voor zijn genezing. Niet te hard, waarschuwde de pastoor.
Roderick las kranten, las boeken, hij verslond ze. Eindelijk tijd voor andere zaken!
Hij genoot in zijn ziektebed in het ziekenhuis, van een eindelijke bevrijding van hetgeen hem alles ontnomen had in zijn leven aan echte contacten.
Eefje verzorgde hem gestaag, dagelijks kwam zij de vriendelijke man wat lekkers brengen.
Ze spraken wat af en toe, die flinke blonde deerne met een grote boezem.
Maar toch deerde het Roderick niet langer, hij kon er eindelijk naar kijken hoe het was.
Zij was een vrouw, en hij een man.
Waar had hij zich zo druk over gemaakt al die jaren.
Na een half jaar kon Roderick zich eindelijk gaan verlustigen in de spelonken van zijn geliefde Eefje, ze waren elkander zeer nagekomen.
Na wat opstartproblemen ontdekte hij eindelijk het geheim van de liefde.
Eindelijk was hij dan een man die de liefde genoot zonder absurde intense wellustigheid.
Met kerst een jaar later traden zij in het huwelijk voor de kerk.
De gemeente zuchtte het uit, bidden had dus wel degelijk zin, zie je nu wel!
Dankzij hen en God was het ten goede gekeerd.
Voor het altaar snoof Roderick de zoete vrouwengeuren op, van zijn eigen vrouw.
Het was goed zo…zoals het was.
Tevreden zei hij “JA” ten overstaan van de gehele gemeente.

©AngelWings

Geen kerst voor hen!

Geen kerst voor hen!

Geen kerst voor hen! (kort verhaal)
Onder het afdakje stonden ze buiten, bij het asielzoekerscentrum, nog even een sigaret voor ze gingen slapen, op hun te kleine bedden,
met te weinig dekens, met 6 man op één kamer.

Farouk mopperde tegen zijn kameraad, om die eeuwige regen in dit koude land.
Ali blies de rook de avondlucht in, en knipperde met zijn ogen, om tranen tegen te houden die bij hem opkwamen.
Hij voelde zich, ondanks alle andere vluchtelingen, intens eenzaam, hij miste zijn familie elke dag.
Rillend stonden ze daar, in het donker te staren.
Het is hier heel koud hé? Ik vind dit niks aan. Zei Amir in zijn moerstaal.
Ik denk niet dat ik mijn kinderen dit aan kan doen.
Nee, hij schudde zijn hoofd, zijn zwarte lok viel hem voor zijn ogen.
Ik denk dat ik terug ga naar mijn land.
Het duurt toch veel te lang allemaal. Ik hou dit niet vol en we krijgen niet veel geld.
Ik word gek anders, van al die mensen die ons willen vragen met hun kerstdagen.
Amir spuwde boos op de grond. Wat hebben wij met die kerst in dit vreemde land, helemaal niets.
Denken wij hier naar toe te komen voor geld en een mooi huis, met tuin, waar onze hele familie in kan wonen straks.
Wat krijgen wij, wij zijn niets meer dan een hond.

Ali keek met dichtgeknepen ogen, naar de rook van zijn sigaret die de nacht inwolkte.
Glimlachend zei hij: Heb je die ene meid gezien, met die dikke tieten?
Hmm grijnsde Amir, die gisteren kwam, die met die blonde haren?
Ja, die ja, ik heb haar over haar billen gewreven.
Zij wilde mij niet, maar ik heb fijn gedroomd over haar.
Maar thuis heb jij een vrouw?
Waarom doe jij dit? Amir keek verbaast naar zijn roommate.
In ons land hoort dit niet, hier ook niet. Oh hier mag alles, glimlachte Ali.
Die vrouwen hier zijn hoeren, meer niet. Farouk keek ook verstoord, jij mag zo niet denken.
Dat is niet waar, dat weet jij toch, wil jij problemen soms?
Jij weet toch wat Sarang laatst zei! Vrouwen hier zijn goed voor één ding.
Onzin, mompelde Amir.
Hij dacht aan zijn mooie vrouw in zijn vaderland.
Jij moet je hier gedragen, anders ga jij terug. Niet aan die vrouwen komen man.
Geloof mij…
Onwillig trapte Ali zijn sigaret uit.
Hij nam haastig een slok van zijn fles vodka. Dat was wel prettig. Het verwarmde zijn ziel van binnen.
Wat is dit een raar land, zei Amir, zij vinden alles goed hier, homo’s, ik vind dat niet normaal!
In ons land is het verboden en hier mogen zij alles. Dat is niet goed voor mijn kinderen.

Hoe kunnen wij onze kinderen hier grootbrengen?
Hier is alles zo anders, en ze zullen niet accepteren dat mijn vrouw haar hoofd bedekt. Ja, ja, ik weet het, zij doen alsof!
Geloof mij maar.
Hij nam de fles vodka over van Ali en nam ook een slok.
Alles was zo teleurstellend geweest, ze hadden zoveel anders verwacht dan dit.
De boekjes die zij kregen van de mensenhandelaren, waren zo mooi geweest, prachtige foto’s hadden zij gezien, en ook hoeveel ze in welk land kregen aan geld en spullen, zelfs huizen kreeg je zomaar gratis.
Ze werden met open armen ontvangen door mensen met een heel ander geloof en een zak vol knuffelberen.
Hier hadden ze dagen plezier van gehad door ermee te voetballen in het AZC.
Wat moesten ze hier nu mee, wachten, en wachten.

Ik ga echt terug, zei Amir ineens. Hmm ik denk dat ik ook terug ga, nog voor de kerst.
Anders moet ik eten bij die dikke mevrouw met haar katten. Ik weet dat zij mij wil, voor meer, ik ga niet daar eten.
Zij knipoogde naar mij! Ik heb het gezien en zij hield mijn hand vast alsof ik een klein kind was.

Ik ook niet, zei Farouk,… Ik ga ook weg en terug!
Ik wil geen kerst vieren, ik wil een vrouw uit mijn land of een hele mooie hier.
Maar dan nog blijft alles anders dan in ons thuisland.
Ik kan hier ook niet wennen, denk ik, zei Ali.
De regen drupte neder, in het donker, en onder het afdakje, spraken zij af, te vertrekken voor de kerst dat jaar.
Ze wilden geen feest vieren in een land zonder hun familie, een christelijk feest nog wel, waarom begreep niemand, dat zij dit niet leuk vonden?
Ze wilden niet bij vreemde vrouwmensen in huis gaan eten, met soms een man erbij of zelfs kinderen, ze misten hun kinderen toch?
Hoe wreed was het om hen te willen laten genieten van de geneugten van een familie, waar zij zo ver van waren?
Met eten dat zij vies vonden zelfs.
Nee, het klokje tikte nergens zoals het thuis tikt.

©AngelWings

Samuel


Hij zat op de grond, voor de supermarkt, voor hem op de grond lag zijn oude pet, en in zijn reumatische handen had hij zijn viool. Trieste liederen speelde hij, enorm triest. Toch bleef hij altijd vriendelijk groeten naar voorbijgangers, altijd vriendelijk lachend, wie het ook was. Voor hem was elk mens bijzonder en zo uniek. Toch keek het merendeel op hem neer. Met geirriteerde blikken gingen ze aan hem voorbij.

Hij was een niets, een nada, een mens zonder bestaansrecht leek het wel. Omdat hij in ogen van juist diegene die het meest hadden en een baan, een nietsnut was. Een loser. Waardeloos dus. En zo voelde hij zich ook vaak.

Toch als hij muziek maakte dan gloeide zijn hart, zijn ziel alsof hij opeens opleefde vanuit een lethargie, een zombie achtig bestaan. En zo was het ook. Sedert vele jaren sliep hij op straat, soms bij het leger des heils, en overdag was hij altijd buiten, in de kou, weer en wind.

Niets deerde hem nog.

Samuel was zijn naam, meer was ook niet langer van belang. Hij verloor in een klap zijn gezin, jaren geleden. Zomaar in één seconde was het over en voorbij. Zijn lieve vrouw, en zijn zoon en dochter, een klap en weggevaagd voor eeuwig van deze aardbol. Een vrachtwagen, storm, en regen, gladheid en..voorbij.

Zijn fijne lieve leven, zijn baan,…zijn geliefden.

Oh wat had hij gehuild, zich verzopen in de drank, zich kapot gespoten aan de drugs, maar dat alles hielp hem niets tegen de intense pijn die hem dagelijks overviel.

Hoe oud was hij geweest, wist hij het nog?

Wel 30 jaar geleden inmiddels. zo ongeveer, want zeker wist hij het niet.

Hij was gestopt met drugs, en drank ach, hij nam nog wel eens wat. De pijn bleef toch wel, het verleden hing aan hem. Of hing hij aan het verleden? Wie zal het zeggen, we zijn allen uniek immers?

Samuel speelde door, de hele dag op die koude grond, bijna kerst.

De eerste sneeuwvlokken dwarrelden uit de hemel.

Rondom hem die zijn trieste muziek speelde vanuit zijn hart en ziel.

Hij glimlachte naar voorbijgangers…

Zo ook naar haar, een hautaine dame die hem 2 euro gaf. Zo, zei ze hardop, dit is alvast voor Kerst hoor!

Arrogant stapte ze verder op haar dure hakken. Tik tik, klonk het op de straat,… tik tik.

Het klonkt als een tijdsklokje, tik tik.

Samuel keek haar nadenkend na. voor kerst hoor, had ze gezegd.

Bedoelde ze hiermee, dat ze het hem nu wel gunde en anders niet? Fijn om zulke kerstgedachten te hebben, dacht Samuel.

Hij speelde door, klassieke stukken, wonderschoon mooi, bespeelde hij viool, zijn oude vriend van jaren voorheen.

Het enige dat hij nog had, van toen, uit die tijd.

En de tranen druppelden over zijn gelaat.

Diepe tranen vol pijn, nog steeds.

Oh wat had hij de mensen gehaat die zeiden dat hij er toch eens overheen moest komen.

Wat wiste zij hier nu van?

Hoe kon men toch oordelen over hoe een ander zich kon voelen?

En hoe had men hem in de steek gelaten, al zijn vrienden en familie.

Hij wilde er niet langer aan denken.

Keek op en voor hem stond een klein meisje, met lange blonde vlechtjes, met haar grote donkere oogjes keek ze hem verlegen aan.

Hier zei ze gul en ze gaf hem een papiertje.

Hier voor jou!

En ze glimlachte en snelde weg als was zij een kleine goedhartige engel geweest die even op aarde kwam om hem iets te geven.

Verbaast keek Samuel naar het papiertje in zijn hand.

Hij glimlachte, het was een lot.

Een lot hoe kwam die kleine daar nu aan?

Hij zag hoe zij in de verte meeliep aan de hand van haar moeder die met vele tassen vol cadeaus richting huis ging.

Ze zwaaide nog want ze keek nog even om naar hem en Samuel zwaaide terug naar haar.

Een lot…

Hij stopte het lot in zijn jas, en vergat het lot al snel weer en speelde weer wonderschone liederen op zijn viool.

Maar een week later toen hij bij de kiosk zijn saffie eindelijk weer kon betalen pakte hij een krant, met de uitslagen van de loterij.

Hij nam het vodje uit zijn jas en keek, toch nieuwsgierig of het lot hem nog iets gunde!

Na al zijn ellendige jaren op aarde.

Zijn mond viel open, zijn hart sloeg enkele malen over, dit kon niet waar zijn!

Dit kon niet waar zijn, hij Samuel had de hoofdprijs.

15 miljoen euro!

Hij had de hoofdprijs!

Bleekjes en wankel keek hij om zich heen of iemand hem betrapt had op het stiekem lezen van de krant.

Hij glimlachte opeens.

HIJ Had de hoofdprijs!

Samuel woonde tijdens kerst al in een enorme villa,

had een prachtige auto, een slaapkamer waar je u tegen zei.

Een chauffeur alles, en een pup, want die had hij altijd graag willen hebben, maar door zijn straatleven wilde hij een dier dat niet aan doen.

Maar elke dag

bij de supermarkt, speelde hij nog steeds op zijn viool.

Droeve liederen, zomaar, omdat, hij niets anders meer kon en hem dat nog vreugde gaf, in zijn intens beschadigde bestaan.

Tik tik, tik tik,….de hautaine dame, hij herkende haar nog. Een jaar na dato, liep ze weer langs hem heen, en hij stond op en gaf haar de 2 euro terug.

Alvast voor Kerst mevrouw!

Bevreemd keek ze hem aan, een zo net geklede en schone zwerver had zij nog nooit ontmoet.

Ze keek op hem neer en arrogant stak ze haar neus in de lucht.

Klik klik, de tijdsklok tikte weer weg.

Alleen anders dan het jaar ervoor.

Heel anders.

Samuel pakte zijn viool weer op en begon te spelen en zijn hond, die huilde mee.

Door AngelWings

 

De sneeuwengel

Photobucket

De sneeuwengel

In het grote landhuis, aan de Greverderiuslaan, gingen die nacht de lichten aan in de grote hal, en toen in de woonkamer aan de linkervleugel. De sneeuw dwarrelde gestaag met flinke vlokken langs de witte raamkozijnen. Koortstachtig liep Mijnheer Frederick Hogendoorn door zijn woonkamer, heen en weer. De dokter was bij zijn Vrouwe, Marla Hogendoorn, zij lag met koortachtige rode wangen in het grote hemelbed. Doch de dokter kon weinig meer betekenen voor het op het einde lopende leven van Marla Hoogendoorn. Op 60 jarige leeftijd verliet zij dit luxe leven met een diepe zucht, en verliet zij haar geliefde man, die ineen stortte nadat hij zijn hand op haar koude hand legde en opeens voorgoed besefte dat zij dan toch echt was heengegaan van hem. Tranen liepen over zijn magere wangen uit zijn vaalblauwe ogen, op de zachte witte sprei. Oh lieverd, verzuchtte hij waarom moest je mij nu al verlaten, wat moet ik toch zonder jou mijn lief.

Hij viel snikkend met zijn gezicht neer op haar hand, en bleef deze omknellen tot hij in een diepe slaap viel. De slaap die hem nachtenlang was ontnomen, door het ziekbed van zijn zo geliefde vrouw.

De dagen erna waren een hel voor Frederick Hogendoorn. Mensen kwamen in en uit lopen, de notaris, de kinderen, de buren, zijn broer die nog in leven was, zijn schoonzuster doch niemand onttrok hem uit de lethargie die hem was overvallen, op de dag dat zijn Marla het leven had verlaten. Rusteloos stond hij s’nachts op en sliep overdag, hij had geen zin meer in het leven. Haar grafsteen kwam te staan op het familie kerkhof van de Hoogendoorn’s, achter op het landgoed Greverda.

De sneeuw dwarrelde maar door tijdens die dagen en op de steen stond een mooie roos gebeiteld voor zijn lieve Vrouw Marla, in gouden letters, haar naam en data. Tranen liepen over het magere gezicht van Frederick alles leek zo zinloos, hij wilde ook niet meer verder.

De kerstboom die hij nog opgetuigd had voor haar stond eenzaam in de hal bij de open haard, de lichtjes werden niet langer ontstoken, Frederick keek er niet meer naar om. Verdriet tergde zijn lijf en ziel.

Verlaten voelde alles aan, wat was hij zonder haar?

De avond voor kerst had eenieder zijn best gedaan om Frederick mee te nemen voor de avondmis, en uit te nodigen voor de komende kerstdagen, maar Frederick wees alles vriendelijk af. Hij wilde alleen zijn zei hij dan. En zuchtend verliet men dan het toneel, er was geen helpen aan en als hij niet anders wilde, dan moest hij het zelf maar weten.

Die avond zat Frederick voor de open haard en zowaar hij had de kerstlichtjes ontstoken, en een deken over zijn magere lijf gelegd.

Muziek klonk door de luidsprekers van zijn radio, kerstliederen die zijn gemoed pijn deden. ‘Marla’, fluisterde hij, en weer overviel hem de weemoed, het verdriet. De sneeuw viel uit de hemel in gestage vlokken.

De hemel was donkergrijs.

Trillend nam Frederick zijn jas van de kapstok, hij moest er naartoe, naar haar graf, zo ver was dat niet van het huis af. Hij moest bij haar zijn, de eenzaamste kerst in jaren, zonder haar dat kon toch niet?

Steunend zocht hij zijn weg naar de steen, door de sneeuw, die in dikke pakken over het pad lag, Frederick greep zich vast aan bomen en takken, en sleepte zich verder. Op weg naar zijn geliefde vrouw die daar lag in dat koude graf, zijn hart kreet het uit van pijn, de kou was bitter die nacht, net zo bitter als zijn hart.

Bij het graf zat hij neer in de sneeuw, en huilde, hij huilde als een wolf, om zijn verloren geliefde. De sneeuw viel in gestage vlokken uit de hemel op het kleine kerkhof van de familie Hogendoorn.

Plots scheen er een ster vanuit de hemel op de grafsteen en verbaast keek Frederick op, door de tranen heen zag hij een fel licht op zich afkomen, en zowaar, hij lachte, ja hij lachte, daar was zij, zijn vrouw Marla!

Hij stond op en leek wel een dronkenman, hij stak zijn armen uit naar haar die hij zo intens lief had. Marla zijn vrouw kwam naar hem toe en omarmde hem en verwarmde zijn inmiddels verkilde ziel tot deze weer begon te stralen. Warmte doorstroomde hem, Frederick was zo gelukkig nu ze weer bij hem was..

De volgende morgen vonden zijn kinderen hem, op het graf van hun moeder, bevroren van de kou lag hij daar met uitgespreide armen, als een sneeuwengel, sneeuwvlokken op zijn gelaat en om zijn bevroren mond een intense glimlach.

Angelwings

 

Het meisje met de zwavelstokjes

Photobucket
De sneeuw dwarrelde uit de donkergrijze hemel neer op aarde.
Op de kerktoren zat een uil, wit besneeuwd als de gargouilles onder hem.
Op de grond beneden in de diepte, liepen mensen af en aan, handkarren getrokken door honden en prachtige koetsen door paarden.
Mensen warm gekleed of een armoedzaaier welke vernikkelde in de bittere koude met de versleten kleding die hij of zij droeg. Op de hoek van het marktplein stond de oude Mans, zijn handen sloeg hij tegen zijn rug, keer op keer, om de koude te verdrijven.
“Schiet eens op meisje”, mopperde hij tegen Sylvy, het meisje moest zwavelstokjes verkopen op het marktplein namelijk. Het kind keek hem verschrikt aan, met haar onschuldige ogen, en haar rose lippen, produceerde ze iets dat leek op een glimlach.
Ze rende er vandoor op zoek naar iemand die zwavelstokjes wilde kopen. Zodat hij, hij die man daar haar niet zou… “Niet weer dat erge”, bad ze in stilte.
Sylvy was net 9 jaar geworden, maar haar verjaardag was niet gevierd natuurlijk.
Een wezenkind zonder ouders vierde geen verjaardag namelijk.
Dat was haar niet meer gegund in haar jonge leven, en soms dan dacht ze nog aan haar moeder, die haar zoveel liefde had gegeven. Zoveel warmte, totdat ze, overleed aan tyfus.
Sylvy had uren rondgelopen en huilde tot ze niet meer kon en toen had Mans haar gevonden, achter de kerk beschut tegen de regen.
Hij had heel vriendelijk geleken in het begin, maar later bleek hij een hele nare man te zijn. Hij sloeg haar vaak, en schold op haar, ze deed nooit iets goed in zijn ogen.
Op het marktplein deed hij wel alsof hij aardig was omdat er andere mensen om hen heen liepen, hij liet dan nooit blijken hoe hij werkelijk was.
Oh Sylvy wist het wel, maar ze kon niet vluchten, want dan had ze niemand meer, dan was ze echt helemaal alleen op deze wereld.
Ze durfde het ook niet, om te vertrekken, zuchtend opende ze haar handpalm en riep vriendelijk tegen een rijke dame of ze ook zwavelstokjes wilde kopen voor de kerst die voor de deur stond.
De mooie dame lachte en een man greep lachend de arm van de vrouw en trok haar met zich mee, weg van Sylvy. Sylvy keek bewonderend naar de mooie kleding die de dame droeg, was zij ook maar zo rijk en zo mooi. Ze vond zichzelf niet knap, ze was bleek en had donkerbruine ogen en lange blonde vlassige haren. Zo mooi als die dame zou zij nooit worden. Zuchtend keek ze om haar heen naar een ander die misschien zwavelstokjes wilde kopen. Plots werd er pijnlijk aan haar oor getrokken, Mans siste in haar oor dat ze voort moest maken, omdat hij haar anders niet binnen liet die nacht.
Sylvy greep naar haar pijnlijke oor, die nog pijnlijker werd door de intense kou in haar dunne jakje.
Tranen welden op in haar ogen, maar ze slikte ze dapper weg! Ze zou hem nooit laten zien dat ze huilde, nooit! “Kom meidje, opschieten, anders vries je dood vannacht”, hij lachte zijn vieze tanden bloot, vol afschuw keek ze hem aan. “Wil je niet liever bij papa Mans in bed slapen, lekker warm”, grijnste hij.

Hij sloeg de hond onder de kar met een stuk touw en jankend sprong de hond op om de kar te trekken, naar een krot twee straten verderop. Mans keek nog een keer waarschuwend achter om.
“Verkoop alles vandaag”, gromde hij. Hij wilde zijn dagelijkse portie jenever wel kunnen kopen en dat kind zou er voor zorgen.
Geen Kerst zonder een fles jenever. Hij slenterde er vandoor in de dikke laag sneeuw het meidje achterlatend in de bittere koude.
Sylvy rilde, zuchtend probeerde ze uit alle macht de zwavelstokjes te verkopen en één vriendelijke meneer kocht er enkele van haar.
Maar niet genoeg, niet genoeg om naar huis te mogen komen.

De tranen rolden haar nu inmiddels over haar wangen ze had het zo stervenskoud.
De mensen gingen allen op huis aan en zij stond daar maar in haar eentje in de laag sneeuw waar geen einde aan leek te komen.
Sylvy liep door de sneeuw naar de achterkant van de grote kerk voor enige beschutting, daar was een afdakje van hout voor de zondagskerk. Waar men mocht schuilen voor de zondagsschool openging.
Haar haren plakten ijskoud aan haar voorhoofd. En haar tranen leken wel te bevriezen op haar wangen.
Bij het afdakje leek het iets warmer te zijn. Ze was zo moe, zo intens moe.
Na enige tijd, had ze het zo koud en ze durfde ook niet meer naar Mans te gaan.
Oh nee zeker niet, ze wilde dát niet! Ze wilde niet, niet, niets, meer…

Ze was zo moe…

In haar rokzak zaten de zwavelstokjes en ze wist dat het niet mocht maar ze kon er niets aan doen, ze moest! Ze ging toch niet meer terug naar Mans, ze wilde niet bij die oude man in bed slapen en dan die dingen doen die hij haar opdroeg te doen bij hem. Ze vond het zo vies, maar als ze niet luisterde dan sloeg hij haar bont en blauw met zijn broekriem, en die pijn was te intens om te dragen, ze was nog zo klein. Een meisje van negen jaar oud.
Bibberend stak ze een zwavelstokje aan, schitterende vlammen voor haar ogen, als kleine elfjes, waar ze wel eens over gehoord had, in de witte dansende sneeuw voor haar de reflecterende schoonheid.
Prachtig ze genoot zo, ze voelde een klein beetje warmte uitstralen van het vlammetje voor haar ogen. Het leek wel de zon, lekker warm.
Kleine diamantjes schitterend in de sneeuwvlokjes als witte engelenvleugelveren die van uit de hemel nederdaalden naar de aarde.

Vrede op aarde…

Och wat jammer nu, het vlammetje was uitgegaan. Het leek nu een beetje meer donker nog dan daarnet, Sylvy zuchtte diep.
Zou ze nog een aansteken, zou ze het durven?
Haar vingers waren bijna gevoelloos.
Mooi wit, bijna net als de sneeuw zag ze, objectief keek ze gefascineerd naar haar vingers.
Alsof het de vingers waren van iemand anders, van een engel leek het wel. Teer en wit en doorzichtig?

Ze stak nog een zwavelstokje aan, zuchtend en genietend keek ze naar de prachtige warme vlam.
Het leek of ze plots in een warm bed lag met een dierenvel over haar heen, zo heerlijk warm, haar beentjes gloeiden, haar neus begon ook te gloeien, zo heerlijk warm!
Genietend keek ze naar het vlammetje…tot het weer doofde. Alweer, teleurgesteld pakte ze weer een zwavelstokje, ze voelde zich heerlijk ineens. Zo ontspannen, zo rustig.

Voor haar ogen brandde het zwavelstokje en ze deed haar ogen even dicht, oranje kleuren vormden een fel bewegend patroon voor haar ogen, ook al had zij ze gesloten.
Het leek alsof ze voor een haardvuur stond.
Sylvy had het niet meer koud. Ze verdween in het geheugen en ze zag haar lieve moeder voor haar, die lieve glimlachende mond, dat vertrouwelijke.
Die warmte had ze zo gemist. Ze zuchtte zo intens diep, hoestend opende ze haar ogen weer, de koude was te erg voor haar longen.
Ze blies met haar hoest ook het zwavelstokje uit.
Nog één om terug te keren naar mama, mama, haar hart kreet het uit in een intens gemis.
“MAMA”, waar ben je toch”? Snikte het kleine meisje achter de grote kerk in de sneeuwvlokken verdwaald in het leven.
Haar vader had altijd gevaren op een schip en was omgekomen tijdens een enorme storm, ze had hem niet goed gekend.
Photobucket

Soms herinnerde ze zich iets, een glimlach of een geur van iemand die voorbij liep, maar meer niet wel dat het een knappe man was geweest.
Hoe triest het leven lopen kon toch.
Zomaar werd je op de wereld gezet en toch, kon alles zo misgaan. Voor een kind van negen was dat teveel om te bevatten en het enige dat zij kon was overleven in deze wereld.
Ze had geen enkele keus namelijk.
Sylvy brandde haar vingers aan het zwavelstokje, het stokje viel in de sneeuw en Sylvy wilde alleen nog maar slapen, ze was zo moe namelijk. Ze legde haar bevroren haarstrengen op haar vochtige natte jak, en lag daar in de sneeuw, de torenklok sloeg 1 uur snacht’s.
Een zwarte koets trok door de stad, en de witte paarden voor de koets snoven wild toen ze dichterbij kwamen.
Alsof ze de zwavelstokje roken in de koude winternacht.
Steigerend en wild sprongen ze op en neer gelijk witte engelen in de sneeuwnacht voor kerst.
Een man stapte uit de koets en riep de koetsier te wachten, hij had iets gezien in de sneeuw, nabij de kerk.
Hij tilde het kleine meisje op, intens verkild tot op het bot.
Met droeve ogen nam hij het kleine jonge weesje mee in de warme koets, waar zijn vrouw geschokt zich boog over het jonge meisje.
Ze waren kinderloos gebleven al die jaren van hun gelukkig huwelijk en hier de nacht voor kerst was er een engel nedergedaald uit de hemel.
Zo maar op hun pad. Omdat toeval niet bestaat namelijk.
Sylvy kwam langzamerhand bij uit haar verkilde staat en keek met grote donkere ogen naar de lieve mensen voor haar.
De vrouw stak haar handen uit naar het meisje en omhelsde haar met veel warmte en liefde.
Sylvy was gered.
Die nacht strompelde Mans uit de kroeg, hij schopte zijn hond onder de hondenkar en wilde naar huis gaan. Het was immers al laat.
Op de kerktoren vloog een uil op en ging zitten op een zwaar besneeuwde gargouille.

De uil vloog op en de gargouille brak langzaam af, in slow motion viel het beeld langzaam naar beneden.
Photobucket
De volgende dag vond men Mans op de grond, en bovenop hem de gargouille.
Rood bloed trok sporen in de witte sneeuw.

©AngelWings