Prinses op de boerenzoon

Lang geleden, zoals wel vaker het geval is, was er eens een zeer knappe en rijke prins.
Natuurlijk is dat altijd zo.
Zijn naam was prins Johannes de 4e. Want zijn vader was nml koning Johannes de 3e, en die zijn vader koning Johannes de 2e en die zijn vader was dus koning Johannes de 1ste. Dat was nog veel langer geleden.
Dus een echte prins. En deze prins wilde liever een andere naam dan Johannes te heten maar ja daar kon hij niets aan doen. Dat was beslist door zijn ouders en zelfs door de regering, maar het liefst wilde hij gewoon Prins heten. Daarom noemen we hem in dit verhaal dan ook gewoon Prins.

Nu wilde de prins Prins een prinses natuurlijk, maar ja hoe wist je nu dat een prinses een echte zuivere prinses was? De meeste waren halfbloed, en sommige van die alcoholsnollige prinsesse dus daar wilde hij niet aan denken. Daarvoor moest Prins dus naar de oude torenkamer, waar zijn overovergrootmoeder nog scheen te leven zelfs. En zij wist het, zij wist alles namelijk, omdat ze zo oud was, maar soms wist ze ook niets meer van dat alles, omdat ze zo oud was.
Maar wie weet, wist ze het die dag nog wel, en dus toog Prins menigmaal richting het torenkamertje, langs de ellenlange wenteltrappen naar boven, in de hoop dat zijn overoverovergrootmoeder een dag had waarop ze alles weer wist, omdat ze zoveel wist maar ook soms niet meer wist.

Prins bleef er slank bij, want aan sporten deed men niet in die tijden, afgezien van wat zwaardgevechten natuurlijk, en het jagen op konijnen en vossen.

Maar voor de rest, geen fitness, en geen basketbal of tennis, daar had niemand tijd voor in die dagen. Vandaar dat men ook torenkamers maakten voor oude overgrootmoeders die dan daarboven moesten verblijven omdat ze eenmaal boven niet meer naar beneden durfden te gaan.
In feite een soort ouderwets bejaardenhuis maar dan anders.

En eindelijk vandaag bleek overoverovergrootmoeder in een wijze bijdehante bui.
Dag grootmoeder, zei Prins. Ik wil u iets vragen.
Is goed jongen, knikte ze. Wat wil je mij vragen Johannes de 2e. Ik ben Johannes de 4e overoverovergrootmoeder, schrok de prins Prins.
Had ze nu alweer haar dag niet vandaag? Was hij dan weer die trap voor niets opgeklommen uren lang?
Maar nee, gelukkig, ze herstelde zich al snel.’’ Ach natuurlijk, ik had mijn loep niet voor mijn oog, vandaar’’, zei ze giegelend. Overoverovergrootmoeder had namelijk nog maar één oog dat scheelde weer met die loepen. Eén was gemakkelijker te hanteren dan twee.
Maar goed overoverovergrootmoeder wist het geheim te vertellen hoe de prins Prins een echte heuse prinses kon vinden.
Huiverend trok hij zich wat terug van de walmende asem van de oude vrouw. In die tijd had je geen gebitje voor je oma, men wist nog niet eens wat dat was, dus je begrijpt, overoverovergrootmoeder zijn dat betekende ook… Nu ja. De prins Prins bedankte de oude vrouw en kuste haar op haar vogelnestje op haar bolletje. Dag overoverovergrootmoeder bedankt voor het advies. Hij rende de trappen af, alsof de duivel hem op zijn hielen zat en wie weet was dat ook wel zo. Het kasteel was namelijk zo vreselijk oud, dat er vast wat spookte, daar in die oude torenkamers.
Prins de prins begon de volgende dag met de oproep dat hij op zoek was naar knappe boerenzonen. De koning Johannes de 3de tikte tegen zijn kroon, en vroeg zich af of zoonlief zich ineens ging verdiepen in het mannelijke geslacht. Het werd toch wel hóóg tijd voor een leuke prinses vond de koning. Maar goed hij liet hem zijn gang maar gaan. Er kwamen vele boerenzonen naar het kasteel in de hoop op wat goudstukken oid, ook al wisten zij niet wat ze moesten doen.
Prins de prins keurde alle boerenzonen met kritische blikken en hij koos er een uit die er werkelijk oogverblindend uit zag zelfs in boerenkiel. Dit ging hem dus worden. De rest mocht naar huis met een stuk varken of schaap of koe. Ze mochten zelf kiezen. Merendeel droop af met een karkas van het één of ander op de rug, maar ook velen waren boos en staken eens flink de riek in de lucht.
Maar daarvoor had Prins de prins natuurlijk ook kasteelhonden en die beten er flink op los.
Nou de boerenzoon die zo oogverblindend knap was, dat zelfs de koningin inmiddels al op leeftijd al bijna van haar stokje ging toen ze hem zag, werd ingelijfd als lakei. Hij verdiende lekker, dat mocht wel even gezegd. En in die tijd had men neuro’s dus dat was nog meer waard zelfs dan de guldens, dus dat wil wat zeggen.
Na twee maanden, riep Prins de prins allerlei prinsessen op om met hem te huwen.

Ze moesten als voorwaarde een nachtje op het kasteel doorbrengen, maar als alles goed ging en ze beviel dan zou hij met haar trouwen en zou ze een leven als een prinses hebben, als ze dit al niet had.
Nu tikten er enkele maagdelijke prinsessen op hun kroontjes of die prins Johannes de 4e wel geheel zou sporen in zijn kroonkamer? Maar ze gingen echt niet, een nachtje slapen konden ze thuis ook wel en wie weet wat er zou voorvallen in de nacht en dat verhaal met die erwt konden ze wel dromen inmiddels nee, dat wist elke prinses wel. Je zei dan gewoon dat het matras enorm hard was geweest en je niet kon slapen die nacht simpel toch? Maar toch kwamen er enkelen wel naar het kasteel, waaronder hele knappe prinsessen heus. De eerste prinses was blond als een kaarsenvlam en ze was als eerste aangekomen. Ze ging slapen die nacht in een prachtige kamer in het kasteel, welke zwoel was ingericht. Ze nam het ook niet zo nauw dus ze wachtte naakt in het grote bed op de prins die komen zou, toch? Maar ze dronk van de zalige dure wijn uit de karaf naast het grote hemelbed en viel al snel in slaap.
Na een tijdje kwam de knappe boerenzoon de slaapkamer in en nam de vrouwe in haar slaap.
De volgende morgen vroeg de prins aan het ontbijt hoe zij geslapen had.
Nou fantastisch zei ze spontaan en ze lachte hierbij al haar parelwitte tandjes bloot.
Oké zei de prins dan mag jij nu naar huis gaan.

Teleurgesteld pakte ze haar jurken weer in en vertrok met spoedige vaart en koets over de ophaalbrug richting haar eigen thuisland.
Toen was de volgende prinses aan de beurt. Ze had prachtig rood haar en felgroene ogen.
De prins vond haar wel een lekker ding vooral haar pronte borsten leken hem wel een heerlijkheid om in weg te duiken tijdens de rest van de aanstaande regeerperiode.
Maar ook zij had de volgende morgen zalig geslapen!
Teleurgesteld liet de prins haar gaan en wierp woedende blikken op de boerenzoon.

Heey eh je bent toch wel echt een boerenzoon en geen nazaat van mijn vader ofzo hé? Verifieerde hij nog even voor de zekerheid want de boerenzoon mocht geen druppel koninklijk bloed in zich hebben, anders werkte de test niet.
Er kwam een prachtige prinses langs met schitterend lang zwart haar en mooie lichtbruine ogen. Maar helaas ook zij had zalig geslapen. En zo ging dit maar door, een jaar later was er nog geen enkele prinses goedgekeurd want ze sliepen zalig dankzij de vreselijk knappe boerenzoon.

En een echte prinses zou dan zeggen dat ze slecht geslapen had. Dan was ze pas een echte. Geen boerenzoon zou haar zalig laten slapen, alleen een echte prins kon dat namelijk.

De Prins spatte uit elkaar van jaloezie om al die mooie vrouwen had hij laten gaan, en omdat zijn overoverovergrootmoeder gezegd had wat hem te doen stond.
Hij gooide hierna zijn overoverovergrootmoeder uit het torenkamertje zo pardoes op de binnenplaats van het kasteel, waar de kasteelhonden de restanten op aten.
De vreselijk knappe boerenzoon, werd verbannen naar een naburig buurland waar hij toch behoorlijk vriendelijk werd ontvangen door de plaatselijke prinses, en waar zij zelfs een uitzondering maakte op de regel door te trouwen met de knappe boerenzoon.
Prins mopperde aan één stuk door, zijn vader zou wel hebben liggen vozen in het hooiland en die boerenzoon was vast een van zijn nakomelingen, overoverovergrootmoeder was te dement nog om zich te herinneren wat nu echt het verhaal was achter het ontdekken van een echte zuivere prinses, kortom, hij wist het gewoon niet meer. Hij ging steeds vaker op pad, en trok er op uit de wildernis in, waar hij op een dag een mooie vrouw tegenkwam welke in het water bezig was te verdrinken.

Ze riep om hulp en de prins sprong toch maar het water in met zijn dure kledij.

Toen hij het natte kind op de kant had getrokken, werd hij op slag zo smoorverliefd op haar dat ze het deden daar aan de kant van de weg. Tussen grassprieten en doorns en bramen, en vele ongedierten die tussen hun bilnaad kropen. Maar dat kon de pret niet drukken.

De prins was dolgelukkig, prinses of niet, het kon hem niets meer schelen namelijk.
Toen hij vroeg hoe ze het had gevonden, zei ze blij dat het Goddelijk was, en dat ze een prinses was, nu ja hij zou haar maar op haar woord geloven.
Want boerenzonen waren ook niet te vertrouwen en overoverovergrootmoeders ook niet.
Ze trouwden en leefden nog lang en gelukkig.

©AngelWings.nl