Home Kerstverhalen

Kerstverhalen

Damiën

Photobucket

Kreunend stond Maria in het ziekenhuis, haar benen wagenwijd geopend, het bloed stroomde eruit gelijk een waterval, inclusief flieders en fladders…waarschijnlijk vruchtwater inclusief de overblijfselen van de tweeling die opgegeten was door de nog ongeboren Damiën.
Krijsend viel zij neder, in de armen van dokter Bernard.

Dokter Bernard u moet mij zeggen, is het goed met hem? Hijgde ze in zijn oor, hangend in zijn ijzersterke armen. Is hij nu niet meer in gevaarrrrrr, zeg mij alleen de waarheid maar, begon zij uit volle borst. Waarschijnlijk een soort hallucinatie, gebeurd wel vaker bij ernstige pijnen, het lichaam schijnt dan opiaten aan te maken, vandaar die gothics die in wezen eigenlijk verslaafd zijn maar goed, daar ging dit verhaal niet over natuurlijk.

En dokter Bernard helemaal week, en nat door deze bloedende alleenstaande aanstaande moeder, zuchtte het uit en zei;
Nee, mevrouw Maria, dan moet ik eerst even een kijkje nemen in het vrouwelijke oerwoud tussen uwer benen.

Hij tilde de arme jonge vrouw op in zijn armen en legde haar op de dichtstbijzijnde brancard.
Hierop kroop hij snel onder de witte nachtpon van Maria en keek naar de borrelende fontein die hem vanuit haar Goddelijke wonde toestroomde. Oh Maria, mompelde hij met enkele zoete spatters vruchtwater en overblijfselen, in zijn gelaat,  van de tweeling die al verorberd was door Damiën…een stukje bleef steken in zijn neusgat, en hierop kreeg hij een intense niesbui, zodat de snotterbellen op de vrouwelijke zonde terecht kwam. Aangezien het een zo’n komisch gezicht was barste dr. Bernard in lachen uit, daar zo gelegen tussen de benen van de jonge bloedende aanstaande moeder…

Oh dr. Bernard red u mij dan toch? Kreet zij uit in barensnood. Wat zit u daar nu te niezen?

Er is werk aan de winkel, zei ze streng doch rechtvaardig.
Hierop kreeg zij een enorme perswee en drukte zij in enkele seconden een mega baby uit haar onderlijf, van wel 5 kilo zwaar, en een dikgevreten buikje.

Dr. Bernard had zijn hele gezicht onder de rode sappen, maar dit kon hem niet veel schelen, want hij was zowat bijna verstrengeld in een tongzoen met de boreling, aangezien deze met de navelstreng om zijn nekje ter wereld kwam, en tevens met de tong zwaar uit de mond hangend, waarschijnlijk nog een wraakactie van zijn opgegeten broertje.

In de gauwigheid nog even snel een navelstreng om zijn schouderpartij wringend er weer vandoor ging richting het hemelse rijk.
Dr. Bernard snufte het uit van blijdschap toen hij het geslacht waarnam van de boreling, mevrouw Maria u heeft een zoon!

Oh zuchtte Maria uit, van geluk stroomden de tranen haar over de wangen, ze had het even niet meer hoor. Een zoon, wow. Als ze nu maar niet een overbezorgde moeder werd zeg, stel je voor, neen ze zou hem opvoeden tot een flinke zelfstandige jongen, die heel goed wist wat hij wilde. Zoiets als in Hitler maar dan ietsje anders.

De vader was er al vandoor voor hij gekomen was, dus hij wist ook niets van het feit af dat hij vader was geworden en Maria was van mening dat, dat ook maar het beste was.
Aangezien ze het met de zeden niet zo nauw nam, was dat geen enkel probleem. Haar achternaam was niet voor niets Magdalena natuurlijk.

Haar zuster Rita kwam ook nog op bezoek, en dr. Bernard die al als een blok viel voor de schone Maria viel nu als een betonblok voor haar roodharige zuster Rita.
Zuster Rita, dit is nu dr. Bernard. Mompelde Maria terwijl ze haar dikke zoontje de borsten gaf, die hij gretig leegzoog met een duivels genoegen.

Onderwijl zijn dikke baby knuisten op haar blanke bollen leggend en hierop melkende bewegingen maken, want de slimmerd wist nu al, wat melken was en inhield, zodoende kreeg hij nog meer mamasapjes dan eigenlijk was toegestaan. Hij dronk voor twee, want niemand wist natuurlijk dat hij zijn ongeboren tweelingbroertje had opgegeten. Het was nogal een hongerlapje maar ja, dat is nu eenmaal zo met dikkerdjes die eten gewoonweg teveel toch?

Zo ging dat in deze wereld, kortzichtigheid ten top, maar ja, kon ons dat nu schelen als er maar een verhaal uitkomt nietwaar?

Nou goed, Damiën ging ook mee naar de bruiloft van tante Rita en dr.Bernard en had het enorm naar zijn zin. Hij keek zijn grote oogjes uit en brabbelde en bubbelde behoorlijk wat babybellen uit zijn pruilmondje. Nu had hij nogal vreemde oogjes, een beetje geelachtig met een vage streep dwars door zijn pupillen heen en soort van kattenogen maar dan anders!

Zijn nageltjes die wonderbaarlijk snel konden groeien, zodat mams ze elke dag wel kon gaan bijsnoeien waren ditmaal iets te lang in de haast van het bruidskleed etc, passen en meten..

Het kind graaide er lustig op los en bezeerde nogal veel mooie kantachtige zijden panty’s van dames die langsdrentelten. Foei Damiën riep zijn moeder dan uit. Koortachtig verontschuldigde zij zich dan tegenover de andere gasten, dat doetie anders nooit hoor zei ze dan, met het schaamrood op de kaken.

Het was weer een fijne kerst dat jaar hoe dit toch afliep? Geen idee het was immers kerst 2008!

De rest moet nog komen…

Angelwings

 

Nachtmis

Nachtmis

 christmas GIF

Bij de nachtmis dat jaar stond hij te kleumen in de koude, druk bezochte kerk, eenmaal per jaar vertoonde hij zijn gezicht hier en Ach, het was wel een fijn gevoel met al die mensen samen te zijn in een kerstige sfeer. Hij haalde onder zijn jas een flacon goedkope drank tevoorschijn en nam een slok. De tranen schoten in zijn ogen want de slok was heftig maar ook het lied ”Ave Maria” schoot zijn ogen vol. Naast hem stond een oude dame haar ogen te drogen want ook zij scheen het niet gemakkelijk te hebben. Hij stootte haar aan en knikte bemoedigend, zijn schurftige jas stonk een uur in de wind maar ach, een zwerver weet immers al niet beter en erg vond hij het allerminst.

Ze knikte hem toe met haar lieve bleke oude ogen en schonk hem zelfs een lieve zachte glimlach. De Zwerver werd er week van, niet dat hij viel op oudere dames. Oh nee die perversiteiten waren aan hem niet besteedt. Het was of hij iets in haar herkende, een flauw glimp van hetzelfde voelen in deez hele wereld een stukje herkenning in het gezamenlijk verdriet, zo dacht hij!

Wederom schoten zijn ogen vol en nam hij een forse slok uit zijn flacon met goedkope drank, hij deed dit al jaren en het was wel rustgevend, zodoende, was het dat hij opeens in de ogen keek van de oudere dame naast hem en hij schrok van de pijn die hij in haar ogen zag op dat moment. Wat had dit met hem van doen? Onderwijl neuriede hij wat mee met de liederen die gezongen werden met zijn schorre maar mooie bariton stem. Hij werd er bijna enthousiast van en duwde de oude dame tegen haar magere schouders ten teken dat ze harder moest meezingen, ze klonken samen echt geweldig vond hij. En toen het lied was afgelopen bleven zij doorzingen, gezamenlijk en in de hele kerk was het muisstil en iedereen luisterde naar de oude dame en de zwerver die zongen het hoogste lied in een geweldig harmonieus geheel, men was stil van verbazing, het was in een woord geweldig. Toen ze uiteindelijk klaar waren met hun zang, begonnen er opeens mensen te klappen, en er volgden er meer en meer.. tot iedereen in de kerk een daverend aplaus gaf aan deze twee zo eenzamen mensen op aarde. Een beetje verlegen keek de zwerver de oude dame aan en zei, zo dat was echt goed he wij samen. De oude dame knikte met vochtige ogen naar hem en vroeg waar hij zo goed had leren zingen? Oh vroeger zat ik in een zangkoor en ik heb een tijdje gezongen bij een opera. Vertelde de zwerver aan de oude dame. Ze vroeg hem na afloop van de dienst om met haar mee te gaan naar huis, gewoon, vriendschap, praten want ze waren beiden immers al jaren alleen zo bleek nav de verhalen die ze elkaar kort vertelden. Hij vond het wel best, en ze liepen door de straten waar de eerste sneeuw begon te vallen, samen liepen ze daar een boom van een vent naast een klein mager oud dametje, en toen ze bijna uitgleed greep hij haar snel bij haar arm om haar te ondersteunen.

Ze kwamen aan bij een kleine aanleunwoning en zo goed en zo kwaad als het ging kwam de zwerver binnen in het kleine huisje en ging zitten in een warme behaaglijke leunstoel met bloemetjes erop. Hij zuchtte terwijl de oude dame een goed glas jenever voor hem inschonk.

En ze begonnen elkaar te vertellen over hun levens, over haar man die al jaren geleden overleden was en, over hem die zijn ouders niet meer had gezien sinds zijn 19de toen hij in een boze bui het huis had verlaten en toen over zijn vrouw met de kinderen die er met een ander vandoor ging en de schulden die hij had gekregen erna dankzij zijn gokverslaving.

Het was al diep in de nacht toen de oude dame hem met betraande ogen een logeerbed aanbood op haar bank, omdat hij met dit weer niet meer naar buiten kon gaan!

De zwerver nam dit aanbod diep geroerd aan, zo lief was in jaren niemand voor hem geweest nml. Hij sliep als een roos op die zachte bank met bloemen in een zalig verwarmde kamer..en zijn dromen gingen over van alles en niets, en de volgende morgen toen de sneeuw een dik pak getoverd had buiten op al wat was, stond hij op rond een uur of zes om even zijn dagelijkse plas te plegen. Toen hij terugkwam van het toilet gebeuren keek hij verbaast naar een foto in de gang, die hij in het voorbijgaan plotseling zag hangen. Op de foto stonden mensen, de oude dame die daar op die foto nog jong was en naast haar een aardig uitziende man en voor hen zag hij een meisje en een jongen, en die jongen…

De adem werd hem benomen op dat moment, hij zag..Nee dit kon niet waar zijn, hij rende de slaapkamer in van de oude dame waar zij verschrikt in haar bed overeind ging zitten, en met haar lange witte haren en tandeloze mond hem aanstaarde alsof,.. hij vroeg, hij vroeg het of het waar was.. ze knikte… Ja, hij was haar zoon, die jaren geleden vertrokken was in een boze bui, de tranen vielen, om dit weerzien na zovele jaren. En de sneeuw dwarrelde uit de hemel, op de straten, op al dat is. En die morgen liepen er twee mensen innig gearmd over de straat te mijmeren en te praten.. Het was werkelijk een mooie dag, vooral omdat de dochter die dag ook zou komen met haar kinderen..

De sneeuwengel

Photobucket

De sneeuwengel

In het grote landhuis, aan de Greverderiuslaan, gingen die nacht de lichten aan in de grote hal, en toen in de woonkamer aan de linkervleugel. De sneeuw dwarrelde gestaag met flinke vlokken langs de witte raamkozijnen. Koortstachtig liep Mijnheer Frederick Hogendoorn door zijn woonkamer, heen en weer. De dokter was bij zijn Vrouwe, Marla Hogendoorn, zij lag met koortachtige rode wangen in het grote hemelbed. Doch de dokter kon weinig meer betekenen voor het op het einde lopende leven van Marla Hoogendoorn. Op 60 jarige leeftijd verliet zij dit luxe leven met een diepe zucht, en verliet zij haar geliefde man, die ineen stortte nadat hij zijn hand op haar koude hand legde en opeens voorgoed besefte dat zij dan toch echt was heengegaan van hem. Tranen liepen over zijn magere wangen uit zijn vaalblauwe ogen, op de zachte witte sprei. Oh lieverd, verzuchtte hij waarom moest je mij nu al verlaten, wat moet ik toch zonder jou mijn lief.

Hij viel snikkend met zijn gezicht neer op haar hand, en bleef deze omknellen tot hij in een diepe slaap viel. De slaap die hem nachtenlang was ontnomen, door het ziekbed van zijn zo geliefde vrouw.

De dagen erna waren een hel voor Frederick Hogendoorn. Mensen kwamen in en uit lopen, de notaris, de kinderen, de buren, zijn broer die nog in leven was, zijn schoonzuster doch niemand onttrok hem uit de lethargie die hem was overvallen, op de dag dat zijn Marla het leven had verlaten. Rusteloos stond hij s’nachts op en sliep overdag, hij had geen zin meer in het leven. Haar grafsteen kwam te staan op het familie kerkhof van de Hoogendoorn’s, achter op het landgoed Greverda.

De sneeuw dwarrelde maar door tijdens die dagen en op de steen stond een mooie roos gebeiteld voor zijn lieve Vrouw Marla, in gouden letters, haar naam en data. Tranen liepen over het magere gezicht van Frederick alles leek zo zinloos, hij wilde ook niet meer verder.

De kerstboom die hij nog opgetuigd had voor haar stond eenzaam in de hal bij de open haard, de lichtjes werden niet langer ontstoken, Frederick keek er niet meer naar om. Verdriet tergde zijn lijf en ziel.

Verlaten voelde alles aan, wat was hij zonder haar?

De avond voor kerst had eenieder zijn best gedaan om Frederick mee te nemen voor de avondmis, en uit te nodigen voor de komende kerstdagen, maar Frederick wees alles vriendelijk af. Hij wilde alleen zijn zei hij dan. En zuchtend verliet men dan het toneel, er was geen helpen aan en als hij niet anders wilde, dan moest hij het zelf maar weten.

Die avond zat Frederick voor de open haard en zowaar hij had de kerstlichtjes ontstoken, en een deken over zijn magere lijf gelegd.

Muziek klonk door de luidsprekers van zijn radio, kerstliederen die zijn gemoed pijn deden. ‘Marla’, fluisterde hij, en weer overviel hem de weemoed, het verdriet. De sneeuw viel uit de hemel in gestage vlokken.

De hemel was donkergrijs.

Trillend nam Frederick zijn jas van de kapstok, hij moest er naartoe, naar haar graf, zo ver was dat niet van het huis af. Hij moest bij haar zijn, de eenzaamste kerst in jaren, zonder haar dat kon toch niet?

Steunend zocht hij zijn weg naar de steen, door de sneeuw, die in dikke pakken over het pad lag, Frederick greep zich vast aan bomen en takken, en sleepte zich verder. Op weg naar zijn geliefde vrouw die daar lag in dat koude graf, zijn hart kreet het uit van pijn, de kou was bitter die nacht, net zo bitter als zijn hart.

Bij het graf zat hij neer in de sneeuw, en huilde, hij huilde als een wolf, om zijn verloren geliefde. De sneeuw viel in gestage vlokken uit de hemel op het kleine kerkhof van de familie Hogendoorn.

Plots scheen er een ster vanuit de hemel op de grafsteen en verbaast keek Frederick op, door de tranen heen zag hij een fel licht op zich afkomen, en zowaar, hij lachte, ja hij lachte, daar was zij, zijn vrouw Marla!

Hij stond op en leek wel een dronkenman, hij stak zijn armen uit naar haar die hij zo intens lief had. Marla zijn vrouw kwam naar hem toe en omarmde hem en verwarmde zijn inmiddels verkilde ziel tot deze weer begon te stralen. Warmte doorstroomde hem, Frederick was zo gelukkig nu ze weer bij hem was..

De volgende morgen vonden zijn kinderen hem, op het graf van hun moeder, bevroren van de kou lag hij daar met uitgespreide armen, als een sneeuwengel, sneeuwvlokken op zijn gelaat en om zijn bevroren mond een intense glimlach.

Angelwings

 

Het kerstverhaal

Photobucket

Er was eens een knappe jongeman, zijn naam was Jozef.

Hij werkte bij zijn vader in het timmermansbedrijfje.

Elke dag timmerde hij de mooiste dingen in elkaar.

Tafels, en stoelen, bedden, kribben, noem maar op.
Vaak moest hij van zijn vader boodschappen halen bij de buren op de hoek, daar haalde hij versgebakken broodjes, en een kan verse melk, nog warm van de koe zo vers!

En in die winkel zag hij de dochter, haar naam was Maria.

Maria was wonderschoon, en nog maagd natuurlijk, maar dat was iedereen in die tijd, als je nog niet getrouwd was.

Prachtige lange donkere haren, vielen over haar schouders, en haar ogen zo bruin als van een hert.

Ja, die Jozef was zwaar verliefd op Maria.

Hij had niet veel te bieden, met het armoedige bestaan als timmerman, daar werd je ook in die tijd niet erg rijk van natuurlijk.

En aangezien ze in die tijd, veel beter hout hadden dan nu en echt vakmanschap, gingen er nooit eens tafels of stoelen kapot.

Dus eenmaal een set gemaakt, hoefde men nooit weer iets te maken voor een familie.

In die tijd was men nog niet erg gemeen zeg maar.

Maar goed op een dag, wilde hij Maria toch mee uit vragen, hij plukte een bos wilde veldbloemen en gaf deze aan de mooie Maria en vroeg haar mee uit.

Nu dat wilde ze wel, blozend stond ze daar voor hem, want ze was ook wel een beetje verliefd op Jozef.

Die avond zouden ze gaan wandelen, dat was in die dagen een soort van date zeg maar..

Maar dan anders dan nu!

Gezellig wandelden ze langs de woestijn, klommen in een laaggroeiende boom en Jozef vertelde hele mooie verhalen aan Maria.

Maria genoot, en ze dronken een glas kamelenmelk, die Jozef had meegenomen in een waterdrinkzak.

Ze aten een stukje gedroogd schapenvlees, ipv chips oid…en een breezer hadden ze niet in die tijd!

Wel zeer heftige wijn, maar ja die mochten ze nog niet drinken zo voor het huwelijk.

Na deze avond volgden er vele avonden, met een gezellig samenzijn.

Maar op een dag kreeg Maria een stem in haar hoofd, de stem zei dat hij Meneer God was!

En dat Maria een zoon zou krijgen, en dat ze hem Jezus moest gaan noemen!

Ja maar stamelde Maria verschrikt, ik ben niet eens getrouwd hoe kan ik dan een kind gaan krijgen?

Je moet niet zoveel vragen Maria wat is dat zal zijn!

Klaar…het is mijn WIL en dat is de WET!

Ok…zei Maria…en zowaar ze was plots zwanger..

Jozef was in alle staten, hoe kan dit nou?

En ik heb hem er niet eens ingestopt!

Nou ja ok ervoor misschien wel maar, dit is van erna en dat kan toch niet zomaar?

Toen vertelde Maria dat Meneer God haar had verteld dat ze een heel belangrijk kind zouden krijgen die de zoon was van God…

Nou dat klonk plausibel dus Jozef vond het wel ok…een kind van God, dat was iets heel bijzonders!

God was immers de vader van ons allemaal dus wie was hij om zijn vader duidelijk te maken dat hij zelf de vader had willen zijn van Jezus?

It’s all in the family dus zodoende, gingen ze dan toch maar snel trouwen!

De hele stad hoefde dit nu ook alweer niet te weten nietwaar?

Ze hebben een leuk huisje in de stad, en Jozef timmert aan de weg, en ze hebben hele mooie meubeltjes in huis, zelf gemaakt uiteraard.

Nee ze hebben het goed samen!

Op een dag komt er een soldaat aan de deur, tegenwoordig noemen we dat oom agent…maar toen nog niet..

En hij kwam van de Romeinse keizer speciaal naar NaZARETH, om te zeggen dat iedereen zich moest laten inschrijven in hun geboortestad, dus Maria en Jozef moeten met spoed naar Bethlehem.

Ze lenen een ezel van de buurman en gaan op weg, de zwangerschap van Maria is al behoorlijk gevorderd en het zitten op een ezel viel niet mee!

Maar goed ze moesten wel.

Onderweg als het bijna donker is geworden, kloppen ze aan bij een herberg want een bel hadden ze nog niet aan de deur hangen, wel om de nekken van schapen enzo, maar niet aan de deur, dus ze klopten aan.

De herbergier doet open en zegt, eh sorry maar het is hier vol!

Alle mensen waren op weg gegaan om zich te laten inschrijven en overal was het vol, en bij elke herberg krijgen ze geen gehoor.

Maria is moe en de bevalling is aanstaande, ze heeft erge buikpijnen en zit kreunend op de ezel, die een natte rug heeft gekregen van het inmiddels gebroken vruchtwater, aangezien het vroor zat dat ook niet erg lekker.

Maar uiteindelijk krijgt een herbergier medelijden en zegt, ik heb nog wel een schone warme stal, daar kunnen jullie overnachten.

Hij wijst hen de stal en Maria gaat snel liggen op enkele balen schoon stro.

Jozef maakt zich zorgen om zijn lieve vrouw, maar na enkele uren wordt er een kind geboren!

Een heel mooi kind!

Het is een jongen, en zijn naam is Jezus!

Ze leggen Jezus in een schone kribbe met stro, en enkele doeken.

In de graslanden dichtbij de stal, lagen herders bij nachte, zij lagen bij nacht in het veld.

En ze hoeden hun schapen, bij kampvuren omdat het zo koud was.

En terwijl ze wat fluit speelden en zongen, kwam er plots een grote ster op hen af, en die ster bleek een engel te zijn…de engel riep:

Het kind is geboren, het kind van vrede, het kind van God!

Dan volgen er nog meer engelen en zij zingen wonderschoon over het nieuwgeboren kind.

‘’Jezus is Christus, de Messias (“Gloria in Excelsis Deo”)’.

De herders gaan op weg naar de stal.

En kloppen aan, Jozef denkt dat ze hen willen overvallen, en wil ze eerst een flinke klap op hun snufferd geven, maar ze geven aan dat zij een boodschap hebben ontvangen van de engelen…dat het kind van God geboren is en dat zij hem graag willen aanschouwen, nu dat mocht wel.

En met zijn allen kijken ze naar het wonderschone kindeke klein, dat ligt te slapen in de kribbe.

Met om hen heen de dieren in de stal, en het warme weerschijn van het vuur dat de stal verwarmt.

Het kerstverhaal door AngelWings

 

Het meisje met de zwavelstokjes

Photobucket
De sneeuw dwarrelde uit de donkergrijze hemel neer op aarde.
Op de kerktoren zat een uil, wit besneeuwd als de gargouilles onder hem.
Op de grond beneden in de diepte, liepen mensen af en aan, handkarren getrokken door honden en prachtige koetsen door paarden.
Mensen warm gekleed of een armoedzaaier welke vernikkelde in de bittere koude met de versleten kleding die hij of zij droeg. Op de hoek van het marktplein stond de oude Mans, zijn handen sloeg hij tegen zijn rug, keer op keer, om de koude te verdrijven.
“Schiet eens op meisje”, mopperde hij tegen Sylvy, het meisje moest zwavelstokjes verkopen op het marktplein namelijk. Het kind keek hem verschrikt aan, met haar onschuldige ogen, en haar rose lippen, produceerde ze iets dat leek op een glimlach.
Ze rende er vandoor op zoek naar iemand die zwavelstokjes wilde kopen. Zodat hij, hij die man daar haar niet zou… “Niet weer dat erge”, bad ze in stilte.
Sylvy was net 9 jaar geworden, maar haar verjaardag was niet gevierd natuurlijk.
Een wezenkind zonder ouders vierde geen verjaardag namelijk.
Dat was haar niet meer gegund in haar jonge leven, en soms dan dacht ze nog aan haar moeder, die haar zoveel liefde had gegeven. Zoveel warmte, totdat ze, overleed aan tyfus.
Sylvy had uren rondgelopen en huilde tot ze niet meer kon en toen had Mans haar gevonden, achter de kerk beschut tegen de regen.
Hij had heel vriendelijk geleken in het begin, maar later bleek hij een hele nare man te zijn. Hij sloeg haar vaak, en schold op haar, ze deed nooit iets goed in zijn ogen.
Op het marktplein deed hij wel alsof hij aardig was omdat er andere mensen om hen heen liepen, hij liet dan nooit blijken hoe hij werkelijk was.
Oh Sylvy wist het wel, maar ze kon niet vluchten, want dan had ze niemand meer, dan was ze echt helemaal alleen op deze wereld.
Ze durfde het ook niet, om te vertrekken, zuchtend opende ze haar handpalm en riep vriendelijk tegen een rijke dame of ze ook zwavelstokjes wilde kopen voor de kerst die voor de deur stond.
De mooie dame lachte en een man greep lachend de arm van de vrouw en trok haar met zich mee, weg van Sylvy. Sylvy keek bewonderend naar de mooie kleding die de dame droeg, was zij ook maar zo rijk en zo mooi. Ze vond zichzelf niet knap, ze was bleek en had donkerbruine ogen en lange blonde vlassige haren. Zo mooi als die dame zou zij nooit worden. Zuchtend keek ze om haar heen naar een ander die misschien zwavelstokjes wilde kopen. Plots werd er pijnlijk aan haar oor getrokken, Mans siste in haar oor dat ze voort moest maken, omdat hij haar anders niet binnen liet die nacht.
Sylvy greep naar haar pijnlijke oor, die nog pijnlijker werd door de intense kou in haar dunne jakje.
Tranen welden op in haar ogen, maar ze slikte ze dapper weg! Ze zou hem nooit laten zien dat ze huilde, nooit! “Kom meidje, opschieten, anders vries je dood vannacht”, hij lachte zijn vieze tanden bloot, vol afschuw keek ze hem aan. “Wil je niet liever bij papa Mans in bed slapen, lekker warm”, grijnste hij.

Hij sloeg de hond onder de kar met een stuk touw en jankend sprong de hond op om de kar te trekken, naar een krot twee straten verderop. Mans keek nog een keer waarschuwend achter om.
“Verkoop alles vandaag”, gromde hij. Hij wilde zijn dagelijkse portie jenever wel kunnen kopen en dat kind zou er voor zorgen.
Geen Kerst zonder een fles jenever. Hij slenterde er vandoor in de dikke laag sneeuw het meidje achterlatend in de bittere koude.
Sylvy rilde, zuchtend probeerde ze uit alle macht de zwavelstokjes te verkopen en één vriendelijke meneer kocht er enkele van haar.
Maar niet genoeg, niet genoeg om naar huis te mogen komen.

De tranen rolden haar nu inmiddels over haar wangen ze had het zo stervenskoud.
De mensen gingen allen op huis aan en zij stond daar maar in haar eentje in de laag sneeuw waar geen einde aan leek te komen.
Sylvy liep door de sneeuw naar de achterkant van de grote kerk voor enige beschutting, daar was een afdakje van hout voor de zondagskerk. Waar men mocht schuilen voor de zondagsschool openging.
Haar haren plakten ijskoud aan haar voorhoofd. En haar tranen leken wel te bevriezen op haar wangen.
Bij het afdakje leek het iets warmer te zijn. Ze was zo moe, zo intens moe.
Na enige tijd, had ze het zo koud en ze durfde ook niet meer naar Mans te gaan.
Oh nee zeker niet, ze wilde dát niet! Ze wilde niet, niet, niets, meer…

Ze was zo moe…

In haar rokzak zaten de zwavelstokjes en ze wist dat het niet mocht maar ze kon er niets aan doen, ze moest! Ze ging toch niet meer terug naar Mans, ze wilde niet bij die oude man in bed slapen en dan die dingen doen die hij haar opdroeg te doen bij hem. Ze vond het zo vies, maar als ze niet luisterde dan sloeg hij haar bont en blauw met zijn broekriem, en die pijn was te intens om te dragen, ze was nog zo klein. Een meisje van negen jaar oud.
Bibberend stak ze een zwavelstokje aan, schitterende vlammen voor haar ogen, als kleine elfjes, waar ze wel eens over gehoord had, in de witte dansende sneeuw voor haar de reflecterende schoonheid.
Prachtig ze genoot zo, ze voelde een klein beetje warmte uitstralen van het vlammetje voor haar ogen. Het leek wel de zon, lekker warm.
Kleine diamantjes schitterend in de sneeuwvlokjes als witte engelenvleugelveren die van uit de hemel nederdaalden naar de aarde.

Vrede op aarde…

Och wat jammer nu, het vlammetje was uitgegaan. Het leek nu een beetje meer donker nog dan daarnet, Sylvy zuchtte diep.
Zou ze nog een aansteken, zou ze het durven?
Haar vingers waren bijna gevoelloos.
Mooi wit, bijna net als de sneeuw zag ze, objectief keek ze gefascineerd naar haar vingers.
Alsof het de vingers waren van iemand anders, van een engel leek het wel. Teer en wit en doorzichtig?

Ze stak nog een zwavelstokje aan, zuchtend en genietend keek ze naar de prachtige warme vlam.
Het leek of ze plots in een warm bed lag met een dierenvel over haar heen, zo heerlijk warm, haar beentjes gloeiden, haar neus begon ook te gloeien, zo heerlijk warm!
Genietend keek ze naar het vlammetje…tot het weer doofde. Alweer, teleurgesteld pakte ze weer een zwavelstokje, ze voelde zich heerlijk ineens. Zo ontspannen, zo rustig.

Voor haar ogen brandde het zwavelstokje en ze deed haar ogen even dicht, oranje kleuren vormden een fel bewegend patroon voor haar ogen, ook al had zij ze gesloten.
Het leek alsof ze voor een haardvuur stond.
Sylvy had het niet meer koud. Ze verdween in het geheugen en ze zag haar lieve moeder voor haar, die lieve glimlachende mond, dat vertrouwelijke.
Die warmte had ze zo gemist. Ze zuchtte zo intens diep, hoestend opende ze haar ogen weer, de koude was te erg voor haar longen.
Ze blies met haar hoest ook het zwavelstokje uit.
Nog één om terug te keren naar mama, mama, haar hart kreet het uit in een intens gemis.
“MAMA”, waar ben je toch”? Snikte het kleine meisje achter de grote kerk in de sneeuwvlokken verdwaald in het leven.
Haar vader had altijd gevaren op een schip en was omgekomen tijdens een enorme storm, ze had hem niet goed gekend.
Photobucket

Soms herinnerde ze zich iets, een glimlach of een geur van iemand die voorbij liep, maar meer niet wel dat het een knappe man was geweest.
Hoe triest het leven lopen kon toch.
Zomaar werd je op de wereld gezet en toch, kon alles zo misgaan. Voor een kind van negen was dat teveel om te bevatten en het enige dat zij kon was overleven in deze wereld.
Ze had geen enkele keus namelijk.
Sylvy brandde haar vingers aan het zwavelstokje, het stokje viel in de sneeuw en Sylvy wilde alleen nog maar slapen, ze was zo moe namelijk. Ze legde haar bevroren haarstrengen op haar vochtige natte jak, en lag daar in de sneeuw, de torenklok sloeg 1 uur snacht’s.
Een zwarte koets trok door de stad, en de witte paarden voor de koets snoven wild toen ze dichterbij kwamen.
Alsof ze de zwavelstokje roken in de koude winternacht.
Steigerend en wild sprongen ze op en neer gelijk witte engelen in de sneeuwnacht voor kerst.
Een man stapte uit de koets en riep de koetsier te wachten, hij had iets gezien in de sneeuw, nabij de kerk.
Hij tilde het kleine meisje op, intens verkild tot op het bot.
Met droeve ogen nam hij het kleine jonge weesje mee in de warme koets, waar zijn vrouw geschokt zich boog over het jonge meisje.
Ze waren kinderloos gebleven al die jaren van hun gelukkig huwelijk en hier de nacht voor kerst was er een engel nedergedaald uit de hemel.
Zo maar op hun pad. Omdat toeval niet bestaat namelijk.
Sylvy kwam langzamerhand bij uit haar verkilde staat en keek met grote donkere ogen naar de lieve mensen voor haar.
De vrouw stak haar handen uit naar het meisje en omhelsde haar met veel warmte en liefde.
Sylvy was gered.
Die nacht strompelde Mans uit de kroeg, hij schopte zijn hond onder de hondenkar en wilde naar huis gaan. Het was immers al laat.
Op de kerktoren vloog een uil op en ging zitten op een zwaar besneeuwde gargouille.

De uil vloog op en de gargouille brak langzaam af, in slow motion viel het beeld langzaam naar beneden.
Photobucket
De volgende dag vond men Mans op de grond, en bovenop hem de gargouille.
Rood bloed trok sporen in de witte sneeuw.

©AngelWings